Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BY9316

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
22-001347-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-Artikel 6 WVW 1994. Het hof acht - anders dan de advocaat-generaal - niet bewezen dat de verdachte ”roekeloos” heeft gereden in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, mede in het licht van hetgeen de wetgever daarbij voor ogen heeft gestaan en in het licht van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande.

-De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend gereden. De verdachte is ondanks zijn geestelijke en/of lichamelijke klachten in zijn auto gestapt, heeft vervolgens te hard gereden, terwijl het wegdek glad was, geen gehoor gegeven aan diverse verkeerswaarschuwingen en is al bellend in de auto, de woonkamer van de slachtoffers binnengereden. De slachtoffers zaten op dat moment in hun woonkamer. Het mannelijke slachtoffer is direct aan zijn verwondingen overleden. Het vrouwelijke slachtoffer is twee weken later aan haar verwondingen overleden. Na de aanrijding heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten, zonder op enig moment terug te keren. Evenmin heeft hij een hulpdienst gebeld. Het hof heeft gelet op de omstandigheid dat de verdachte nimmer oprecht spijt heeft betuigd voor zijn handelen maar zich meer bekommerd om de consequenties van wat er gebeurd was voor hemzelf. Dit vindt bevestiging in het gegeven dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen om zijn verantwoordelijkheid jegens de nabestaanden van de slachtoffers te nemen. Het hof acht het handelen van de verdachte zeer berekenend en respectloos ten aanzien van de slachtoffers en hun nabestaanden en rekent dat de verdachte stevig aan.

- Straf: 24 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk + drie jaar ontzegging van de rijbevoegdheid + verbeurdverklaring van verdachtes auto.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/77
VR 2014/11
JWR 2013/18 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001347-12

Parketnummer: 09-753086-11

Datum uitspraak: 24 januari 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 februari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] (Polen),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 januari 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 januari 2011 tot en met 15 februari 2011 te Noordwijk (op en/of nabij [adres]) opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet als bestuurder van een auto met die auto met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan of (in verband met een scherpe bocht) werd geadviseerd, althans met een (veel) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was (terwijl het wegdek glad/bevroren was en/of een of meer van de banden van de door hem bestuurde auto onvoldoende profilering hadden), terwijl verdachte (sterk) onder invloed was van alcoholhoudende drank en/of medicijnen (Ketonal), althans alcoholhoudende drank en/of medicijnen had gebruikt en/of een einde aan zijn leven wilde maken en/of leed aan (ernstige) misselijkheid en/of hoofdpijn en/of depressiviteit, althans (ernstige) lichamelijke en/of geestelijke klachten had en/of terwijl verdachte telefoneerde, althans een telefoon in zijn hand had, over die weg gereden en/of (daardoor) de controle over zijn voertuig heeft verloren, waarbij verdachte van de weg is geraakt en/of (vervolgens) (met hoge snelheid) met die auto is binnengereden/binnengekomen in een woning (aan de [adres]), waar op dat moment die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] aanwezig waren/was, waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] door die auto en/of materiaal van die auto en/of die woning en/of zich in die woning bevindende goederen zijn/is geraakt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden en/of voornoemde [slachtoffer 2] een of meer botbreuken en/of bloedingen (in lies en/of buik) en/of een perforatie van een darm en/of een bloedvergiftiging en/of een afsterving van een of meer darmen heeft bekomen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, in elk geval zodanig letsel heeft bekomen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 januari 2011 te Noordwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [adres], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als bestuurder van een auto met die auto met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan of (in verband met een scherpe bocht) werd geadviseerd, althans met een (veel) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was (terwijl het wegdek glad/bevroren was en/of een of meer van de banden van de door hem bestuurde auto onvoldoende profilering hadden), terwijl verdachte (sterk) onder invloed was van alcoholhoudende drank en/of medicijnen (Ketonal), althans alcoholhoudende drank en/of medicijnen (Ketonal) had gebruikt en/of een einde aan zijn leven wilde maken en/of leed aan (ernstige) misselijkheid en/of hoofdpijn en/of depressiviteit, althans (ernstige) lichamelijke en/of geestelijke klachten had en/of terwijl verdachte telefoneerde, althans een telefoon in zijn hand had, over die weg gereden en/of (daardoor) de controle over zijn voertuig heeft verloren, waarbij verdachte van de weg is geraakt en/of (vervolgens) (met hoge snelheid) met die auto is binnengereden/binnengekomen in een woning ([adres]), waar op dat moment die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] aanwezig waren/was, waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] door die auto en/of materiaal van die auto en/of die woning en/of zich in die woning bevindende goederen zijn/is geraakt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden en/of voornoemde [slachtoffer 2] een of meer botbreuken en/of bloedingen (in lies en/of buik) en/of een perforatie van een darm en/of een bloedvergiftiging en/of een afsterving van een of meer darmen heeft bekomen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, in elk geval zodanig letsel heeft bekomen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, zulks terwijl verdachte verkeerde onder zodanige invloed van alcolhoudende drank of andere stof (medicijnen (Ketonal)), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 januari 2011 te Noordwijk als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdend op de weg, [adres],

als bestuurder van een auto met die auto met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan of (in verband met een scherpe bocht) werd geadviseerd, althans met een (veel) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was (terwijl het wegdek glad/bevroren was en/of een of meer van de banden van de door hem bestuurde auto onvoldoende profilering hadden), terwijl verdachte (sterk) onder invloed was van alcoholhoudende drank en/of medicijnen (Ketonal), althans alcoholhoudende drank en/of medicijnen (Ketonal) had gebruikt en/of een einde aan zijn leven wilde maken en/of leed aan (ernstige) misselijkheid en/of hoofdpijn en/of depressiviteit, althans (ernstige) lichamelijke en/of geestelijke klachten had en/of terwijl verdachte telefoneerde, althans een telefoon in zijn hand had, over die weg gereden en/of (daardoor) de controle over zijn voertuig heeft verloren, waarbij verdachte van de weg is geraakt en/of (vervolgens) (met hoge snelheid) met die auto is binnengereden/binnengekomen in een woning ([adres]), waar op dat moment die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] aanwezig waren/was, waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] door die auto en/of materiaal van die auto en/of die woning en/of zich in die woning bevindende goederen zijn/is geraakt, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2011 te Noordwijk als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op en/of nabij [adres], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] schade was toegebracht en/of die [slachtoffer 1] was gedood en/of aan die [slachtoffer 2] (zeer ernstig) letsel was toegebracht, waarbij verdachte naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden die [slachtoffer 2] in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 januari 2011 te Noordwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [adres], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft verdachte aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als bestuurder van een auto met die auto met een veel hogere snelheid dan ter plaatse (in verband met een scherpe bocht) werd geadviseerd, terwijl het wegdek glad was, terwijl verdachte lichamelijke en/of geestelijke klachten had en telefoneerde, over die weg gereden en de controle over zijn voertuig heeft verloren, waarbij verdachte van de weg is geraakt en met die auto is binnengereden in een woning aan de [adres], waar op dat moment [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aanwezig waren, waardoor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] door die auto zijn geraakt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden en voornoemde [slachtoffer 2] botbreuken en bloedingen in lies en buik en een perforatie van een darm en een bloedvergiftiging en een afsterving darmen heeft bekomen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

2.

hij op 29 januari 2011 te Noordwijk als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [adres], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden een ander, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] schade was toegebracht en die [slachtoffer 1] was gedood en aan die [slachtoffer 2] (zeer ernstig) letsel was toegebracht, waarbij verdachte naar hij redelijkerwijs moest vermoeden die [slachtoffer 2] in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Het hof heeft de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

De verdachte is - ondanks het feit dat hij zich geestelijk en/of lichamelijk niet goed voelde - op 29 januari 2011 omstreeks 22:38 uur in zijn personenauto gestapt. Eerder die avond had hij om diezelfde reden het besturen van de auto aan zijn vrouw overgelaten. Vervolgens heeft hij over de [adres] in Noordwijk, alwaar hij bekend was, gereden. Het wegdek was op dat moment glad. Met die gladheid had de verdachte redelijkerwijs rekening behoren te houden nu eerder op de avond de autoruiten moesten worden schoon gekrabd. Voorts was de verdachte ten tijde van die rit zonder handsfree set aan het telefoneren. De rijbaan van de [adres] maakt op een gegeven moment een haakse bocht naar rechts. Om verkeersdeelnemers voor deze haakse bocht te waarschuwen, is op enige afstand een verkeersdrempel aanwezig, een verkeersbord met de waarschuwing dat er een scherpe bocht naar rechts aankomt en een verkeersbord met een adviessnelheid van 30 km/uur ter plaatse. De verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van deze waarschuwingen want in plaats van met aangepaste snelheid de bocht te volgen is hij rechtdoor, met een snelheid van minimaal 58 km/uur en maximaal 79 km/uur, de voorkamer van het perceel aan de [adres] binnengereden waarbij hij uiteindelijk aan de andere kant van de voorkamer tot stilstand kwam. Als gevolg hiervan zijn de twee slachtoffers, een echtpaar dat op dat moment in hun woning aan de [adres] aanwezig was, terstond dan wel enige tijd later overleden.

Met betrekking tot de mate van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient vooropgesteld te worden dat het moet gaan om een minstens aanmerkelijke onvoorzichtigheid die de verdachte moet kunnen worden verweten. Volgens vaste rechtspraak komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van de verkeersfout de schuld in de zin van dit artikel kan worden afgeleid.

Als schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 die bestaat uit roekeloosheid gelden ingevolge de wet van 28 juni 2006 hogere maximumstraffen. Zoals blijkt uit onder meer de considerans van deze wet, is met deze strafmaatverhogingen beoogd het optreden tegen ernstige vormen van roekeloos rijgedrag te bevorderen. In dat verband zijn aan de rechter meer mogelijkheden gegeven om bij fataal gevolg of lichamelijk letsel in de strafmaat rekening te houden met het bij familieleden, vrienden en kennissen van het slachtoffer teweeggebrachte leed en met de in de samenleving ontstane onrust. Ook is met de wetswijziging tot uitdrukking gebracht dat onverantwoordelijk rijgedrag in de huidige tijd zwaar wordt aangerekend. Gelet op de intensiteit van het verkeer en het vertrouwen waarmee men aan dat verkeer moet kunnen deelnemen, rust er een grote verantwoordelijkheid op verkeersdeelnemers om de veiligheid van het verkeer niet in gevaar te brengen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat bij roekeloosheid sprake moet zijn van 'een of meer gedragingen van de dader [...] die erop duiden dat door hem welbewust onaanvaardbare risico's zijn genomen', van 'bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren' (HR 22 mei 2012, LJN: BU2016).

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte welbewust voornoemde risico's heeft genomen en deze risico's zeer lichtzinnig uitgesloten heeft geacht. Dit blijkt niet uit zijn verkeersgedrag onder de vastgestelde omstandigheden.

Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de verdachte weliswaar kampte met geestelijke en/of lichamelijke klachten als gevolg van zijn persoonlijke omstandigheden maar dat niet aannemelijk is geworden dat hij daarbij alcohol of het medicijn Ketonal heeft ingenomen.

Wel is komen vast te staan dat de verdachte met een te hoge snelheid heeft gereden terwijl hij een scherpe bocht naderde, het wegdek glad was en hij niet handsfree aan het bellen was. Dit is evenwel naar 's hofs oordeel zonder meer niet toereikend voor het oordeel dat de verdachte "roekeloos" heeft gereden in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, mede in het licht van hetgeen de wetgever daarbij voor ogen heeft gestaan en in het licht van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande.

De verdachte zal derhalve van de term "roekeloos" in de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte onder voormelde omstandigheden wel kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte van het hem onder 1 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu hem wat betreft zijn handelen geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De verdachte had op de dag van het ongeval de Poolse variant van het medicijn Ketonal gebruikt. Hij was niet bekend met de bijwerkingen van dat medicijn. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het niet-aannemelijk is dat de verdachte bewust het risico heeft aanvaard op voltooiing van het feit zoals ten laste gelegd, omdat hij zich niet bewust was van de situatie waarin hij zich bevond gelet op zijn depressieve stemming en de invloed van het door hem ingenomen medicijn Ketonal.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof begrijpt uit het verweer van de raadsman dat hij een beroep doet op afwezigheid van alle schuld (AVAS) aan de zijde van de verdachte waardoor het bestanddeel "schuld" in de tenlastelegging niet bewezen kan worden verklaard en de verdachte van het hem onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de onderhavige processtukken is, als eerder overwogen, niet aannemelijk geworden dat de verdachte voorafgaand aan of ten tijde van het tenlastegelegde medicijnen (Ketonal) dan wel andere geestesbeïnvloede middelen had gebruikt, nu hij vrijwel onmiddellijk na het ongeval naar Polen is vertrokken en pas twee dagen na het ongeval kon worden aangehouden. Voorts heeft de verdachte over zijn beweerdelijk medicijngebruik steeds wisselend verklaard. (Op dossierpagina 123: "Ik gebruik geen medicijnen, eventueel paracetamol."; op dossierpagina 705: "Ik heb een Ketonal pijnstiller ingenomen."; op dossierpagina 1087: "Twee pillen Ketonal." en ter terechtzitting in eerste aanleg: "Ik weet nog wel dat ik een pil Ketonal heb ingenomen, van mijn vrouw heb ik gehoord dat ik nog een pil had ingenomen."). Daarbij heeft de verdachte ook overigens wisselend verklaard over zijn betrokkenheid bij het ongeval, tot het moment waarop het voor hem duidelijk was dat het niet langer zinvol was daarover te liegen.

Voorts is naar 's hofs oordeel evenmin aannemelijk geworden dat de door de verdachte ondervonden emotionele/psychische problemen van zodanige aard zijn geweest dat de verdachte ten tijde van het telastegelegde niet kon vermoeden of verwachten dat de telastegelegde gevolgen uit zijn gedragingen zouden kunnen voortvloeien.

De omstandigheden dat de verdachte thans zegt geen herinnering aan het incident te hebben en dat de verdachte indertijd - blijkens het telefoongesprek dat hij vlak voor het ongeval met [naam getuige] voerde - een labiele indruk maakte, leiden niet tot een ander oordeel.

De raadsman heeft nog naar voren gebracht dat de verdachte onbewust suïcide heeft willen plegen als gevolg van zijn depressieve stemming in combinatie met de door hem ingenomen pillen Ketonal. Het hof is van oordeel dat, zelfs al zou de verdachte die pillen hebben ingenomen, van een zodanig ernstige depressieve stemming al dan niet in combinatie met gebruik van meergenoemde pillen niet is gebleken. Het strafdossier biedt voor de juistheid van deze stelling, die overigens niet nader is onderbouwd, onvoldoende aanknopingspunten. Het hof gaat hier derhalve aan voorbij.

Uit het voortgaande vloeit voort dat het hof evenmin aannemelijk geworden acht dat bij de verdachte door de inname van Ketonal sprake zou zijn geweest van een bewustzijnsvernauwing. Ook aan deze stelling gaat het hof dus voorbij.

Het verweer wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend gereden. De verdachte is ondanks zijn geestelijke en/of lichamelijke klachten in zijn auto gestapt, heeft vervolgens te hard gereden, terwijl het wegdek glad was, geen gehoor gegeven aan diverse verkeerswaarschuwingen en is al bellend in de auto, de woonkamer van de slachtoffers binnengereden. De slachtoffers zaten op dat moment in hun woonkamer. De auto van de verdachte is aan de andere kant van de woonkamer tot stilstand gekomen. Het mannelijke slachtoffer is onder de auto terecht gekomen en direct aan zijn verwondingen overleden. Het vrouwelijke slachtoffer is knel komen te zitten tussen de auto en een muur van de huiskamer en is twee weken later aan haar verwondingen overleden. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van grove miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en heeft hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Na de aanrijding heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Gezien de situatie ter plaatse had de verdachte op zijn minst moeten vermoeden dat er door het ongeval een of meer slachtoffers gevallen zouden kunnen zijn. Echter, zonder zich hiervan te vergewissen, is de verdachte weggerend, zonder op enig moment terug te keren. Evenmin heeft hij een hulpdienst gebeld. Hij heeft zich geheel onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid. Hij heeft geprobeerd zijn rol bij dit tragische incident te verhullen, onder andere doordat een valse aangifte is gedaan van eerdere diefstal van de bij het ongeluk betrokken auto, en door vrijwel meteen na het ongeval naar Polen te vertrekken. Diverse familieleden van de verdachte hebben hem een vals alibi verschaft en de verdachte heeft lange tijd meegedaan aan de leugen. Het onderzoek naar de ware toedracht van dit gebeuren is hierdoor vertraagd en bemoeilijkt.

Het hof acht het handelen van de verdachte zeer berekenend en respectloos ten aanzien van de slachtoffers en hun nabestaanden en rekent dat de verdachte stevig aan. Het hof heeft in dit verband mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte nimmer oprecht spijt heeft betuigd voor zijn handelen maar zich meer bekommerd om de consequenties van wat er gebeurd was voor hemzelf. Dit vindt bevestiging in het gegeven dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen om zijn verantwoordelijkheid jegens de nabestaanden van de slachtoffers te nemen.

De verdachte heeft door zijn rijgedrag onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het echtpaar dat slachtoffer is geworden en aan hun verdere omgeving. Dit blijkt ook uit de schriftelijke, ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen, verklaringen van hun twee zonen. Zij zijn als gevolg van verdachtes handelen hun ouders, die nog volop in het leven stonden en met wie zij en hun gezinnen nauw contact hadden, zeer plotseling en korte tijd na elkaar verloren. Ook de kleinkinderen lijden zeer onder het gemis van hun grootouders. Dergelijk groot leed valt met geen enkele straf goed te maken.

Daarbij komt dat het ongeval, maar ook de laffe wijze waarop de verdachte vervolgens met de situatie is omgegaan, een grote schok teweeg heeft gebracht in de maatschappij.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 december 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op de inhoud van de tot het persoonsdossier van de verdachte behorende recente rapportages, zoals hieronder weergegeven:

- een Pro Justitia rapport d.d. 11 oktober 2011, opgemaakt en ondertekend door [naam deskundige 1], psycholoog;

- een Pro Justitia rapport d.d. 10 oktober 2011, opgemaakt en ondertekend door [naam deskundige 2], psychiater.

Uit de rapportages volgt dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de vorm van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Omdat de verdachte zich het ongeval niet kan herinneren, kunnen evenwel geen uitspraken worden gedaan omtrent de toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het ongeval.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Beslag

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto zal worden verbeurd verklaard.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een personenauto [kenmerken auto].

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. T.L. Tan,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2013.