Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ0277

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
22-004768-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BT1745, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3083, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Haagse hof veroordeelt waxinelichthoudergooier tot gevangenisstraf

In de zaak van de ‘waxinelichthoudergooier’ heeft het Gerechtshof Den Haag op 1 februari 2013 een man veroordeeld. Het Haagse hof heeft de verdachte in hoger beroep een gevangenisstraf opgelegd van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof acht bewezen dat de man op Prinsjesdag 2010 een waxinelichthouder naar de Gouden Koets heeft gegooid onder het roepen van beledigende woorden aan het adres van de inzittenden. De man heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan belediging van de koningin, de kroonprins en zijn echtgenote en daarnaast de Gouden Koets beschadigd. Dat de man zich daarbij schuldig zou hebben gemaakt aan een poging tot het toebrengen van (zware) mishandeling van lakeien, die naast de koets liepen, of omstanders acht het hof niet bewezen. Daarvan is de verdachte vrijgesproken. Voorts is de verdachte veroordeeld voor het uiten van bedreigingen aan het adres van zijn broer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 111
Wetboek van Strafrecht 112
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 350
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2013/90
EeR 2013, afl. 2, p. 70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004768-11

Parketnummer: 09-650051-10

Datum uitspraak: 1 februari 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 16 maart 2012, 29 maart 2012, 3 juli 2012, 19 september 2012, 13 november 2012 en 18 januari 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 ten laste gelegde vrijgesproken. Voorts is het onder 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen verklaard. De verdachte is ter zake van deze feiten ontslagen van alle rechtsvervolging waarbij de rechtbank plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar heeft gelast. Voorts is ter zake van de in beslag genomen voorwerpen beslist, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk in het openbaar beledigend H.K.H. Beatrix, Koningin der Nederlanden, tijdens de rijtour met de gouden koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van H.K.H. Beatrix, Koningin der Nederlanden, heeft gegooid en/of daarbij "Oplichters" en/of "Profiteurs" en/of "Fascisten" en/of "Dieven" en/of "Nazi's" en/of "Verraders", althans woorden van gelijke aard en/of strekking heeft geroepen

en/of

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk in het openbaar beledigend de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje , tijdens de rijtour met de gouden koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje, heeft gegooid en/of daarbij "Oplichters" en/of "Profiteurs" en/of "Fascisten" en/of "Dieven" en/of "Nazi's" en/of "Verraders", althans woorden van gelijke aard en/of strekking heeft geroepen;

2.

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of (een) (tot op heden) onbekend (gebleven) perso(o)n(en) (te weten de personen die zich in de directe omgeving van de Gouden Koets bevonden), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) (in de richting van en/of rakelings langs voornoemde personen) tegen die (rijdende) gouden koets gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de Gouden Koets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan H.K.H. Beatrix, Koningin der Nederlanden en/of de Staat der Nederlanden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een waxinelichthouder (van 625,9 gram) tegen die Gouden Koets te gooien;

4.

hij op of omstreeks 18 september 2010 te Winterswijk en/of elders in Nederland [E] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk de voicemail van de telefoon van voornoemde [E] ingesproken en hem via die/dat voicemailbericht(en) dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, die [E] in elkaar zou slaan met een honkbalknuppel en/of dat hij, verdachte, het huis van die [E] in brand zou steken en/of dat hij, verdachte, schijt had aan iedereen en niet bang was om het te doen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2013 - naar het hof begrijpt - betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging behoort te worden verklaard nu sprake is van - kort gezegd - provocatie en uitlokking door de justitiële autoriteiten. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat wanneer een onwettige handeling aan de oorsprong ligt van het plegen van de inbreuk, strafvervolging op fundamentele wijze afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces. Dit alles onder meer bezien in het licht van een onredelijk lange duur van het voorarrest.

De verdachte stelt dat sprake is van provocatie wanneer in het hoofd van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen, terwijl hij dit wilde beëindigen, rechtstreeks is ontstaan of versterkt of is bevestigd door de tussenkomst van een politieambtenaar of derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de zich in het dossier bevindende stukken leidt het hof af dat de verdachte de 'uitlokking' bezigt ter zake van het herhaaldelijk onterecht optreden van politie en justitiële autoriteiten ter zake van onder meer een aanhouding ter zake van lokaalhuisvredebreuk en een verdenking van betrokkenheid bij het overlijden van zijn moeder in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten. Ingevolgde de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Teixeira de Castro vs. Portugal is sprake van uitlokking wanneer niets erop wijst dat het misdrijf zonder het optreden van de politie ook zou zijn gepleegd, aldus de verdachte.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Indien en voor zover het betoog van de verdachte ziet op opzettelijke uitlokking in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, is het hof van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat sprake is van uitlokking in de zin van die bepaling of de jurisprudentie daaromtrent.

Voor zover het betoog van de verdachte ziet op justitieel optreden ter zake van feiten die niet zijn ten laste gelegd, valt dit niet binnen het bestek van het vooronderzoek. Ook indien sprake zou zijn van onrechtmatigheden, kunnen deze niet in het kader van de onderhavige strafzaak worden getoetst of gesanctioneerd.

Ter zake van de gestelde provocatie dan wel uitlokking die heeft geleid tot het uitvoeren van de protestactie op Prinsjesdag 2010 overweegt het hof voorts dat naar voren is gekomen dat het door de verdachte aangewezen optreden en handelen door politie en justitie op verschillende momenten door hem als onrechtvaardig en frustrerend is ervaren. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de zich in het dossier bevindende stukken volgt evenwel niet dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ter zake van de ten laste gelegde feiten zodanig hebben gehandeld dat sprake is van enig verzuim van vormen bestaande erin dat ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Tevens heeft de verdachte gesteld te zijn geprovoceerd door onder meer valsheden, leugens en fysieke aanvallen van zijn broer in de periode voorafgaand aan het onder 4 ten laste gelegde. Voor zover de verdachte hiermee heeft bedoeld te stellen dat dit behoort te leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, vindt dit geen steun in het recht. Het vermeende (onrechtvaardig) handelen van een burger kan in een geval als het onderhavige niet aan de opsporings- en vervolgingsautoriteiten worden toegerekend.

Vrijspraak

De verdachte heeft zowel in het vooronderzoek als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep van aanvang af ten stelligste ontkend dat hij de bedoeling had om persoonlijk letsel aan een of meer lakeien of omstanders toe te brengen. De verdachte heeft ter zake van feit 2 - overeenkomstig de overgelegde pleitaantekening van zijn raadsman - bepleit dat geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin.

Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde stelt het hof op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 21 september 2010, Prinsjesdag, heeft de Gouden Koets de route van Paleis Noordeinde naar het Binnenhof in Den Haag afgelegd. Aan de rechter voorzijde en aan de rechter achterzijde van de Gouden Koets liepen in totaal 4 mannen. Ter hoogte van het rechter voorwiel liep lakei [A], ter hoogte van het rechter achterwiel lakei [C] (derde lakei). De afstand tussen deze lakeien bedroeg 1,50 tot 1,80 meter. Op de hoek van de Heulstraat en het Noordeinde zag lakei [C] een glazen voorwerp door de lucht vliegen in de richting van de Gouden Koets. Het voorwerp sloeg tegen de koets aan. Het voorwerp kaatste tegen de grond en schoot onder de koets door. Er werd volgens afspraak gewoon doorgelopen.

Op 21 september 2010 is de verdachte met de trein naar Den Haag gereisd. Aldaar aangekomen heeft hij een geschikte plek gezocht om zijn actie uit te voeren. Hij stond ongeveer twee à drie meter achter het dranghek. De afstand tussen het hek en de Gouden Koets bedroeg ongeveer twee meter. De verdachte had de ruimte om te gooien. Op het moment dat de koets van links naderde heeft de verdachte een waxinelichthouder gepakt. Hij stond op een hoek en bewoog mee met de koets. Hij gooide op het moment dat de koets recht voor hem was. Naar eigen zeggen gooide hij op het moment dat hij de Gouden Koets het beste kon raken. Hij gooide bovenhands en had een vrije worp. De worp was niet zacht en niet hard. Op de zich in het procesdossier bevindende beelden valt waar te nemen dat de waxinelichthouder een boog beschrijft en vervolgens de deur van de Gouden Koets raakt. De verdachte heeft verklaard dat hij niet de bedoeling had om de lakeien te raken maar uitsluitend de koets. Ook heeft hij verklaard dat hij tussen de lakeien door heeft gegooid.

De waxinelichthouder is 11 centimeter lang en op het breedste punt 9 centimeter breed.

Op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert het hof dat de verdachte bewust en overwogen in Den Haag een plaats heeft uitgekozen langs de route die de Gouden Koets zou afleggen. Op het moment dat de Gouden Koets tijdens de rijtoer recht vóór de verdachte was, heeft de verdachte de waxinelichthouder bewust en gericht naar de koets gegooid. Op het moment dat de verdachte de waxinelichthouder - die mede gelet op het gewicht handzame afmetingen had - gooide, reed de Gouden Koets stapvoets en was er sprake van een duidelijke afstand tussen de lakeien. Bovendien was de afstand tussen de verdachte en de koets zodanig dat de verdachte redelijkerwijs kon aannemen dat het beoogde doel zou worden geraakt.

Aldus is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans - laat staan van een kans die door de verdachte welbewust is aanvaard - dat lakei [C] ofwel lakei [A] door het gooien van de waxinelichthouder zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Dat geldt eens te meer voor de lakeien die aan de andere zijde van de Gouden Koets liepen en ook voor de in de buurt van de verdachte aanwezige omstanders. Derhalve is naar het oordeel van het hof geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op zware mishandeling en is het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk in het openbaar beledigend H.M. Beatrix, Koningin der Nederlanden, tijdens de rijtour met de Gouden Koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van H.M. Beatrix, Koningin der Nederlanden, heeft gegooid en daarbij "Oplichters" en "Dieven" en "Nazi's" en "Verraders" heeft geroepen

en

hij op 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk in het openbaar beledigend de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje-Nassau, tijdens de rijtour met de Gouden Koets ter gelegenheid van Prinsjesdag, een glazen waxinelichthouder (van 625,9 gram) in de richting van de vermoedelijk opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje-Nassau, heeft gegooid en daarbij "Oplichters" en "Dieven" en "Nazi's" en "Verraders", heeft geroepen;

3.

hij op 21 september 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de Gouden Koets, toebehorende aan H.M. Beatrix, Koningin der Nederlanden en/of de Staat der Nederlanden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een waxinelichthouder van 625,9 gram tegen die Gouden Koets te gooien;

4.

hij omstreeks 18 september 2010 te Winterswijk en/of elders in Nederland [E] heeft bedreigd met zware mishandeling en met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk de voicemail van de telefoon van voornoemde [E] ingesproken en hem via die/dat voicemailberichten dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, die [E] in elkaar zou slaan met een honkbalknuppel en dat hij, verdachte, het huis van die [E] in brand zou steken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdachte - overeenkomstig de pleitaantekeningen van zijn raadsman - betoogd dat zijn handelen niet was gericht tegen de inzittenden van de Gouden Koets en dat geen sprake is van minachting jegens de inzittenden van de Gouden Koets of aantasting van hun eer en goede naam. Ook kan de combinatie van de woorden en het gooien van de waxinelichthouder niet als belediging worden aangemerkt. Voorts heeft de verdachte - naar het hof begrijpt - betoogd dat hij reeds op 14 april 2010 een aanklacht tegen de inzittenden van de Gouden Koets heeft ingediend en in dat licht zijn uitlatingen op 21 september 2010 feitelijk juist zijn. Derhalve zijn deze niet beledigend maar enkel 'confronterende kritiek', aldus de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande dat de verdachte heeft verklaard dat hij 'confronterende kritiek' uitte en dat in zijn visie - kort gezegd - de inzittenden van de Gouden Koets rechtens geen aanspraken kunnen maken op de troon.

Het hof verwerpt dit standpunt. De verdachte heeft luid geroepen de woorden: "oplichters", "dieven", "Nazi's" en "verraders". De op deze manier door de verdachte gebezigde woorden hebben een onmiskenbaar beledigend karakter, dat niet wordt weggenomen door de door de namens de verdachte genoemde omstandigheden. Het op deze manier uiten van deze woorden - te meer in combinatie met het gooien van een voorwerp tegen de koets - kan niet anders worden begrepen en uitgelegd dan als een opzettelijke belediging. Het hof leidt uit het gooien van de waxinelichthouder tegen de Gouden Koets af, dat deze woorden gericht waren tegen de inzittenden van de Gouden Koets.

Ter zake van het onder 4 ten laste gelegde is - overeenkomstig bovengenoemde pleitaantekeningen - aangevoerd dat de verdachte de woorden enkel in overdrachtelijke zin heeft gebezigd en dat bij de aangever niet de reële vrees heeft kunnen bestaan dat de verdachte de geuite bedreigingen ook daadwerkelijk zou uitvoeren.

Het hof overweegt ter zake dat zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat de relatie tussen de verdachte en zijn broer - samengevat - ernstig was verslechterd vanwege het overlijden van hun beider moeder en de - achteraf onterechte - verdenking dat de verdachte hierbij enige betrokkenheid zou hebben. De aard van de bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, heeft bij de aangever in redelijkheid de vrees kunnen doen ontstaan dat de misdrijven waarmee de verdachte dreigde ook daadwerkelijk zouden worden gepleegd. Het enkele feit dat de aangever in een horecagelegenheid zich in de buurt van de verdachte heeft opgehouden, doet hier niet aan af.

Getuigenverzoeken

Op de terechtzittingen van 19 september 2012 en 13 november 2012 heeft de verdachte verzoeken gedaan tot het horen van getuigen. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2013 een 'slotpleidooi' overgelegd waarin vijfentwintig namen zijn genoemd van personen die hij als getuigen wenst te horen. De personen die op de eerstgenoemde zittingen als getuigen zijn gevraagd, zijn allen vermeld in het 'slotpleidooi' van 18 januari 2013. Bij het bespreken van de verzoeken zal het hof daarom de volgorde van dit 'slotpleidooi' als uitgangspunt nemen en daarbij betrekken - voor zover gegeven - de onderbouwing van de verzoeken zoals deze is gegeven op de terechtzittingen van 19 september 2012, 13 november 2012 en 18 januari 2012.

Ter zake van de onder 6 tot en met 16, 18, 21, 22, 23 en 24 genoemde getuigen, overweegt het hof dat blijkens de gegeven toelichting deze getuigen zouden moeten verklaren over feiten en/of omstandigheden die niet in rechtstreeks verband staan met de aan de verdachte ten laste gelegde feiten dan wel met de persoon van de verdachte. De verklaringen van deze personen zijn dan ook niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissing in de onderhavige zaak. Het hof wijst het verzoek met betrekking tot deze getuigen dan ook als niet noodzakelijk af.

Voor zover de verdachte heeft bedoeld de onder 11, 12, 15, 16, 18, 21, 23 en 24 genoemde personen als deskundige te horen, is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd op welk (vak)gebied zij deskundig zijn of dat de gestelde expertise van belang is voor enige door het hof te nemen beslissing in de onderhavige zaak. Derhalve wordt het verzoek ook in zoverre - bij gebreke van een daartoe gebleken noodzaak - afgewezen.

De verdachte heeft voorts verzocht om de inzittenden van de Gouden Koets als getuigen te horen, alsmede mr. Knol, advocaat-generaal. Het hof wijst het verzoek ter zake van deze (onder 1, 2, 3 en 25 vermelde) personen af nu het hof dit in het licht van de gegeven motivering en ook overigens, niet noodzakelijk acht.

De getuigen die onder nummers 4 en 5 in het 'slotpleidooi' zijn vermeld, zijn reeds in een eerder stadium door de rechter-commissaris respectievelijk de raadsheer-commissaris als getuige in de onderhavige zaak gehoord. Mede gelet op de motivering van de hernieuwde verzoeken is de noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen niet gebleken. Het hof wijst het verzoek met betrekking tot deze getuigen dan ook af.

Voorts heeft de verdachte bij slotpleidooi verzocht om de onder 17, 19 en 20 vermelde personen te horen. Deze personen waren - blijkens de mededeling van de verdachte - ter terechtzitting van 18 januari 2013 aanwezig. Ten aanzien van deze personen geldt derhalve het zogenaamde verdedigingscriterium. De verdachte heeft aangevoerd dat hij deze personen wenst te horen ter onderbouwing van zijn standpunt betreffende de strafbaarheid, in het bijzonder ter zake van de door deskundigen gestelde waanstoornis. In het licht van deze onderbouwing is het hof - gelet op de hierna gegeven overwegingen en beslissing ter zake van de strafbaarheid van de verdachte - van oordeel dat de verdachte geen belang heeft bij het horen van deze personen als getuige dan wel - voor zover zij als zodanig zouden kunnen worden aangemerkt - als deskundige. Gelet op het voorgaande valt redelijkerwijs aan te nemen dat de verdachte door het achterwege blijven van het horen van deze personen niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof wijst daarom het verzoek af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Overmacht

Indien en voor zover de verdachte heeft bedoeld een beroep te doen op overmacht, bestaande hierin dat hij door de door hem ervaren tegenwerking en het onterechte handelen van anderen, zich genoodzaakt voelde om op 21 september 2010 te handelen zoals bewezen verklaard, overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof zijn de door de verdachte gestelde feiten en omstandigheden niet van een zodanig buitengewoon of uitzonderlijk karakter dat niet in redelijkheid van de verdachte gevergd kon worden om anders te handelen dan hij heeft gedaan. Niet is aannemelijk geworden dat de verdachte naar objectieve maatstaven is geconfronteerd met een conflict van belangen waarin het maken van de keuze om strafrechtelijk normen te schenden acuut en onontkoombaar was. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verdachte is geconfronteerd met een van buiten komende dwang waartegen weerstand redelijkerwijs niet kon worden gevergd.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Artikel 10 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM)

Ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft de verdachte onder verwijzing naar artikel 10 EVRM zich op het standpunt gesteld dat zijn handelen moet worden beschouwd als het uiten van een mening waarmee wordt deelgenomen aan het publieke debat. Het gooien van een waxinelichthouder moet als 'symbolic speech' worden uitgelegd, waaraan in lijn met jurisprudentie van het EHRM bescherming toekomt op grond van genoemde bepaling. Uit de actie hoeft op zichzelf niet kenbaar te zijn aan welke discussie wordt deelgenomen; die hoeft enkel uit te context te volgen.

Het hof overweegt dienaangaande dat artikel 10 EVRM een ieder in beginsel het recht heeft in vrijheid uiting te geven aan zijn of haar opvattingen. Op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM is echter een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting toegestaan, indien bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving. De onderhavige vervolging van verdachte is - voor zover hier van belang - gegrond op de artikelen 111, 112 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en derhalve bij wet voorzien. Uit artikel 10, tweede lid, EVRM volgt dat onder andere beperkingen die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van het voorkomen van strafbare feiten en van de bescherming van de goede naam van anderen zijn toegestaan.

De uitingen van de verdachte op 21 september 2010 bestaan enkel uit beledigingen aan het adres van de inzittenden van de Gouden Koets in combinatie met het gooien van een waxinelichthouder naar de Gouden Koets. Naar het oordeel van het hof kunnen deze uitlatingen en deze handeling redelijkerwijs niet worden beschouwd als een bijdrage aan het publieke debat. Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat door de handelwijze van de verdachte een inbreuk op zijn recht op vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is, nu deze noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen en ter voorkoming van strafbare feiten. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit. Het hof stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Eendaadse samenloop van

opzettelijke belediging van de Koning

en

opzettelijke belediging van de vermoedelijke opvolger van de Koning

en

opzettelijke belediging van de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning.

3.

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

4.

Bedreiging met zware mishandeling.

en

bedreiging met brandstichting.

Strafbaarheid van de verdachte

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd dat het bewezen verklaarde wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte niet aan hem kan worden toegerekend, zodat hij niet strafbaar is en behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat er door verschillende deskundigen rapporten zijn opgemaakt. De conclusies van de onderzoeken door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, GZ-psycholoog drs. F.G. Schilder en psychiater J.J.F.M. de Man luiden - samengevat - dat de verdachte lijdende was aan een waanstoornis, ook ten tijde van het ten laste gelegde, en dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De deskundige dr. A. Bakker komt na zijn onderzoek niet tot de conclusie dat sprake is van een waanstoornis of volledig ontoerekeningsvatbaarheid. De deskundige I. Schilperoord, psycholoog bij het Pieter Baan Centrum en de deskundige Bakker hebben ter terechtzitting in hoger beroep hun conclusies toegelicht. De advocaat-generaal is van mening dat aan het rapport van psychiater Bakker en de ter zitting gegeven toelichting hierop minder gewicht moet worden toegekend dan aan de rapportages van de andere deskundigen, nu het Pieter Baan Centrum uitvoeriger onderzoek heeft gedaan dan de deskundige Bakker en bovendien de deskundigen De Man en Schilder tot gelijkluidende conclusies zijn gekomen.

De verdachte heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - geen sprake is van enig ziekelijke stoornis en dat hij volledig toerekeningsvatbaar is. Overeenkomstig de door de verdachte overgelegde pleitaantekeningen van mr. Menick is betoogd dat de rapportages van deskundigen De Man en Schilder niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en niet mogen meewegen in de beoordeling.

Ter zake van het betoog omtrent de zorgvuldigheid van de rapportages van de deskundigen Schilder, psycholoog en De Man, psychiater, overweegt het hof het volgende.

De deskundige Schilder heeft in de rapportage aangegeven dat er een 5 tot 10 minuten durend contact is geweest met de verdachte. De onderzoekbaarheid van de verdachte moet als onvolledig worden beschouwd, maar de rapporteur meent op grond van dit contact met behulp van de overige beschikbare informatie tot conclusies te kunnen komen.

Ook de deskundige De Man heeft in zijn rapportage tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek beperkingen heeft gekend door de gebrekkige coöperativiteit van de verdachte. Als gevolg hiervan dienen slagen om de arm te worden gehouden, maar dit geldt niet zozeer voor de klinische samenhang van stoornis en delict.

De beide deskundigen zijn tot hun conclusies gekomen met de kanttekening dat zij deze hebben getrokken naar aanleiding van een onderzoek dat niet in alle facetten optimaal is geweest. Nu zij dit hebben onderkend en zich hiervan rekenschap hebben gegeven en uitdrukkelijk hebben aangegeven zich in staat hebben gevoeld om tot conclusies te komen, ziet het hof geen reden om deze rapporten als onzorgvuldig ter zijde te schuiven.

Het hof overweegt ter zake van de strafbaarheid van de verdachte het volgende.

Gedurende het onderhavige strafproces zijn in verschillende fasen door deskundigen rapporten opgemaakt ter zake van de psychische gesteldheid van de verdachte.

In de eerste plaats hebben de deskundigen De Man en Schilder op respectievelijk 9 maart 2011 en 2 maart 2011 rapport uitgebracht. De conclusie van beide rapporten was - samengevat - dat de verdachte lijdende is aan een waanstoornis en dat de verdachte moet worden beschouwd als (volledig) ontoerekeningsvatbaar ter zake van het ten laste gelegde. Beide deskundigen hebben hun bevindingen ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 maart 2011 toegelicht.

Voorts is na een observatieperiode van vier weken in het Pieter Baan Centrum door de deskundige Schilperoord op 30 juni 2011 rapport uitgebracht. De deskundige heeft - onder vermelding van het feit dat de verdachte heeft medewerking aan het onderzoek geweigerd en dat er niet gesproken kan worden van een volledig onderzoek - geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan waanstoornis en dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Ook is deskundige L.J.M. van Seggelen, psychiater, benoemd teneinde onderzoek te verrichten. Hij heeft op 21 juni 2011 rapport uitgebracht en daarin tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek ernstige beperkingen heeft gekend en dat hij dientengevolge niet is gekomen tot diagnostiek of diagnostische overwegingen. Wel heeft hij opmerkingen en overwegingen gemaakt aan de hand van de beschikbare dossiergegevens. Ook deze deskundigen hebben hun rapportages ter terechtzitting in hoger beroep respectievelijk eerste aanleg, toegelicht.

Voorts hebben op verzoek van de verdediging twee deskundigen rapport uitgebracht.

In de eerste plaats heeft E.H. Ameling, psycholoog, op 29 augustus 2011 zijn beschouwing gegeven over de eerder uitgebrachte rapportages in relatie tot het strafdossier. Ook heeft hij in het bijzijn van de toenmalige raadsvrouw van de verdachte een gesprek gevoerd met de verdachte. Samengevat zijn de conclusies van psycholoog Ameling dat de verdachte nauwelijks onderzoekbaar was voor de deskundigen en dat in dit licht bezien ten aanzien van de diagnostische conclusies en adviezen geen of onvoldoende terughoudendheid is betracht. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 september 2011 heeft de rechtbank Ameling als deskundige aangemerkt en in die hoedanigheid heeft hij zijn conclusies toegelicht en desgevraagd verklaard dat hij van oordeel is dat de verdachte in beslag wordt genomen door zijn denkbeelden. Voorts heeft hij verklaard - kort gezegd - dat er is geen zekerheid over de vraag of sprake is van een psychose (waanstoornis), zodat ook geen conclusie mogelijk is omtrent de toerekeningsvatbaarheid.

Voorts heeft de deskundige Bakker op 20 juni 2012 rapport uitgebracht naar aanleiding van zijn onderzoek, waaraan de verdachte medewerking heeft verleend. De deskundige Bakker komt tot de conclusie dat er sprake zou kunnen zijn van een psychiatrische ziekte en/of persoonlijkheidsstoornis, maar dat onvoldoende informatie beschikbaar is om te concluderen tot een specifieke aandoening. Ook indien sprake zou zijn van een stoornis ten tijde van het ten laste gelegde, lijkt het volgens hem onwaarschijnlijk dat de verdachte enkel en alleen op grond van die stoornis heeft gehandeld nu hij juist zeer berekenend te werk is gegaan. De deskundige heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn conclusies nader toegelicht.

Op grond van de inhoud van de rapportages en toelichtingen van bovengenoemde deskundigen en de eigen indrukken van het hof ter terechtzitting komt het hof tot de hiernavolgende overwegingen. Het hof acht aannemelijk dat sprake is van psychische problematiek bij de verdachte die ook ten tijde van het ten laste gelegde een rol heeft gespeeld. De deskundigen De Man, Schilder en Schilperoord zijn tot de conclusie gekomen dat de verdachte lijdende is aan - kort gezegd - een waanstoornis die zodanig ernstig is dat hem het ten laste gelegde, indien bewezen, in het geheel niet kan worden toegerekend. Deze verstrekkende conclusies worden niet door de andere deskundigen onderschreven en zelfs betwist, althans nadrukkelijk in twijfel getrokken.

De verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde wist dat hij door zijn handelwijze de wet overtrad en dat hij, na afweging van de voor- en nadelen van zijn voorgenomen daad, de bewuste keuze heeft gemaakt om te handelen zoals is bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is in onvoldoende mate naar voren gekomen dat verdachtes psychische problematiek zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig heeft beïnvloed dat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.

De hierboven genoemde conclusies van de deskundigen De Man, Schilder en Schilperoord acht het hof - zeker in het licht van het feit dat de verdachte geen medewerking aan die onderzoeken heeft verleend en dat dienaangaande contra-indicaties bestaan - onvoldoende overtuigend. Het hof zal deze dan ook niet overnemen.

Het hof ziet in het voorgaande dan ook onvoldoende reden om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten. Wel acht het hof aannemelijk dat het bewezen verklaarde aan de verdachte als gevolg van zijn psychische problemen in verminderde mate kan worden toegerekend.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. De advocaat-generaal heeft ter zake gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar zal worden gelast. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof op het moment van het wijzen van arrest de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

Strafmotivering

Aan de voorwaarden ter zake van de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel is, gelet op de toerekenbaarheid aan verdachte van het bewezen verklaarde, niet voldaan. Het opleggen van deze maatregel is dan ook niet aan de orde.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op Prinsjesdag 2010 tijdens de rijtoer een glazen waxinelichthouder gegooid naar de Gouden Koets en daarbij beledigende woorden geroepen. Hij heeft zich dusdoende schuldig gemaakt aan belediging van de koningin, de kroonprins en zijn echtgenote en daarbij de Gouden Koets beschadigd. Door tijdens een publiek optreden de genoemde leden van het Koninklijk Huis op deze wijze te bejegenen heeft de verdachte hun waardigheid aangetast. Dit klemt met name vanwege de staatsrechtelijke positie van deze personen en de verwevenheid met het staatsbelang.

De verdachte heeft geen blijk gegeven de ernst van zijn handelen in te zien. De door verdachte begane feiten hebben gevoelens van angst en onrust in de samenleving veroorzaakt. Dit zijn dan ook ernstige feiten.

Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan bedreigingen in de richting van zijn broer en hem aldus angst aangejaagd.

In strafmatigende zin houdt het hof rekening met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Hoewel het hof van oordeel is dat tevens een voorwaardelijke straf passend is, ziet het hof hiervan af gelet op het feit dat de verdachte reeds aanzienlijk langer in voorarrest heeft doorgebracht dan de duur van de op te leggen straf.

Nu aan de verdachte niet de gevorderde maatregel zal worden opgelegd, ziet het hof geen reden om de gevangenneming van de verdachte te bevelen.

Beslag

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee waxinelichthouders, behoren aan de veroordeelde toe. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2012 over deze twee waxinelichthouders verklaard dat hij deze twee houders had meegenomen als reserve. Hij zou deze kunnen gebruiken als de actie met de eerste waxinelichthouder mis zou gaan. Aldus is het hof van oordeel dat deze voorwerpen tot het begaan van het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde zijn bestemd. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen de artikelen 24, 33, 33a, 55, 57, 111, 112, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2 waxinelichthouders.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. Chr.A. Baardman, en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 februari 2013.