Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6050

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
200.086.782-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Verzet ten onrechte ontvankelijk verklaard nu niet voldaan is aan art. 3:301, lid 2 BW (inschrijving verzetdagvaarding in het rechtsmiddelenregister); ambtshalve toetsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.086.782/01

Rolnummer Rechtbank : 374361/HA ZA 10-3150

arrest van 15 januari 2013

inzake

[appellant]

wonende te 's-Gravenhage,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. B.D.W. Martens te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. Oorthuys te Leiden.

Verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn arrest van 28 juni 2011, waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast. Deze heeft op 17 augustus 2011 plaatsgevonden. De comparitie is voortgezet op 11 oktober 2011, in combinatie met de bij arrest van 6 september 2011 in de zaak met nummer 200.090.844/01 (kort geding) gelaste comparitie na aanbrengen. Met het oog op deze laatste comparitie zijn door beide partijen stukken in het geding gebracht.

De twee zaken zijn niet formeel gevoegd, maar (ook na bedoelde comparitie) wel gevoegd behandeld.

Op 6 december 2011 heeft [appellant] een “memorie van grieven in gevoegde zaken”, met producties, genomen.

Op 13 maart 2012 heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord in beide zaken, met producties, genomen.

[appellant] heeft daarop nog een akte houdende producties (in beide zaken) genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Ook in de zaak met nummer 200.090.844/01 wordt vandaag arrest gewezen.

Het geschil

1. Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen tot verkoop en levering van het pand [adres] (hierna: het pand) door [appellant] aan [geïntimeerde]. Laatstgenoemde stelt dat op 26 maart 2010 mondeling overeenstemming is bereikt overeenkomstig de voorwaarden neergelegd in de “koopovereenkomst” die is overgelegd als productie 13 bij inleidende dagvaarding. [geïntimeerde] neemt daarbij tot uitgangspunt dat het pand, waarin [appellant] voorheen zijn advocatenpraktijk uitoefende, ten tijde van de verkoop niet tot bewoning bestemd was, zodat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 BW toepassing mist. [appellant] betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen en heeft geweigerd mee te werken aan de levering van het pand aan [geïntimeerde].

2. Bij inleidende dagvaarding van 10 juni 2010 heeft [geïntimeerde] primair gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld mee te werken aan de levering van het pand (tegen betaling van de volgens hem overeengekomen koopsom van € 550.000,-), althans dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de leveringsakte. Nadat tegen [appellant] verstek was verleend heeft de rechtbank bij verstekvonnis van 11 augustus 2010, onder verwijzing naar de aan het vonnis gehechte dagvaarding, (uitvoerbaar bij voorraad) het daarin primair gevorderde toegewezen, onder bepaling dat, voor het geval [appellant] weigert zijn medewerking te verlenen aan het passeren van de leveringsakte op 1 oktober 2010, het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte als bedoeld in artikel 3:300 BW.

3. Bij dagvaarding van 19 augustus 2010 is [appellant] tegen dat vonnis in verzet gekomen. Bij vonnis van 2 februari 2011 heeft de rechtbank het verstekvonnis vernietigd en, opnieuw recht doende, [appellant] veroordeeld tot medewerking aan het passeren van de leveringsakte op een door [geïntimeerde] te bepalen datum die minimaal twee weken ligt na de datum van het wijzen van het vonnis, ten overstaan van een door [appellant] binnen een week na de datum van het wijzen van het vonnis aan te wijzen notaris, onder de opschortende voorwaarde van, kort gezegd, voldoening van de koopsom van € 550.000,-. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat, voor het geval [appellant] niet aan deze veroordeling voldoet, het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte, benodigd om de eigendom van het pand te doen overgaan op [geïntimeerde] (onder dezelfde opschortende voorwaarde als voormeld). Op verzoek van [geïntimeerde] heeft de rechtbank bij beslissing van 16 februari 2011 het vonnis waarvan beroep verbeterd als volgt:

- in rechtsoverweging 2.1 dient in plaats van “het pand aan [adres]” (hierna: het pand) te worden gelezen:

“het pand aan [adres], kadastraal bekend gemeente ’s-Gravenhage, sectie P nummer 4064, groot twee are zestien centiare (hierna: het pand)”

- in rechtsoverweging 2.10 dient na “In een van deze conceptovereenkomsten, waarin zowel in letters als in cijfers uitgetypt een koopprijs van € 550.000,-- is vermeld, zijn alle persoonlijke gegevens van partijen, inclusief paspoortnummers, opgenomen (hierna: de concept-overeenkomst)” te worden gelezen:

“De concept-overeenkomst vermeldt onder andere:

“1. [appellant], wonende aan het [adres], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [echtgenote]; hierna te noemen verkoper;

2. [geïntimeerde], wonend aan de [adres], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], in algehele gemeenschap gehuwd met mevrouw [echtgenote]; hierna te noemen koper;”.”

4. [appellant] heeft geen medewerking verleend aan de levering van het pand, waarna [geïntimeerde] de eigendom van het pand door middel van de in het vonnis voorziene reële executie heeft verkregen.

Ontvankelijkheid van het beroep

5. Zoals uit het voorgaande blijkt is het onderhavige hoger beroep gericht tegen een uitspraak waarvan de rechtbank heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte, als bedoeld in artikel 3:301, lid 1, BW. Ingevolge het tweede lid van dit artikel dient het hof ambtshalve na te gaan of voldaan is aan de in deze bepaling gestelde voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep, te weten dat het hoger beroep binnen acht dagen na het instellen ervan is ingeschreven in het in artikel 433 Rv. bedoelde register (vgl. HR 4 mei 2007, NJ 2008, 140). Het onderhavige hoger beroep is ingesteld bij dagvaarding van 19 april 2011 (onder intrekking van het op 2 maart 2011 uitgebrachte exploot), zodat de in artikel 3:301 lid 2 BW bedoelde inschrijving op uiterlijk 27 april 2011 diende te hebben plaatsgevonden. Uit ambtshalve ingewonnen inlichtingen blijkt dat aan die eis is voldaan, zodat [appellant] in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

Beoordeling van het beroep

6. Onder het hoofdje “Inleiding” van de memorie van antwoord maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen de wijze waarop [appellant] in deze zaak procedeert. Ook heeft hij bedenkingen tegen de inrichting van de memorie van grieven van [appellant]. In dat kader maakt hij melding van een wel aan het hof toegezonden, maar niet genomen memorie van grieven. Juist is dat zich in het griffiedossier een memorie van grieven, gedateerd 19 juli 2011 bevindt. Deze is door het hof echter niet als genomen aangemerkt. De inhoud daarvan wordt dan ook buiten beschouwing gelaten. De grieven in het hoger beroep tegen het kort geding-vonnis in de zaak met nummer 200.090.884/01 zijn in de appeldagvaarding tegen dat vonnis opgenomen. Overigens verbindt [geïntimeerde] geen consequenties aan zijn observaties, behoudens dat hij het hof verzoekt aan het (volgens hem) niet nakomen van de waarheidsplicht door [appellant] de gevolgen te verbinden die het geraden acht. Het hof ziet geen aanleiding tot enige bijzondere overweging op dat punt.

7. In zijn eerste grief betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte een tussenvonnis heeft gewezen, omdat zij [appellant] terstond niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzet. In zijn tweede grief maakt hij om dezelfde reden bezwaar tegen de vaststelling, in het eindvonnis, dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, en tegen de inhoudelijke beoordeling van het verzet. Aan beide grieven legt [appellant] ten grondslag dat de verzetdagvaarding ingevolge artikel 3:301, lid 2, BW, op uiterlijk 27 augustus 2010 had moeten zijn ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 433 Rv. en dat dit niet is gebeurd. Hoewel [appellant] stelt dat dit niet aan hem te wijten is, omdat hij de verzetdagvaarding tot tweemaal toe heeft aangeboden bij de Centrale Balie (het hof begrijpt: van het Paleis van Justitie waarin de rechtbank huist), bepleit hij niettemin de niet-ontvankelijkheid van het door hem ingestelde verzet. In het petitum van de memorie van grieven vordert hij (onder 1. tot en met 3.) de vernietiging van het tussen- en eindvonnis van de rechtbank, alsmede een verklaring dat hij niet-ontvankelijk is in zijn verzet en dat het verstekvonnis van 11 augustus 2010 op 11 november 2010 in kracht van gewijsde is gegaan.

8. [geïntimeerde] betwist niet (voldoende kenbaar en gemotiveerd) dat het door [appellant] ingestelde verzet niet is ingeschreven in het in artikel 433 Rv. bedoelde register. Wel betoogt hij: i) dat dit niet leidt tot nietigheid van het verzetvonnis, ii) dat het verstekvonnis is vernietigd en dus niet meer bestaat en iii) dat [appellant] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn eigen niet-ontvankelijk verklaring, althans door het vorderen daarvan misbruik van recht maakt. Dit laatste argument onderbouwt [geïntimeerde] door te stellen dat [appellant] in het verstekvonnis eveneens is veroordeeld tot medewerking aan de levering, dat dit vonnis weliswaar volgens het Kadaster niet kan worden ingeschreven omdat daarin de kadastrale gegevens van het pand ontbreken, maar dat [geïntimeerde] dit op diverse wijzen had kunnen (en, het hof begrijpt: kan) rechtzetten. In het kader van zijn verweer tegen de betreffende grieven van [appellant] verzoekt [geïntimeerde] het hof om de kadastrale - en persoonsgegevens in zijn arrest op te nemen en verzoekt hij voorwaardelijk – voor het geval hij in het materiële geschil in het ongelijk zou worden gesteld – om [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzet.

9. In zijn arrest van 4 mei 2007, NJ 2008, 140 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het voorschrift van artikel 3:301, lid 2, BW overwogen (rov. 3.4):

“Het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW dat het rechtsmiddel van verzet, hoger beroep en cassatie binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, strekt ertoe dat bij inschrijving van de uitspraak op de voet van art. 3:89 lid 1 BW zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek geen rechtsmiddel is ingesteld. Zulks is van belang met betrekking tot de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid. De bepaling bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, bij de afgifte van de in art. 25 Kadasterwet bedoelde verklaring dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het rechtsmiddelenregister. Dat is niet alleen van belang in de in art. 25 lid 1 onder a en b genoemde gevallen, maar ook in het geval waarin de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (vgl. voor een en ander HR 24 december 1999, nr. C98/161, NJ 2000, 495).

Uit het voorgaande volgt dat het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW niet ertoe strekt het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld te beschermen, maar ertoe strekt de betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid zoveel mogelijk te waarborgen. Dit brengt mee dat de rechter ambtshalve dient na te gaan of aan genoemd voorschrift is voldaan, en dat niet terzake doet of de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld zich beroept op het verzuim van de aanlegger om het rechtsmiddel binnen acht dagen na het instellen daarvan te doen inschrijven in het rechtsmiddelenregister. Voorts is er geen plaats voor onderzoek door de rechter naar de vraag of sprake is (geweest) van benadeling van derden als gevolg van dit verzuim.”

In lijn hiermee heeft de Hoge Raad in zijn arrest van dezelfde datum (NJ 2008/141) een in het cassatiemiddel voorgestelde uitleg of toepassing van het voorschrift, inhoudend dat het rechtsmiddel – dat niet tijdig is ingeschreven – niettemin ontvankelijk is indien het (alsnog) wordt ingeschreven voordat het vonnis waartegen het rechtsmiddel zich richt vatbaar is voor inschrijving in de openbare registers, verworpen. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat de aan niet-naleving van het voorschrift verbonden sanctie weliswaar ingrijpend is, maar door de wetgever uitdrukkelijk – met het oog op de rechtszekerheid – is beoogd. Hiermee heeft de Hoge Raad het absolute karakter van het voorschrift bevestigd.

In zijn uitspraak van 24 december 1999, NJ 2000, 495, had de Hoge Raad eerder al overwogen dat het aan de insteller van het rechtsmiddel is om (door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven) aan te tonen dat aan het in artikel 3:301, lid 2, BW gestelde voorschrift is voldaan. In het daar aan de orde zijnde geval had de eiser tot cassatie dat nagelaten, zodat er volgens de Hoge Raad vanuit moest worden gegaan dat niet aan het betreffende voorschrift was voldaan – hetgeen bovendien door eiser tot cassatie was bevestigd.

10. Nu [appellant] zelf stelt en [geïntimeerde] niet (voldoende kenbaar en gemotiveerd) betwist dat het verzet niet in het daartoe bestemde register is ingeschreven, terwijl zich evenmin een andersluidende verklaring van de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage in het procesdossier bevindt, dient het hof ervan uit te gaan dat met betrekking tot het verzet niet aan het voorschrift van artikel 3:301, lid 2 BW is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank – die gehouden was om ambtshalve te onderzoeken of aan het voorschrift was voldaan – [appellant] in zijn verzet, dat zich richtte tegen de – onlosmakelijk met elkaar samenhangende – veroordeling tot medewerking aan de levering van het pand en de bepaling van de in de plaatsstelling van de leveringsakte door het vonnis, integraal niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Dat [geïntimeerde] zich daarop niet heeft beroepen doet niet terzake, evenmin als de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] daarbij geen belang zou hebben of misbruik maakt van recht. Het voorschrift beoogt immers, zoals uit voornoemde uitspraken van de Hoge Raad blijkt, niet de belangen van partijen te dienen, maar het algemene belang van de rechtszekerheid. Ook doet – nog daargelaten dat partijen hierover niets hebben gesteld – niet terzake of (het belang van derden bij) de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid in dit concrete geval door niet-inachtneming van het voorschrift is geschaad.

Anders dan [geïntimeerde] betoogt, is niet de al dan niet ‘nietigheid’ van de vonnissen waarvan beroep in het geding, maar ligt de vraag voor of de rechtbank [appellant] in zijn verzet niet-ontvankelijk had moeten verklaren en leidt de bevestigende beantwoording van die vraag tot de vernietiging van die vonnissen – en daarmee van de vernietiging door de rechtbank van het verstekvonnis. Het gevolg daarvan is, zoals [appellant] betoogt, dat het verstekvonnis kracht van gewijsde verkrijgt. De grieven 1 en 2 slagen derhalve.

11. Het voorgaande brengt mee dat de overige grieven geen bespreking behoeven.

12. [appellant] vordert in zijn memorie van grieven onder 4 tot en met 8 diverse verklaringen en bevelen, kennelijk berustend op het uitgangspunt dat het in kracht van gewijsde gaan van het verstekvonnis ertoe leidt dat [geïntimeerde] geen recht had op levering van het pand. De vorderingen stuiten reeds af op de omstandigheid dat het oordeel dat de rechtbank [appellant] in zijn verzet niet-ontvankelijk had moeten verklaren meebrengt dat in de verzetprocedure ingestelde vorderingen niet kunnen worden beoordeeld.

Overigens brengt het kracht van gewijsde van het verstekvonnis, anders dan [appellant] veronderstelt, niet mee dat niet langer tot uitgangspunt dient dat een overeenkomst tussen partijen is gesloten. Immers, in het verstekvonnis heeft de rechtbank [appellant], op grond van de niet weersproken stellingen van [geïntimeerde], veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van het pand aan [geïntimeerde]. Onderdeel van de niet weersproken stellingen in de inleidende dagvaarding is dat partijen tijdens de bespreking van 26 maart 2010 overeenstemming hebben bereikt over de verkoop (en wel onder de voorwaarden als opgenomen in de koopovereenkomst die partijen in concept voor zich hadden, inleidende dagvaarding onder 18 sub d.). Hierop zou ook de in het petitum onder 9 genoemde vordering afstuiten.

13. Nu [appellant] verzuimd heeft het door hem ingestelde verzet te doen inschrijven in het daartoe bestemde register doch het verzet niettemin niet heeft ingetrokken, ziet het hof aanleiding hem, overeenkomstig de vordering van [geïntimeerde], te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door [geïntimeerde] bepleit, af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief.

Voor wat betreft de eerste aanleg geldt dat in de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling een bedrag van € 5.766,74 is begrepen voor de verstekprocedure (het in het verstekvonnis begrote bedrag). Nu de vernietiging van het verstekvonnis ongedaan wordt gemaakt blijft de daarin uitgesproken kostenveroordeling in stand. De kosten van het verzet begroot het hof, anders dan de rechtbank kennelijk heeft gedaan, op € 452,- (tarief II). De inzet van het geding was immers niet zozeer de betaling van de koopsom, maar de daaraan voorafgaande vraag of een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Ook voor de kosten van het hoger beroep zal het hof tarief II hanteren.

14. Aan het verzoek van [geïntimeerde] om in dit arrest de kadastrale gegevens van het pand en de persoonsgegevens van partijen op te nemen is voldaan door vermelding van die gegevens in rov. 3.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de onder zaak/rolnummer 374361/HA ZA 10-3150 tussen partijen gewezen en op 15 september 2010 en 2 februari 2011 uitgesproken vonnissen van de rechtbank

's-Gravenhage, het laatstgenoemde vonnis zoals hersteld op 16 februari 2011, en opnieuw recht doende:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzet tegen het onder zaak-/rolnummer 369927/HA ZA 10-2310 bij verstek tussen partijen gewezen en op 11 augustus 2010 uitgesproken vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van [geïntimeerde] voor wat betreft de procedure in eerste aanleg begroot op € 452,- aan salaris advocaat en voor wat betreft het hoger beroep tot op heden begroot op € 284,- aan verschotten en

€ 1.788,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.H. Tanja-van den Broek, H.J.H. van Meegen en

E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2013 in aanwezigheid van de griffier.