Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BY9710

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
22-005597-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof, op de wijze zoals is bewezenverklaard.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005597-11

Parketnummer: 10-741263-11

Datum uitspraak: 25 januari 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 21 december 2012 en 11 januari 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij], toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-- en is de verdachte veroordeeld om een bedrag van € 750,-- te betalen aan de benadeelde partij. Tevens is aan de verdachte de schadevergoedings-maatregel ten behoeve van het slachtoffer opgelegd tot een bedrag van € 750,--, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 09 juli 2011 te Rotterdam, op/of aan de openbare weg, te weten het Weena, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (hand)tas (inhoudende: een verblijfsvergunning en/of (een) ring(en) en/of een ketting en/of een bankpas en/of 35.000 euro, althans enig geldbedrag), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (met kracht) rukken en/of trekken aan die (hand)tas (waardoor die [benadeelde partij] ten val kwam);

subsidiair:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 09 juli 2011 te Rotterdam, op/of aan de openbare weg, te weten het Weena, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (hand)tas (inhoudende: een verblijfsvergunning en/of (een) ring(en) en/of een ketting en/of een bankpas en/of 35.000 euro, althans enig geldbedrag), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of aan die [medeverdachte 1], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (met kracht) rukken en/of trekken aan die (hand)tas (waardoor die [benadeelde partij] ten val kwam), tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 09 juli 2011 te Rotterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- die [benadeelde partij] in het Holland Casino gelegen aan het

Weena te observeren en/of in de gaten te houden, en/of - die [benadeelde partij] bij de uitgang van dat Holland Casino op

te wachten, en/of

- die [benadeelde partij] te achtervolgen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 09 juli 2011 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, enig geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 09 juli 2011 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten het Weena, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een handtas inhoudende: een verblijfsvergunning en ringen en een geldbedrag toebehorende aan [benadeelde partij], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het met kracht rukken en trekken aan die handtas waardoor die [benadeelde partij] ten val kwam.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, een en ander zoals nader toegelicht in de door hem overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof overweegt ten aanzien van het verweer als volgt.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de in het dossier vervatte bewijsmiddelen zijn naar het oordeel van het hof de door de verdachte ontplooide activiteiten met betrekking tot het bewezenverklaarde te duiden als die van een medepleger.

Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte met zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in het casino Roman Palace te Rotterdam het slachtoffer [benadeelde partij] in de gaten heeft gehouden, nadat door één van hen was geconstateerd dat [benadeelde partij] een aanzienlijke hoeveelheid punten had verkregen1. Vervolgens is in het casino het plan besproken om het slachtoffer buiten te beroven van haar geld2. Op het moment dat het slachtoffer zich in het casino liet uitbetalen, zijn de verdachte en zijn mededaders naar buiten gegaan en hebben zij daar het slachtoffer opgewacht3.

Toen het slachtoffer naar buiten kwam en naar het Holland Casino aan het Weena liep, zijn de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] achter haar aan gelopen, op enige afstand gevolgd door [medeverdachte 2] en de verdachte. Onderweg is het slachtoffer nog even gestopt om te telefoneren, waarop de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] de pas inhielden4. Nadat de medeverdachte [medeverdachte 2] het slachtoffer passeerde en het Holland Casino was ingelopen, heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] voor het Holland Casino de handtas uit de handen van het slachtoffer getrokken, waardoor zij ten val kwam5.

De verdachte, die op enige afstand van het gebeuren stond, en die volgens zijn eigen verklaring het slachtoffer heeft horen gillen nadat zij van haar tas was beroofd, is vervolgens afzonderlijk van de medeverdachten weggerend. Uiteindelijk hebben zij elkaar volgens afspraak weer ontmoet op het Churchillplein in Rotterdam, alwaar het weggenomen geld is verdeeld, waarbij de verdachte als deel van de buit € 200,-- heeft ontvangen6.

Naar oordeel van het hof valt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het gezamenlijke plan, de gezamenlijke uitvoering van het in de gaten houden van het slachtoffer, het gezamenlijk opwachten en het gezamenlijk volgen, alsmede het gezamenlijk delen van de buit, genoegzaam af te leiden dat sprake is van het in vereniging plegen van het bewezenverklaarde feit.

Daarbij komt dat het hele gebeuren vanaf het moment dat het slachtoffer in het casino Roman Palace in de gaten werd gehouden tot aan het moment van beroving voor het Holland Casino, enige tijd heeft geduurd, waarbij de verdachte, hoewel hij daar volgens eigen zeggen in de gelegenheid toe was, zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van zijn medeverdachten, dan wel aan hen heeft kenbaar gemaakt dat hij niets te maken wilde hebben met het plan om de vrouw te beroven. De afstand tussen de twee casino's, die het slachtoffer lopend - steeds gevolgd door de verdachte en de medeverdachten - heeft afgelegd, is daarenboven aanzienlijk.

Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof, op de wijze zoals is bewezenverklaard.

Het is een feit van algemene bekendheid dat vele slachtoffers van overvallen nog langdurig de psychisch nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

Daarnaast worden door feiten als het onderhavige de in de samenleving in het algemeen bestaande gevoelens van onveiligheid vergroot.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat gezien de ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen huidige levensomstandigheden van de verdachte, alsmede gelet op het feit dat de verdachte niet eerder en ook niet na het bewezenverklaarde feit met politie of justitie in aanraking is gekomen, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

Op de terechtzitting in eerste aanleg van 28 oktober 2011 heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij in het onderhavige strafproces gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 35.000,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 3.000,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.000,-- met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte in zoverre erkend dat hij van oordeel is dat € 200,-- aan schadevergoeding kan worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 3.000,-- aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,-- aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. J.A.C. Bartels en mr. T.L. Tan, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 januari 2013.

1 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2012.

2 De verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd bij de rechter-commissaris bij de rechtbank Rotterdam op 2 november 2012 en de verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd bij de rechter-commissaris bij de rechtbank Rotterdam op 23 augustus 2012.

3 De verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd bij de politie Rotterdam-Rijnmond op 23 juli 2011 (blz. 156 t/m 159).

4 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2012.

5 De verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd bij de politie Rotterdam-Rijnmond op 23 juli 2011 (blz. 156 t/m 159) en de verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd bij de rechter-commissaris bij de rechtbank Rotterdam op 23 augustus 2012.

6 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2012.