Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BY9734

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
22-001707-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader(s) schuldig gemaakt aan diefstal van twee jassen uit een auto.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001707-12

Parketnummers: 09-901189-11 en 09-900567-11 (TUL)

Datum uitspraak: 22 januari 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2012 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 januari 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedings-maatregel opgelegd als vermeld in het vonnis. Tevens is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke veroordeling als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 26 december 2011 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, aan de Eekhoornrade, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een een ruit (van een deur) van de DA drogist en/of twee, althans een of meer (ruiten van) (personen)auto (Daewoo Matiz), welk geweld bestond uit het gooien van een of meer (stoep)tegel(s) door/tegen de ruit van de DA drogist en/of door/tegen die autoruit van voornoemde (personen)auto;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 december 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een deur) van de DA drogist en/of twee, althans een of meer (ruit(en) van) een personenauto (Daewoo Matiz), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een of meer stoeptegels door de ruit(en) van de deur van voornoemde DA drogist en/of voornoemde (personen)auto te gooien;

2:

hij op of omstreeks 26 december 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in/uit een (personen)auto (Honda Prelude) heeft weggenomen, een jas in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3]/Securitas beveiliging, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door een (stoep)tegel door de/een ruit van die auto te gooien.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof acht bewezen dat verdachte zich ten tijde van de tenlastegelegde feiten op de plaats delict bevond en nadien met anderen is weggerend.

Echter, anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de verdachte handelingen of gedragingen heeft verricht die beschouwd kunnen worden als een significante bijdrage aan het openlijke geweld dat op 26 december 2011 plaatsvond bij de drogist aan de Eekhoornrade te Den Haag en de in de nabijheid van die drogist geparkeerde Daewoo Matiz. Derhalve dient de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Ook van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde vernieling door het gooien van (stoep)tegels dient verdachte te worden vrijge-sproken. Niet is komen vast te staan dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij het gooien van de tegels en dat daarbij sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en andere personen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 december 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening tezamen en in vereniging met een ander of anderen, uit een (personen)auto (Honda Prelude) heeft weggenomen, een jas toebehorende aan [benadeelde partij 3]/Securitas beveiliging, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de verdachte bepleit ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, wegens het ontbreken van voldoende overtuigend bewijs dat de verdachte dat feit heeft begaan.

Het hof overweegt als volgt en gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals daarvan blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven -:

Uit de aangifte van [benadeelde partij 3] blijkt dat er op 26 december 2011 een jas van Securitas beveiliging is weggenomen uit een rode Honda Prelude voorzien van het kenteken [kentekennummer] aan de Eenhoornrade ter hoogte van nummer 244 te Den Haag (blz 164-165 van ambtsedig proces-verbaal PL1532 2011271485, dat is opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren).

De getuige [getuige] (idem blz 138-139) heeft op 27 december 2011 bij de politie verklaard dat hij in de nacht van 25 op 26 december 2011 drie harde knallen hoorde en dat hij vier jongens op de Eekhoornrade zag staan, vermoedelijk van Marokkaanse afkomst. Twee van de vier jongens droegen een donkere broek en twee een lichtere broek. De getuige zag dat er stenen werden gegooid in de richting van de deur van de DA-drogist en dat de jongens daarna wegrenden in de richting van het wijkcentrum waarna ze linksaf de Bouwlustlaan te Den Haag oprenden.

Na een melding van de centrale meldkamer Haaglanden dat er mogelijk zou worden ingebroken in de DA-drogist Van het Hof gevestigd op de Stede te Den Haag, zijn de verbalisanten ter plaatse gaan kijken.

Op het Oord met het Zonneoord zag verbalisant [verdachte] een persoon uit een binnentuin komen en over straat zwalken. Hij identificeerde zich als verdachte (idem blz 30-32).

De verdachte droeg ten tijde van de aanhouding geen jas, terwijl het maar ongeveer 5 graden Celsius was met een vrij harde koele wind.

Echter kort voor de aanhouding was door verbalisant [verbalisant] gezien dat drie jonge Marokkaanse mannen een donkere jas aanhadden en renden op het Oord in de naastgelegen openbaar toegankelijke binnentuin (idem blz 31).

Op de plaats van aanhouding werd een donkerblauwe/zwarte, jas, merk Zara, aangetroffen welke dezelfde parfumlucht had als die verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding. De mouwen van deze jas hingen niet los, maar waren ingetrokken alsof de jas ineens was uitgedaan.

Deze jas was geheel droog, wat erop duidde dat de jas nog niet lang op de bosschages lag (idem blz 94, 126).

Door verbalisanten zijn beelden uitgekeken van de camera welke is opgesteld op de Bouwlustlaan ter hoogte van

Het Oord te Den Haag en hebben het volgende gerelateerd (idem blz 136-137):

Op de camerabeelden van positie 02 is te zien dat er twee personen te zien zijn vanaf 04.56:17:31. Er is te zien dat er één persoon gekleed is in donkere kleding met een wit t-shirt, een tasje die om de schouders gedragen wordt en een mobiele telefoon in de hand. Deze persoon blijkt dat later aangehouden verdachte te zijn.

Op 26 december 2011 te 05:55:40.55, derhalve bijna een uur later, komt een persoon met een witgekleurd shirt/hemd onder een donkergekleurde jas/jack met een mobiele telefoon in de hand in beeld. Deze persoon komt qua signalement overeen met de later aangehouden verdachte.

Op 26 december 2011 te 05.55:49:11 uur is te zien dat een viertal personen, komend vanuit de richting Eekhoornrade, rennend de Bouwlustlaan overstaken in de richting van het Oord/Zonneoord.

Op de beelden is te zien dat de verdachte onder de jas over zijn witte blouse een zwarte schoudertas draagt, welke in zijn fouillering zat (idem blz 150).

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend die ochtend in de bedoelde omgeving geweest te zijn en een donkere broek, een witte blouse en een zwarte schoudertas gedragen te hebben. Verdachte heeft tevens erkend geruime tijd (in ieder geval ongeveer een uur) met een vriend buiten op straat te zijn geweest.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte in de periode tussen 4.56 uur en 5.55 uur zonder jas buiten op straat heeft rondgelopen gelet op de camerabeelden en de heersende weersomstandigheden. Het hof acht op grond van het voorhanden bewijs, bezien in onderling verband en samenhang, bewezen dat verdachte die ochtend een donkere jas droeg.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof voorts af dat het de aangetroffen jas is die door verdachte is gedragen tot onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanhouding.

Uit onderzoek is voorts komen vast te staan dat de jassen van Securitas, welke werden aangetroffen in de binnentuinen van het Oord/Zonneoord/Sterren-oord/Hengelolaan de jassen van de aangever [benadeelde partij 3] waren (idem blz 94 en 167-168). Voornoemde jassen werden samen met de jas van de verdachte, in de directe omgeving van de medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen (pv relaas, blz 13).

Het hof leidt uit al het voorgaande af dat de door verdachte gedragen jas en de jassen van Securitas tegelijkertijd en zeer kort voor zijn aanhouding door verdachte achtergelaten zijn. Het aanwezig zijn op de plaats delict (zie de eerdergenoemde verklaring van de getuige Innocente), het wegrennen van de plaats delict met (een) mededader(s) en het achterlaten van de gestolen jassen om ontdekking van die jassen te voorkomen levert een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met die mededader(s) op om medeplegen aan te kunnen nemen.

Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof derhalve van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich samen met zijn mededader(s) aan de ten laste gelegde diefstal heeft schuldig gemaakt.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten verrichten van een nader onderzoek door een psychiater en/of een psycholoog naar de persoon van de verdachte indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen.

Het hof acht de noodzaak daartoe niet gebleken aangezien het hof zich op basis van het dossier voldoende voorgelicht acht.

Het hof wijst het verzoek derhalve af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader(s) schuldig gemaakt aan diefstal van twee jassen uit een auto.

Dit is een feit dat doorgaans naast financiële schade voor de benadeelde onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 december 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 716,83.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 716,83.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 12 juli 2011 onder parketnummer 09-900567-11 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Dit brengt mee dat in beginsel de vordering voor toewijzing vatbaar is en dit, gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit, ook geboden is.

Gelet echter op de op te leggen straf, alsmede op de omstandigheid dat de verdachte reeds twee maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is het hof van oordeel dat dat de duur van de voorlopige hechtenis de duur van de op te leggen straf zozeer overschrijdt dat thans geen termen meer aanwezig zijn voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te 's-Gravenhage van 29 december 2011, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 12 juli 2011, parketnummer 09-900567-11, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

Dit arrest is gewezen door

mr. N. Schaar, mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. M.F.L.M. van der Grinten,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 januari 2013.

Mr. M.F.L.M. van der Grinten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.