Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ0438

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
BK-10-00445 tot en met BK-10-00447
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1461, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Immateriële schadevergoeding door overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/299
V-N 2013/16.5 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0423
NTFR 2014/1800 met annotatie van mr. J.M. van der Vegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

Nummers BK-10/00445 tot en met BK-10/00447

Uitspraak van de meervoudige belastingkamer d.d. 4 januari 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen

de directeur van de Belastingdienst/Holland Midden, de Inspecteur,

en tegen

de Staat, de minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister

op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van na te melden immateriële schadevergoeding.

Procesverloop

1.1. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank

Den Haag van 8 juni 2010, nummers AWB 08/483 IB/PVV, AWB 08/484 IB/PVV en AWB 08/486 IB/PVV, betreffende aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2001, 2002 en 2003.

1.2. Het Hof heeft bij uitspraak van 12 oktober 2011, nummers BK-10/00445 tot en met BK-10/00447 op het hoger beroep beslist. Daarbij heeft het Hof bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en heeft het Hof de Inspecteur en de Minister aangemerkt als partij in die procedure.

1.3. De Inspecteur heeft op 9 november 2011 en de Minister op 29 november 2011 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 20 december 2011 gereageerd.

1.4. De Inspecteur heeft bij brief van 9 januari 2012 en de Minister bij faxbericht van 18 januari 2012 aan het Hof meegedeeld geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling van het verzoek. Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 10 februari 2012 verzocht te berichten of zij prijsstelt op een mondelinge behandeling. Belanghebbende heeft op deze brief niet geantwoord.

1.5. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 december 2012. Beide partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in de procedure met betrekking tot het verzoek het volgende vast:

2.1. Het bezwaarschrift voor het jaar 2001 is ingediend op 15 december 2004, voor het jaar 2002 op 27 december 2005 en voor het jaar 2003 op 9 januari 2007. Op 7 december 2007 is uitspraak op bezwaar gedaan. In de tussentijd heeft de Inspecteur voor het jaar 2001 op 5 januari 2007 en voor het jaar 2002 op 8 januari 2007 een vragenbrief verzonden aan de belanghebbende, heeft op 12 februari 2007 een hoorgesprek plaatsgevonden en is op 23 augustus 2007 het verslag hiervan aan belanghebbende gezonden.

2.2. Het beroepschrift is op 17 januari 2008 ingediend bij de rechtbank. Het verweerschrift is ingediend op 29 mei 2008, waarna belanghebbende op 9 juni 2008 een conclusie van repliek heeft ingediend. De Inspecteur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 25 mei 2010, nadat op verzoek van belanghebbende uitstel is verleend van de zitting van 11 februari 2010. Hierna is op 8 juni 2010 uitspraak gedaan door de rechtbank.

2.3. De beroepschriften in hoger beroep zijn ingekomen op 30 juli 2010, de motivering van het hoger beroep op 25 augustus 2010, de verweerschriften op 13 december 2010 en de conclusies van repliek op 9 februari 2011. De Inspecteur heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een conclusie van dupliek in te dienen. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011.

2.4. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, die na bezwaar is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij het Hof dat op 8 mei 2007, kenmerknummer

BK-04/02818, uitspraak heeft gedaan. In geschil was de belastbaarheid van de vaste kostenvergoeding van de Provinciale Staten, de aftrek van hypotheekrente, namelijk of de geleende som is besteed voor de eigen woning, de toepasbaarheid van de dividendvrijstelling, de aftrek van computerkosten, de aftrek van kosten werkkamer en energiekosten en de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud dochter en moeder. De Hoge Raad heeft bij arrest van 4 september 2009, nr. 07/10.045, het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.5. Voor het jaar 2000 heeft de Inspecteur een aanslag in de inkomstenbelasting premie volksverzekeringen opgelegd die na bezwaar is gehandhaafd. De uitspraak op bezwaar is door de rechtbank op 20 december 2007 vernietigd en de Inspecteur is opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen in verband met schending van de hoorplicht. Het Hof heeft in hoger beroep op 7 juli 2009, kenmerknummer BK-08/00013, beslist. In de uitspraak werden besproken de vaste kostenvergoeding van de Provinciale Staten, de hypotheekrente als hiervoor genoemd, de dividendvrijstelling, de aftrek kosten werkkamer, de aftrek levensonderhoud dochters en moeder, de aftrek advocaatkosten, reiskostenaftrek en is de zaak niet terugverwezen naar de rechtbank omdat beide partijen een inhoudelijke beslissing van het Hof wensten.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 april 2010, nr. 09/3210, het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond verklaard.

Omschrijving verzoek en standpunten

3.1. Het verzoek strekt tot vergoeding van immateriële schade geleden door overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar, beroep en hoger beroep. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarfase de redelijke termijn niet is overschreden dan wel dat sprake is van een niet aan hem toerekenbare of verwijtbare termijnoverschrijding. De Minister stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn in beroep aan de rechtspraak toerekenbaar met acht maanden is overschreden.

3.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt – zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Het is niet aan de schuld van belanghebbende te wijten dat de redelijke termijn is overschreden. De gemachtigde heeft steeds te weinig tijd door drukke werkzaamheden bij aangiftes, aanslagen en bezwaarschriften. Hij heeft zich beroepen op artikel 14, lid 3, onderdel b, BUPO. De gemachtigde wordt in verregaande mate tegengewerkt door de Belastingdienst. De Inspecteur heeft het bezwaar aangehouden zonder instemming van belanghebbende. In de brief van de Minister worden onjuiste gegevens genoemd met onjuiste conclusies tot gevolg. Het Hof heeft aan de Minister geen uitstel verleend voor een reactie. De reactie van de Minister is buiten de termijn ingediend. De door de Minister in zijn reactie gemaakte vergelijking met de jurisprudentie van de Centrale Raad is niet juist.

3.3. De Inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt het volgende – eveneens zakelijk weergegeven – aangevoerd:

In de bezwaarfase is geen sprake van een termijnoverschrijding waarvoor een schadevergoeding zou moeten worden toegekend.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat schade is geleden. Belanghebbende wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde die alle werkzaamheden voor zijn rekening neemt. De gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om schade als gevolg van spanning en frustratie te voorkomen. De reden voor de aanhouding van de bezwaren waren de beroepen van belanghebbende voor de jaren 1999 en 2000. Het Hof heeft voor het jaar 1999 uitspraak gedaan op 8 mei 2007, BK-04/02818. De correcties werkkamer en energiekosten en correctie hypotheekrente zijn gehandhaafd. Op 7 december 2007 zijn de bezwaarschriften dienovereenkomstig afgedaan. Gelet op de repeterende aard van de correcties heeft de procedure voor de latere jaren niet geleid tot spanning en frustratie aan de zijde van belanghebbende.

Een eventuele overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank of het Hof is op geen enkele wijze toe te rekenen of te wijten aan een handelen of nalaten van de Inspecteur.

3.4. De Minister heeft ter ondersteuning van zijn standpunt het volgende aangevoerd:

Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg dient als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank, met inbegrip van de bezwaarfase, niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Analoog aan de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep stelt de Minister dat de procedure in bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Er is dus sprake van een overschrijding van drie jaar en tien maanden. De redelijke termijn is in beroep overschreden met 11 maanden. De aard van de zaak is niet bijzonder zwaarwegend. Om die reden is er geen grond tot verhoging of verlaging. Op verzoek van belanghebbende zelf is de zitting uitgesteld, waardoor de beroepsfase met drie maanden is verlengd. De overschrijding bedraagt uiteindelijk acht maanden. Volgens vaste jurisprudentie dient de overschrijding naar boven te worden afgerond, in totaal twee maal een half jaar. De Minister sluit voor de hoogte van de vergoeding aan bij het forfaitaire bedrag volgens het door de Hoge Raad in de arresten van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN BO5046, LJN BO5080 en LJN BO5087, gegeven forfait.

Conclusies van partijen

4.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade voor de bezwaarfase, beroepsfase en hoger beroepsfase en verzoekt om toekenning van een bedrag van € 13.000 te vermeerderen met € 500 voor elk halfjaar dat vanaf 22 december 2011 is verstreken.

4.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade voor de bezwaarfase.

4.3. De Minister heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000 voor de drie samenhangende procedures in beroep.

Beoordeling van het verzoek

5.1. De Inspecteur heeft van de hem in de uitspraken van 12 oktober 2011 geboden mogelijkheid om binnen vier weken na deze datum een reactie in te dienen gebruik gemaakt. De omstandigheid dat de Minister buiten de hem in de uitspraken van 12 oktober 2011 gegeven termijn van vier weken, op 25 november 2011 een reactie heeft gegeven op het verzoek, bewerkstelligt niet dat deze reactie buiten beschouwing dient te blijven. De omstandigheid dat gemachtigde van belanghebbende, zoals hij ter zitting heeft opgemerkt, door drukke werkzaamheden gehinderd, zich heeft vergist in de voorbereiding van het verzoek komt in beginsel voor zijn rekening. De uitnodiging voor de zitting is op 20 november 2012 verzonden aan het adres van de gemachtigde met daarop de vermelding dat de uitnodiging de procedure van belanghebbende betrof. Aangenomen mag worden dat de gemachtigde belanghebbende terstond in kennis heeft gesteld van de datum van de mondelinge behandeling en dat zij – ongeacht de vergissing van de gemachtigde - was verschenen ter zitting als zij aanwezig had willen zijn. Dat belanghebbende in haar procespositie is geschaad is niet aannemelijk geworden, aangezien haar gemachtigde uitvoerig gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid schriftelijk op de reacties van de Inspecteur en de Minister te reageren en hij tijdens de zitting, zoals uit het proces-verbaal naar voren komt, ruimschoots is ingegaan op de inhoud van het verzoek, zijn eerder ingenomen standpunten heeft herhaald en omstandig heeft toegelicht en ook heeft kunnen antwoorden op hetgeen de Inspecteur heeft gesteld. Desgevraagd heeft de gemachtigde ook niet kunnen adstrueren dat en waarom belanghebbende in haar procesbelang zou zijn geschaad. Onder die omstandigheden is er geen aanleiding de zaak aan te houden voor een nadere mondelinge behandeling.

5.2. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. In zijn arresten van 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN BO5046, LJN BO5080 en LJN BO5087). Anders dan belanghebbende stelt, is de grond voor het toekennen van immateriële schadevergoeding het rechtszekerheidsbeginsel en niet artikel 6 EVRM.

5.3. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN AO9006, BNB 2005/ 337. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Voor de berechting van een zaak door het Hof geldt, behoudens bijzondere omstandigheden, als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien het niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak doet. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding heeft te gelden het door de Hoge Raad gehanteerde tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

5.4. Het bezwaarschrift voor het jaar 2001 is ingediend op 15 december 2004, voor het jaar 2002 op 27 december 2005 en voor het jaar 2003 op 9 januari 2007. Op de genoemde data is voor elk jaar telkens de redelijke termijn aangevangen. De uitspraak op bezwaar voor alle drie de jaren is gevolgd op 7 december 2007. Daarmee is de bezwaarfase geëindigd. In de tussentijd heeft de Inspecteur voor het jaar 2001 op 5 januari 2007 en voor het jaar 2002 op 8 januari 2007 een vragenbrief verzonden aan belanghebbende, heeft op 12 februari 2007 een hoorgesprek plaatsgevonden en is op 23 augustus 2007 het verslag hiervan aan belanghebbende gezonden, waarna belanghebbende heeft gereageerd op het verslag.

5.5. Voor het doen van uitspraak op bezwaar gold tot 1 januari 2008 op grond van artikel 25, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in belastingzaken een termijn van een jaar om op het bezwaarschrift de beslissen. Voorts was geregeld dat de Inspecteur de uitspraak ten hoogste voor een jaar kon verdagen. Voor het jaar 2003 heeft de bezwaarfase niet langer dan de wettelijke termijn van een jaar gevergd. Een overschrijding van de redelijke termijn voor dat jaar is in die fase derhalve niet aan de orde.

5.6. Het Hof zal gelet op de overwegend gezamenlijke behandeling in bezwaar, beroep en hoger beroep, voor de bepaling van de redelijke termijn van de jaren 2001 en 2002 uitgaan van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift. Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift op 15 december 2004 tot de uitspraak van de rechtbank op 8 juni 2010 is vijf jaar en zes maanden verstreken. Derhalve drie jaar en zes maanden langer dan de termijn van twee jaar die als redelijk kan worden beschouwd voor de procedure in bezwaar en beroep tezamen.

5.7. In de bezwaarprocedure heeft de Inspecteur er geen blijk van gegeven dat hij heeft besloten (en heeft ook niet een besluit aan belanghebbende bekendgemaakt) dat de uitspraak op bezwaar voor de jaren 2001 en 2002 met gebruikmaking van de wettelijke mogelijkheid voor een jaar zou worden verlengd. Derhalve had de bezwaarfase voor de jaren 2001 en 2002 redelijkerwijs een jaar mogen duren terwijl zij in feite drie jaar heeft geduurd. Naar de Inspecteur heeft gesteld is gewacht met de voortgang van de bezwaarschriftprocedure voor de jaren 2001, 2002 en 2003 totdat het Hof betreffende het beroep voor het jaar 1999 en de rechtbank voor het jaar 2000 uitspraak hadden gedaan. In dit verband is van belang dat het geschil daar eveneens de aftrek kosten werkkamer, de aftrek energiekosten werkkamer, en lasten woningdeel, de aftrek van rente eigen woning en van uitgaven levensonderhoud verwanten betrof welke punten bij de jaren 2001 tot en met 2003 wederom in geschil waren. De uitspraak van het Hof voor het jaar 1999 is gedaan op 8 mei 2007, BK-04/02818. Gesteld noch gebleken is dat dit afwachten is geschied met instemming van de belanghebbende en ook niet dat het aan belanghebbende is bekendgemaakt. Aan de andere kant is er geen correspondentie van belanghebbende waarin namens haar is verzocht uitspraak te doen op de bezwaarschriften voor de jaren 2001, 2002 en 2003 en ook is zij niet bij de rechtbank in beroep gegaan vanwege fictieve weigering. Ook heeft zij op geen enkele wijze ongenoegen te kennen gegeven over de voortgang van de bezwaarschriftenprocedure. De hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden aan de kant van de Inspecteur en aan de kant van belanghebbende afwegend, acht het Hof het niet redelijk de termijnoverschrijding voor de jaren 2001 en 2002 in bezwaar van twee jaar geheel aan de Inspecteur toe te rekenen. Het Hof rekent deze termijnoverschrijding voor de helft, derhalve een jaar, toe aan de Inspecteur en voor de andere helft, eveneens een jaar aan belanghebbende.

5.8. De beroepschriften zijn op 17 januari 2008 ingediend bij de rechtbank. De verweerschriften zijn ingediend op 29 mei 2008, waarna belanghebbende op 9 juni 2008 een conclusie van repliek heeft ingediend. De Inspecteur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 25 mei 2010, nadat op het verzoek van belanghebbende de zitting van 11 februari 2010 is uitgesteld. Hierna is op 8 juni 2010 uitspraak gedaan door de rechtbank.

Van de overschrijding van de redelijke termijn is een jaar en zes maanden toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. Hiervan komt drie maanden voor rekening van belanghebbende vanwege op haar verzoek verleend uitstel van de zitting. Derhalve komt de overschrijding voor de rechterlijke fase tot het doen van de uitspraak in beroep op een jaar en drie maanden.

5.9. Het hoger beroep is ingediend op 30 juli 2010 en aangevuld op 25 augustus 2010, waarna op 13 december 2010 een verweerschrift is ingediend. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. In de procedure in hoger beroep, heeft het Hof op 12 oktober 2011 op het hoger beroep beslist. Deze procedure heeft geen overschrijding van de redelijke termijn, die op twee jaar is gesteld, te zien gegeven. Belanghebbende stelt dat voor de bepaling van de vergoeding van immateriële schade ook de tijd meetelt die daarna is verstreken totdat het Hof uitspraak heeft gedaan op het verzoek. Dit is evenwel niet juist, aangezien het gaat om vergoeding van de immateriële schade die geleden wordt door de spanning en frustratie die een belanghebbende ondervindt in de procedure met betrekking tot het geschil over de belastingheffing dat hem en de Belastingdienst verdeeld houdt. Met de uitspraak in de hoofdzaak is aan de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie een einde gekomen. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve op het moment waarop die uitspraak is gedaan. De onderhavige procedure met betrekking tot het verzoek mag evenwel op zich niet onredelijk lang duren. In het onderhavige geval is dat niet het geval geweest.

5.10. Het Hof zal bij het toekennen van de schadevergoeding in aanmerking nemen dat de bezwaarprocedure voor het jaar 2003 niet langer dan een jaar heeft geduurd en dat het Hof voor het jaar 1999 op 8 mei 2007, BK-04/02818 uitspraak heeft gedaan welke procedure eveneens betrof aftrek kosten werkkamer, aftrek energiekosten werkkamer, en lasten woningdeel, aftrek rente eigen woning en uitgaven levensonderhoud verwanten De feitelijke omstandigheden waren in de latere jaren na 1999 niet gewijzigd. Belanghebbende zal zich hiervan redelijkerwijs bewust zijn geweest. De spanning en frustratie zullen in de beroepsfase derhalve minder zijn geweest omdat reeds in hoofdzaak duidelijk was wat de uitkomst van de rechtelijke procedure zou zijn. Het Hof merkt op dat de Hoge Raad bij arrest van 4 september 2009, 07/10.045, het beroep in cassatie voor het belastingjaar 1999 ongegrond heeft verklaard (met toepassing van het bepaalde in artikel 81 van de Wet RO). Verder neemt het Hof in aanmerking dat de procedure drie belastingjaren betreft waarbij de geschilpunten onderling in hoofdzaak overeenkomen. De schadevergoeding dient in evenredigheid te staan tot de geleden schade.

Voor de overschrijding van de termijn in bezwaar en beroep voor het jaar 2001 zal gelet op het vorenoverwogene, een schadevergoeding worden toegekend voor een jaar in bezwaar en een jaar in beroep. Voor het belastingjaar 2002 leidt dit tot de conclusie dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep en voor het jaar 2003 in beroep is overschreden en zal geen afzonderlijke schadevergoeding worden toegekend.

5.11. Het Hof zal het vorenstaande in aanmerking nemend, op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de Inspecteur veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en de Minister veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding in de beroepsfase.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende voor de verzoekprocedure gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken met BK-10/00445 tot en met BK-10/00447 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 472 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in die procedure het Hof (1 uitlating en 1 zitting x 0,5 punten à € 472 x 1 (gewicht van de zaak) waarvan de helft door de Inspecteur is te vergoeden en de helft door de Minister.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van het verzoek aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 236;

- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie in de proceskosten van het verzoek aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 236;

- veroordeelt de Inspecteur, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 1.000;

- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 1.000.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 4 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.