Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ2854

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
01-03-2013
Zaaknummer
BK-12/00311
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. In geschil is of belanghebbende met inachtneming van het bepaalde in art. 10a.3, derde lid, Wet IB 2001 een bedrag van € 89.214 aan extra afschrijvingskosten ten laste van de winst kan brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/557
Belastingadvies 2013/7.8
V-N 2013/21.13 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00311

Uitspraak van 22 januari 2013

in het geding tussen:

[X] B.V., gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rivierenland, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2012, nummer AWB 11/6194, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 278.117. Bij gelijktijdig genomen beschikking is een bedrag van € 3.062 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 466. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 januari 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 tot en met 3 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

”1. Op 30 september 2005 heeft eiseres in het kader van een bedrijfsfusie met [A] BV (de BV) van deze vennootschap onroerende zaken verworven. De onroerende zaken zijn zonder fiscale afrekening over stille reserves ingebracht onder toepassing van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de Wet Vpb).

2. Eiseres heeft in haar aangifte Vpb 2007 een belastbaar bedrag aangegeven van € 188.903. Hierbij heeft zij een beroep gedaan op het overgangsrecht van artikel 10a.3, derde lid, Wet IB 2001. Dit heeft geleid tot extra afschrijvingskosten van € 89.214.

3. Verweerder is bij de aanslagregeling afgeweken van de ingediende aangifte, heeft de afschrijvingskosten onder 2 gecorrigeerd en het belastbare bedrag met € 89.214 verhoogd.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of belanghebbende met in achtneming van het bepaalde in artikel 10a.3, derde lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) een bedrag van € 89.214 aan extra afschrijvingskosten ten laste van de winst kan brengen, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van € 188.903, wijziging van de beschikking heffingsrente in die zin dat de in rekening gebrachte rente wordt verminderd tot nihil, veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten en tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”4. In geschil is of de toepassing van het overgangsrecht van artikel 10a.3, derde lid, Wet IB 2001 terecht door verweerder aan eiseres is ontzegd met betrekking tot de onroerende zaken die eiseres in het kader van de bedrijfsfusie met de BV heeft verworven.

5. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en voert – zakelijk weergegeven – aan dat zij voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 10a.3, derde lid van de Wet IB 2001. Bovendien wordt gesteld dat de beperking van de afschrijving op onroerende zaken relatief zwaar drukt op eiseres en dat de overgangsregeling juist voor die gevallen in het leven is geroepen. Ook is sprake van een dubbele afschrijvingsbeperking indien de overgangsregeling in geval van eiseres niet zou worden toegepast.

6. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.

7. Artikel 10a.3, derde lid, Wet IB 2001 luidt als volgt:

“Met betrekking tot een gebouw dat vóór 1 januari 2007 reeds tot het ondernemingsvermogen of resultaatvermogen van de belastingplichtige behoorde en waarop de belastingplichtige reeds vóór

1 januari 2007 heeft afgeschreven doch nog niet gedurende tenminste drie jaren, vindt artikel 3.30a voor het eerst toepassing met ingang van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin die drie jaren zijn geëindigd.”

8. De memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot invoering van artikel 10a.3 Wet IB 2001 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 572, nr. 3, pagina 45) luidt voorzover van belang als volgt:

“Het derde lid biedt derhalve een tegemoetkoming. Voor die gevallen waarin de belastingplichtige vóór 1 januari 2007 is aangevangen met de afschrijving op het gebouw maar deze nog geen drie boekjaren heeft toegepast, kan op grond van het derde lid toch deze drie boekjaren afschrijving worden vol gemaakt, ook als dit tot gevolg zou hebben dat de boekwaarde onder de bodemwaarde daalt. Na die drie boekjaren – dit is indien het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar uiterlijk in 2009 – is artikel 3.30a ook van toepassing op dit gebouw. In de situatie dat een onderneming fiscaal geruisloos is verkregen (bijvoorbeeld met toepassing van artikel 3.63 Wet inkomstenbelasting 2001) en tot die onderneming een gebouw behoort, neemt de voortzetter de fiscale positie over van de overdrager. Indien de overdrager op 1 januari 2007 nog geen drie jaar afschrijving ‹op de oude voet› heeft toegepast, mag de voortzetter deze periode volmaken. In de praktijk zal de overgangsregeling vrijwel alleen van betekenis zijn voor beleggingsvastgoed gelet op de lagere bodemwaarde voor vastgoed in eigen gebruik.”

9. Nu vaststaat dat eiseres de onroerende zaken heeft verworven in het kader van een bedrijfsfusie met de BV, moet eiseres terzake van deze onroerende zaken fiscaal geacht worden in de plaats te zijn getreden van de BV die deze zaken heeft ingebracht. Dit laatste is inherent aan toepassing van de fiscaal geruisloze bedrijfsfusiefaciliteit. Eiseres dient in dat verband ook door te gaan op de boekwaarden van de onroerende zaken zoals die golden voor de BV op het moment van de fusie. Dit betekent dat eiseres ook voor de toepassing van artikel 10a.3 Wet IB 2001 terzake van de afschrijving op de onroerende zaken wordt geacht in de plaats te zijn getreden van de BV. Omdat vaststaat dat tot 1 januari 2007 eiseres tezamen met de BV meer dan drie jaar heeft afgeschreven over de onroerende zaken, komt aan haar geen beroep toe op toepassing van de overgangsregeling van artikel 10a.3, derde lid, van de Wet Vpb. Het andersluidende standpunt van eiseres, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

10. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, doet niet af aan voormeld oordeel. De rechtbank kan eiseres namelijk niet volgen in haar stelling dat hierdoor sprake zou zijn van een dubbele afschrijvingsbeperking. Tegenover de afschrijving op de boekwaarden ten tijde van de bedrijfsfusie staat namelijk het buiten de belastingheffing laten van de ten gevolge van die fusie gerealiseerde stille reserves. Dit laatste heeft slechts tot gevolg dat eiseres niet kan afschrijven over dat gedeelte van de onroerende zaken waarop reeds door de BV was afgeschreven. De afschrijving die reeds is toegepast door de BV wordt ook niet ongedaan gemaakt in geval eiseres geen beroep kan doen op de overgangsregeling van artikel 10a.3 Wet IB 2001. Derhalve heeft verweerder de afschrijving van € 89.214 terecht gecorrigeerd.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De stellingen die belanghebbende in hoger beroep inneemt zijn geheel gelijkluidend aan die welke zij in beroep heeft aangevoerd. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne. Daarbij merkt het Hof nog op dat de vergelijking die belanghebbende trekt met de situatie waarin binnen de driejaarsperiode als bedoeld in artikel 10a.3, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 onroerende zaken zijn aangeschaft onder aanwending van een herinvesteringsreserve, het Hof niet tot een ander oordeel brengt. Ook van strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals belanghebbende stelt, is geen sprake.

7.2. Het hoger beroep is ongegrond. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, P.J.J. Vonk en J.V. van Noorle Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalac. De beslissing is op 22 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.