Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BY9442

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
105.001.788-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling van de boedel van een onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer: 105.001.788/01

Rolnummer rechtbank: 00/932

Arrest d.d. 15 januari 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal beroep,

geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel beroep,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R. Müller te Alphen aan den Rijn,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal beroep,

appellant in (voorwaardelijk) incidenteel beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.B.M. Zuidgeest te Alphen aan den Rijn.

Het verdere geding

Bij het laatste tussenarrest van 18 oktober 2011 is de zaak naar de rol van 7 februari 2012 verwezen opdat partijen zich zouden kunnen uitlaten over de voortgang van de procedure. Daarna heeft [geïntimeerde] een akte uitlaten teven akte inhoudende vermeerdering van eis genomen. Vervolgens heeft [appellant] een akte uitlaten tevens akte verweer tegen vermeerdering van eis genomen. Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor arrest.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. In genoemd tussenarrest onder 8 heeft het hof vastgesteld dat op alle door partijen aan het hof voorgelegde geschilpunten een beslissing is gegeven. Voorts heeft het hof opgemerkt dat [geïntimeerde] nog heeft gesteld dat [appellant] extra accountantskosten, geschat op ten minste € 7.000,=, alsmede kosten van rechtsbijstand, begroot op € 3.000,= exclusief BTW en kantoorkosten moet dragen. Ten aanzien daarvan heeft het hof overwogen dat niet duidelijk is of [geïntimeerde] een en ander als geschilpunt aan het hof wil voorleggen, dat partijen wederom in de gelegenheid zullen worden gesteld de firma geheel af te wikkelen en dat de zaak zal worden aangehouden opdat partijen zich zullen kunnen uitlaten over de voortgang van de procedure; wanneer partijen er niet uitkomen, zullen zij de zaak vervroegd kunnen opbrengen en een geschilpunt onderbouwd aan het hof voorleggen.

2. Uit de vervolgens door partijen genomen aktes blijkt dat zij er niet in zijn geslaagd in goed overleg de firma geheel af te wikkelen. [geïntimeerde] stelt dat de accountant die na het eerdere tussenarrest van 10 maart 2009 (zoals door [geïntimeerde] bij akte van rectificatie gerectificeerd) was ingeschakeld en conceptjaarrekeningen had opgesteld, nu opnieuw jaarrekeningen en resultaat-/kapitaalsverdelingen tussen partijen zal moeten maken langs de lijnen van het laatste tussenarrest, maar dat [appellant] weigert daaraan mee te werken. Daaraan verbindt [geïntimeerde] de conclusie dat de zeer aanzienlijke kosten die de accountant heeft gemaakt (€ 22.012,02 inclusief BTW (€ 18.497,50 exclusief BTW) en door de vof zijn betaald maar door ieder van partijen voor de helft moeten worden gedragen, geen enkele waarde meer hebben en dat er niet aan te ontkomen is dat het hof zelf een deskundige benoemt die alle werkzaamheden die de accountant heeft verricht, opnieuw zal gaan verrichten. Naar de mening van [geïntimeerde] handelt [appellant] onrechtmatig dan wel schiet hij toerekenbaar tekort door aan de eerder door partijen aan de accountant gegeven opdracht geen nader gevolg te willen geven.

3. Tegen deze achtergrond brengt [geïntimeerde] als eerste geschilpunt primair naar voren dat [appellant] dient te worden veroordeeld tot betaling van de volledige accountantskosten en dus tot betaling aan [geïntimeerde] van zijn deel ad € 9.248,75. Subsidiair stelt [geïntimeerde] dat de kosten van de accountant voor een substantieel deel zijn ontstaan doordat [appellant] de accountant onjuist heeft geïnformeerd, namelijk deze heeft voorgehouden dat geen urentoerekening aan de vennoten diende te geschieden, hetgeen afwijkt van het oordeel van het hof in het laatste tussenarrest. Door deze onjuiste informatie heeft de accountant extra kosten gemaakt die [geïntimeerde] schat op ten minste € 7.000,=.

Kennelijk als tweede geschilpunt voert [geïntimeerde] aan dat, nu [appellant] in deze procedure voor het overgrote deel in het ongelijk is gesteld én hij niet wenst mee te werken aan de opstelling van de jaarrekeningen en resultaat-/kapitaalsverdelingen tussen partijen, [appellant] ook de kosten van de door het hof te benoemen deskundige zal hebben te dragen.

4. Op grond van het voorgaande vordert [geïntimeerde] dat het hof:

I een financieel deskundige zal benoemen die met inachtneming van de tussenarresten de jaarrekeningen van de vof zal opstellen, zulks met ingang van 1999 tot en met mei 2011, en in dat kader de resultaat-/kapitaalsverdeling per 1 januari 2012 zal opmaken langs de lijnen zoals dat tussen partijen tot 1999 is geschied en met inachtneming van hetgeen het ter zake heeft beslist;

II zal bepalen dat [appellant] de kosten van de te benoemen deskundige zal dragen en hij deze kosten, althans een inschatting daarvan, bij voorschot zal voldoen;

III zal bepalen dat [appellant] aan [geïntimeerde] een bedrag van € 9.248,75 zal betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012, althans een door het hof te bepalen datum;

IV [appellant] zal veroordelen in de kosten van de procedure.

[geïntimeerde] tekent daarbij aan dat zijn vorderingen voor zover nodig geacht moeten worden met genoemde vorderingen te worden vermeerderd.

5. [appellant] merkt in zijn vervolgens genomen akte op dat [geïntimeerde], zoals blijkt uit de tekst van de kop van diens akte, zijn eis vermeerdert en [appellant] maakt tegen deze vermeerdering van eis bezwaar. Afgezien van het feit dat [geïntimeerde] in deze procedure niet eiser is (geweest) maar gedaagde, acht [appellant] de eisvermeerdering in strijd met een goede procesorde.

6. Het hof passeert dit bezwaar. In het kader van principale grief IV en het incidentele beroep, waarvan de voorwaarde waaronder dat was ingesteld is vervuld, dient het hof te oordelen over het geschil van partijen over de verdeling van de boedel van de onderneming. Nadat de daartoe aan het hof nader geconcretiseerde geschilpunten waren voorgelegd en daarop bij het laatste tussenarrest was beslist, heeft het hof beide partijen, dus ook [geïntimeerde], de gelegenheid gegeven een geschilpunt onderbouwd aan het hof voor te leggen. Nu het gaat om de verdeling van de boedel, ligt voor de hand dat een geschilpunt uitmondt in een of meer vorderingen die bij honorering daarvan onderdeel van die verdeling zullen kunnen en moeten zijn. De aldus door [geïntimeerde] onder III geformuleerde geldvordering komt dan ook niet in strijd met de goede procesorde. De vorderingen onder I en II beschouwt het hof als een procedurevoorstel. De vordering onder IV voegt niets toe aan de conclusie aan het slot van de memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel van [geïntimeerde] om [appellant] in de kosten van de procedure te veroordelen.

7. [appellant] stelt voorts dat het hof in het laatste tussenarrest onder 6 in strijd met de feiten heeft overwogen dat [appellant] niet heeft betwist hetgeen [geïntimeerde] te berde heeft gebracht ter zake van de verdeling van de winst en het toekennen van de arbeidsbeloning. [appellant] is van mening dat het hof voorbij gegaan is aan zijn nadere akte uitlaten van 17 mei 2011 waarin hij de opvattingen van [geïntimeerde] dienaangaande wel heeft betwist.

8. Het hof oordeelt hierover als volgt. Ten aanzien van de aangevallen overweging in het laatste tussenarrest over door [appellant] onbetwiste stellingen van [geïntimeerde] is sprake van een bindende eindbeslissing. Er is geen reden hierop terug te komen. [appellant] preciseert niet waar hij in de nadere akte de betrokken stellingen heeft betwist. Na herlezing van die akte kan het hof niet tot het oordeel komen dat in de betrokken overweging van het tussenarrest sprake is van een feitelijke misslag.

9. Uit de erkenning door [appellant] in zijn akte pagina 1 onderaan dat [geïntimeerde] “niet ten onrechte overigens” stelt dat er met [appellant] in onderling overleg niet uit te komen is, in verband met diens blijkens pagina 2 kennelijk gehuldigde opvatting dat de door het hof gegeven “maatstaf “voor verdeling van de boedel onjuist en nog niet onherroepelijk is, leidt het hof af dat er nog geen verdeling heeft plaatsgevonden omdat [appellant] zich niet met het laatste tussenarrest kan verenigen. Dit probleem kan niet worden opgelost door het benoemen van een deskundige. Het hof zal daartoe dan ook niet overgaan. Voor toewijzing van de vordering onder III bestaat onvoldoende grond. [appellant] verschilde met [geïntimeerde] van mening over een onderwerp dat pas met het laatste tussenarrest in het voordeel van [geïntimeerde] werd beslist. Indien en voor zover de accountant al werk heeft verricht gebaseerd op een mening die werd betwist en waarover het hof nog moest oordelen, komt dit voor risico van beide partijen. Dit zou anders kunnen zijn wanneer [appellant] tegen beter weten in heeft vastgehouden aan zijn, later door het hof verworpen, opvatting, maar dat is gesteld noch gebleken.

10. De slotsom van dit arrest en de voorgaande arresten is de volgende. De principale grieven I tot en met III en grief V zijn verworpen in het tussenarrest van 21 februari 2006. Dit impliceert dat het eindvonnis in conventie, voor zover daarbij de vorderingen onder I en II zijn afgewezen, en het eindvonnis in reconventie, met uitzondering van de afwijzing van het meer of anders gevorderde, zullen worden bekrachtigd. Nadat principale grief IV in het tussenarrest van 4 juli 2006 gegrond was verklaard, heeft het hof in de tussenarresten van 12 juni 2008 en 10 maart 2009 beslist over de resterende geschilpunten, zoals deze waren vermeld in het proces-verbaal van comparitie van partijen van 17 mei 2006. Bij het laatste tussenarrest van 18 oktober 2011 heeft het hof beslist over een nader door partijen opgebracht geschilpunt. Uit hetgeen in het onderhavige arrest is overwogen vloeit voort dat thans is beslist over alle geschilpunten die in hoger beroep met betrekking tot de vaststelling van de verdeling van de gemeenschap aan de orde zijn, zodat zal worden beslist als volgt. In reconventie heeft [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te gelden, zodat de kostenveroordeling in stand blijft. Gelet op de uitkomst van het hoger beroep zullen de kosten in conventie en die in hoger beroep worden gecompenseerd. Voor de duidelijkheid zullen de beslissingen in conventie en in reconventie zoals deze thans luiden, volledig worden weergegeven.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het tussenvonnis van 1 augustus 2001 en het eindvonnis van 7 januari 2004 waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

in conventie en in reconventie

gelast partijen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap uit de ontbonden vennootschap onder firma “Fa. Rhenania” met inachtneming van de beslissing van het hof over de geschilpunten in de tussenarresten van 12 juni 2008, 10 maart 2009 en

18 oktober 2011;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in conventie meer of anders gevorderde;

verder in conventie

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verder in reconventie

verklaart voor recht dat het op 29 februari 2000 gelegde beslag op de aan [geïntimeerde] toebehorende onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [plaats] ten onrechte is gelegd;

verklaart voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] ten gevolge van dat beslag ontstane schade;

veroordeelt [appellant] in de kosten, tot op het eindvonnis aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op

€ 877,50 aan salaris procureur;

verder in hoger beroep

compenseert de kosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, P. Kuipers en C.J.J.C. van Nispen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2013 in aanwezigheid van de griffier.