Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BY8263

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
200.090.748-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

belastingconsulent, wanprestatie, toepasselijkheid algemene voorwaarden, exoneratiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.090.748/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 366566 / HA ZA 10-1798

Arrest d.d. 15 januari 2013

inzake

[Naam], h.o.d.n. De Financiële praktijk, h.o.d.n. Ondernemershuis [...] en h.o.d.n. […],

wonende te [Woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.G.J. [appellant] te De Meern, gemeente Utrecht,

tegen:

1. [Naam],

wonende te [Woonplaats], gemeente […],

hierna: [geïntimeerde 1]

2. [Naam],

wonende te [Woonplaats], gemeente […],

hierna: [geïntimeerde 2],

3. SECRETARION B.V.,

gevestigd te Rockanje, gemeente Westvoorne,

hierna: Secretarion,

4. DINUDO HOLDING B.V.,

gevestigd te Rockanje, gemeente Westvoorne,

hierna: Dinudo,

geïntimeerden,

hierna geïntimeerden tezamen te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. P.J. Thie te Hellevoetsluis.

Het geding

Bij tussenarrest van 15 november 2011, waar het hof naar verwijst, is een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift zich bij de stukken bevindt. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) zes grieven aangevoerd. [geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord gemotiveerd verweer gevoerd. Daarna hebben partijen de zaak op 12 november 2012 doen bepleiten. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank 's-Gravenhage in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.18) van het bestreden vonnis van 20 april 2011 vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, gaat het geschil om de vraag of [appellant] wanprestatie heeft gepleegd jegens [geïntimeerden] bij de uitvoering van de overeengekomen boekhoudkundige/fiscale werkzaamheden in de periode vanaf 2005 en zo ja, op welke schadevergoeding [geïntimeerden] aanspraak kunnen maken. In dit verband zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Deze feiten zijn door de rechtbank grotendeels weergegeven in vorenbedoelde rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis. Voor de duidelijkheid zal het hof de feiten hierna nog zakelijk weergeven.

(2.1) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben aan [appellant] opdracht verstrekt om voor hen vanaf 2001 de aangiften inkomstenbelasting (IB) op te stellen en na goedkeuring bij de Belastingdienst in te dienen. Zij hebben voor deze werkzaamheden over de periode 2005 tot en met 2008 een bedrag van in totaal € 720,-- als honorarium aan [appellant] betaald.

(2.2) [appellant] is met Secretarion en Dinudo (vennootschappen die worden bestuurd door [geïntimeerde 1]) overeengekomen dat hij vanaf januari 2005 (het moment van oprichting van deze vennootschappen) de volgende werkzaamheden zal verrichten:

- controle van de administratie

- verzorging aangiften omzetbelasting (OB) en vennootschapsbelasting (VpB)

- samenstelling jaarrekeningen

- opstellen en publicatie rapport en notulen Algemene Vergadering van Aandeelhouders

op basis van de jaarrekening

- verzorging salarisverwerking Dinudo.

Deze afspraken zijn op 12 januari 2005 schriftelijk vastgelegd en getekend. In de betreffende contracten is verder onder meer opgenomen:

'Algemene Voorwaarden Op al onze dienstverlening zijn onze Algemene Voorwaarden van toepassing. U vindt deze in de bijlage.'

Als honorarium over de jaren 2005 tot en met 2008 heeft Secretarion aan [appellant] een bedrag van € 3.580,00 betaald. Dinudo heeft als honorarium over deze periode € 1.980,-- betaald.

(2.3) Na per e-mail geuite klachten door [geïntimeerde 1] over het niet tijdig samenstellen van de jaarrekening van Secretarion en Dinudo voor 2005 en 2006, heeft [appellant] op 12 december 2007 per e-mail laten weten dat het uiteraard de bedoeling is de cijfers zo snel mogelijk aan te leveren en dat hij zal zorgen dat ze naar [geïntimeerde 1] worden gemaild. Bij e-mail van 4 februari 2008 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] bericht dat hij wegens gezondheidsproblemen niet in staat was geweest de verlangde gegevens toe te zenden, maar dat hij de verlangde gegevens uiteraard zal verzorgen. Bij e-mailberichten van 27 maart, 15 april en 18 mei 2008 aan [appellant] vraagt [geïntimeerde 1] telkens waar de stukken blijven, waarbij zij termijnen geeft en met sancties dreigt. Bij e-mail van 14 november 2008 vraagt [geïntimeerde 1] of [appellant] de definitieve jaarrekening 2005-2006 klaar heeft. Zij heeft naar haar zeggen destijds alleen een concept ontvangen.

In een e-mail van 3 april 2009 aan [appellant] schrijft [geïntimeerde 1] gedetailleerd over problemen met de Belastingdienst, die te maken hebben met het door nalatigheid niet (juist en/of tijdig) aanleveren van stukken door [appellant]. [geïntimeerde 1] geeft aan dat zij alle hieruit voortvloeiende kosten van boetes en beslagleggingen zal doorbelasten aan het kantoor van [appellant].

(2.4) Bij e-mail van 24 april 2009 bericht [geïntimeerde 1] aan [appellant] dat zij geen reactie heeft gekregen op haar mail van 3 april 2009, dat zij daarom op zoek zijn gegaan naar een andere accountant, te weten Partners en Finance (hof: hierna: PiF) en dat zij daarom aan [appellant] vraagt alle stukken (zowel zakelijk als privé) aan de heer [naam] van PiF (hof: hierna: [X]) over te dragen. Bij e-mail van 4 mei 2009 wordt dit verzoek door [geïntimeerde 1] herhaald.

(2.5) In een e-mail van 14 mei 2009 aan [geïntimeerde 1] laat [appellant] weten dat de jaarrekeningen van 2008 reeds in concept gereed zijn.

(2.6) In een brief van de Belastingdienst aan Dinudo van 26 mei 2009 schrijft de Belastingdienst onder meer over onjuiste aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen 2005, waarbij de Belastingdienst tot een afdrachtsverschil komt van € 8.507,-- in vergelijking met de ingezonden loonbelastingkaarten. De Belastingdienst geeft daarbij de gelegenheid tot 26 juni 2009 om te reageren.

(2.7) Op 18 mei 2009 heeft op kantoor van [appellant] een overdrachtbespreking plaatsgevonden (hierna: de overdrachtsbespreking) waarbij in ieder geval aanwezig waren, [appellant], [geïntimeerde 1] en [X]. Hierbij is afgesproken dat [appellant] de werkzaamheden tot en met maart 2009 zou verrichten en dat [X] (van PiF) de werkzaamheden vanaf 1 april 2009 zou overnemen. In een e-mail van 28 mei 2009 aan [appellant] heeft [X] de afspraken als volgt vastgelegd:

'U heeft toegezegd om [geïntimeerde 1] uiterlijk vrijdag 22 mei 2009 de volgende gegevens aan te leveren:

1) Bewijs van versturen en ontvangst van de Belastingdienst inzake de aangifte inkomstenbelasting 2005 van de heer en mevrouw [geïntimeerde 1 en 2];

2) Kopie van de door u ingediende aangifte inkomstenbelasting 2006 en 2007 van de heer en [geïntimeerde 1], plus bewijsstukken van ontvangst door de Belastingdienst,

3) Kopie aangifte vennootschapsbelasting 2005, 2006 en 2007 van Dinudo Holding B.V.;

4) Kopie aangifte vennootschapsbelasting 2005, 2006 en 2007 van Secretarion B.V;

5) Concept-jaarstukken 2008 van Dinudo Holding B.V.;

6) Concept-jaarstukken 2008 van Secretarion B.V.;

Helaas zijn de door u toegezegde gegevens tot op heden niet ontvangen.(...)

[geïntimeerde 1] stelt u derhalve bij deze nogmaals in de gelegenheid om de afgesproken gegevens per omgaande, doch uiterlijk morgen aan te leveren.

Mochten de gegevens onverhoopt niet tijdig ontvangen worden overweegt [geïntimeerde 1] deze gegevens opnieuw te laten samenstellen.

U kunt zich voorstellen dat deze dubbele kosten voor uw rekening zullen komen.'

(....).

(2.8) Op 29 mei 2009 heeft [appellant] aan [X] bericht (zakelijk weergegeven), dat een datum voor het verstrekken van de gegevens niet concreet is afgesproken, terwijl hij aan [geïntimeerde 1] bovendien een groot deel van de stukken al in een eerder stadium heeft verzonden; dat het daarom onnodig en overbodig is om de cijfers opnieuw te vervaardigen. [appellant] vervolgt zijn e-mail met: 'Om misverstanden te voorkomen en om [geïntimeerde 1] tegemoet te komen, heb ik tijdens het gesprek toegezegd kopieën van reeds toegezonden stukken nogmaals toe te zenden. Zo snel als mogelijk is, worden genoemde stukken nogmaals aan [geïntimeerde 1] gezonden. De planning is volgende week.'

(2.9) Bij brief van 18 juni 2009 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan [appellant] bericht dat ondanks rappel de bij de overdrachtsbespreking genoemde stukken niet zijn ontvangen, zodat de heer [X] geen aanvang kan maken met zijn werkzaamheden voor de komende periode, terwijl anderzijds, zoals u bekend is, de Belastingdienst voor 26 juni 2009 bewijsstukken wil hebben ter zake van de loonaangiften 2005 van Dinudo, waaronder de samenstelling van de loonstroken. De brief bevat verder een termijn tot uiterlijk 22 juni 2009 voor toezending van deze stukken aan [X] plus een ingebrekestelling, waarbij [appellant] aansprakelijk wordt gesteld voor alle schade, inclusief de accountantskosten verband houdende met het (opnieuw) samenstellen van de benodigde stukken en de diverse contacten met de Belastingdienst tot het op die wijze verkrijgen van de benodigde informatie. Aan het slot van de brief is vermeld dat de brief zowel aangetekend als per fax zal worden verzonden.

(2.10) Op 3 augustus 2009 heeft de Belastingdienst aan Secretarion gevraagd om uiterlijk op 17 augustus 2009 inlichtingen te verstrekken en onderliggende stukken toe te sturen, verband houdende met de op 12 juli 2009 ingediende aangiften VpB 2005 en 2006 en de op 13 juli 2009 ontvangen aangiften VpB. De Belastingdienst heeft de aangiften 2005 en 2006 in behandeling genomen als bezwaar tegen eerder ambtshalve vastgestelde aanslagen

Daarnaast heeft de Belastingdienst om een toelichting gevraagd op de geconstateerde afwijkingen in de aangiften OB 2005 en 2006 en aangegeven dat hij de bezwaren tegen de bestuurlijke boetes 2005 en 2006 niet-ontvankelijk acht.

3. De rechtbank heeft [appellant] bij het thans bestreden vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot:

- betaling aan [geïntimeerde 1] van € 653,75

- betaling aan [geïntimeerde 2] van € 653,75

- betaling aan Secretarion van € 11.917,50

- betaling aan Dinudo van € 11.297,50

- het voorgaande vermeerderd met wettelijke handelsrente

- de proceskosten.

Genoemde bedragen betreffen kosten, die [X] van PiF volgens [geïntimeerden] heeft moeten maken en aan hen heeft berekend om al het 'broddelwerk' van [appellant] over te doen. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen (zie ook rechtsoverweging 5 van dit arrest).

4. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen:

(a) De stelling van [appellant] dat hij de brief en fax van 18 juni 2009 niet heeft ontvangen dient voor zijn risico te blijven.

(b) De brief van 18 juni 2009 voldoet aan de vereisten voor een ingebrekestelling.

(c) In het licht van de eerdere correspondentie had [appellant] met de brief van 18 juni 2009 moeten begrijpen dat hem niet alleen een schadeclaim door vertraagde toezending van de gevraagde stukken boven het hoofd hing, maar ook mogelijke schadeclaims wegens andere tekortkomingen in de werkzaamheden. Het verweer van [appellant] dat de in de brief van 18 juni 2009 gestelde termijn onredelijk is, wordt verworpen, nu gelet op voormelde correspondentie/e-mailwisseling en afspraken ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om de stukken over te leggen.

(d) [appellant] is toerekenbaar tekort gekomen. Hij is in verzuim geraakt door niet tijdig en adequaat te voldoen aan herhaalde verzoeken om stukken. [appellant] heeft bovendien zelf erkend dat hij in meer dan een opzicht steken heeft laten vallen en heeft tegen [geïntimeerden] gezegd dat hij aangiften en bezwaarschriften bij de Belastingdienst heeft ingediend, terwijl hij deze ten onrechte niet heeft gedocumenteerd.

(e) [geïntimeerden] hebben in redelijkheid in augustus 2009 aan PiF ([X]) opdracht gegeven de werkzaamheden van [appellant] over te doen, (i) gelet op de omstandigheid dat [appellant] de gevraagde benodigde stukken niet verschafte, (ii) gelet op de opheldering die de Belastingdienst wenste en (iii) gelet op de gebleken ondeugdelijkheid van de door [appellant] over 2005 geproduceerde stukken, te weten aangifte IB van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (de Belastingdienst heeft ambtshalve aanslagen ter zake opgelegd), de aangifte VpB ([appellant] heeft abusievelijk de commerciële jaarcijfers in plaats van de fiscale jaarcijfers hierin verwerkt), en de aangifte loonbelasting van Dinudo, die niet naar behoren is afgewikkeld.

Onder deze omstandigheden kon van [geïntimeerden] niet langer gevergd worden dat zij de tekortkomingen door [appellant] zouden laten herstellen, ook al was bij de overdrachtsbespreking afgesproken dat [appellant] de werkzaamheden tot en met 31 maart 2009 zou afronden. Nu het tarief van PiF tot de middenmoot in de branche hoorde zijn [geïntimeerden] in redelijkheid tot hun besluit gekomen de opdracht aan PiF te geven om de werkzaamheden van [appellant] vanaf 2005 over te doen.

5. De rechtbank heeft de vordering afgewezen, voor zover het de gevorderde verzuimboetes betreft, de pm-posten, de gevorderde buitengerechtelijke kosten en het 'meerdere' aan geclaimde kosten van [X]. Nu [geïntimeerden] over deze afwijzingen niet hebben geklaagd, zijn deze posten in hoger beroep niet aan de orde.

6. [appellant] heeft zes grieven tegen de toewijzende beslissing van de rechtbank en de motivering ervan aangevoerd. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof oordeelt als volgt.

Beoordeling van grief 1

7. De strekking van deze grief is dat [appellant] zich thans in hoger beroep op zijn algemene voorwaarden beroept. Naar het hof begrijpt gaat het hierbij thans nog om het exoneratiebeding waarbij aansprakelijkheid wordt beperkt tot het honorarium dat [appellant] in rekening heeft gebracht (hierna ook: de exoneratie). [appellant] stelt dat zijn algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten met Secretarion en Dinudo. Hij verwijst daartoe naar de, zonder opmerkingen aanvaarde, passage in de twee contracten van 12 januari 2005 (zie rechtsoverweging 2.2), waarbij de algemene voorwaarden, met verwijzing naar de bijlage daarbij, van toepassing zijn verklaard.

[geïntimeerden] hebben zich verweerd en primair aangevoerd dat het gaat om kernbedingen in de zin van artikel 6:231, sub a, BW, die niet kunnen worden uitgesloten. Subsidiair stellen ze dat de relevante algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld in de zin van artikel 6: 233 sub b BW. Meer subsidiair wijzen ze op de ernst van de fouten van [appellant], waarbij exoneratie voor de gevolgen daarvan in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

8. Het hof stelt voorop dat de betreffende exoneratie, zoals [appellant] ook bij pleidooi heeft bevestigd, slechts betrekking heeft op de in 2005 gesloten overeenkomsten met Secretarion en Dinudo (hierna tezamen: Secretarion c.s.). De afspraken uit 2001 met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vallen hier dus buiten.

9. De desbetreffende passage in de beide contracten uit 2005 betreft een aanbod van [appellant] tot het gebruik van zijn algemene voorwaarden. [appellant] mocht erop vertrouwen dat dit aanbod door Secretarion en Dinudo was aanvaard, nu hierop door Secretarion en Dinudo niet afwijzend is gereageerd. Dit betekent dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van de betreffende overeenkomsten. Dit op zich is ook niet betwist door [geïntimeerden]. Nu de exoneratie voorts slechts een aansprakelijkheidsbeperking inhoudt, vormt dit geen uitsluiting van een kernbeding in de zin van artikel 6:231, sub a, BW. Het primaire verweer wordt verworpen.

10. De stelling van Secretarion c.s. dat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld is onvoldoende onderbouwd. Niet alleen wordt in de beide, getekende, contracten verwezen naar de bijlage waar de algemene voorwaarden te vinden zijn, maar bovendien hebben Secretarion c.s. bij pleidooi erkend dat zij een exemplaar van de algemene voorwaarden hebben ontvangen en in hun bezit hebben. Zij hebben slechts betoogd dat dit niet de goede algemene voorwaarden kunnen zijn, nu deze dateren van 2003; dus van een later moment dan de overeenkomst met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] uit 2001. Dit betoog berust op de misvatting dat [appellant] ook een exoneratie claimt ten aanzien van laatstgenoemde overeenkomst, zodat dit betoog reeds hierom wordt verworpen. Voor de volledigheid wordt nog het volgende opgemerkt. Zelfs al zou er sprake zijn van verschillende algemene voorwaarden, dan nog is er geen enkele aanwijzing dat [appellant] daarin verschillende aansprakelijkheidsbeperkingen hanteert (heeft gehanteerd). In ieder geval hebben Secretarion c.s. bij pleidooi desgevraagd niet kunnen aangeven wat hun exemplaar van de algemene voorwaarden hieromtrent (anders) bevat.

Het hof gaat er dus vanuit dat Secretarion c.s. een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen in de zin van artikel 6:233 sub b BW juncto artikel 6: 234 BW. Het subsidiaire verweer van Secretarion c.s. wordt verworpen. Dit betekent dat [appellant] in beginsel een beroep kan doen op de overeengekomen exoneratie.

Het hof verwerpt ook het meer subsidiaire verweer, zoals hierna in rechtsoverweging 15 zal worden toegelicht. Grief 1 slaagt.

Beoordeling van de grieven 2 en 3

11. Deze grieven bevatten als klachten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar tekort is gekomen jegens [geïntimeerden] en dat hij in verzuim is geraakt. Volgens [appellant] bestond er voor hem geen verplichting om aan de oproep tot toezending van stukken te voldoen. Hij was bovendien niet op de hoogte van de precieze vragen en kritiekpunten van de Belastingdienst. De brief van 18 juni 2009 heeft hij niet ontvangen, hetgeen [geïntimeerden] wisten. Deze brief vormt daarom geen deugdelijke ingebrekestelling. Ten onrechte heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat van [geïntimeerden] niet langer kon worden gevergd dat zij voor herstel [appellant] zouden inschakelen.

12. Deze grieven falen. Vast staat dat [appellant] in het verleden en ook na de overdrachtsbespreking van 18 mei 2009 toegezegde stukken niet, althans niet tijdig heeft verstrekt (zie onder meer rechtsoverwegingen 2.3 en 2.8). [appellant] kan zich niet aan deze toezeggingen onttrekken door thans te stellen dat er voor hem geen verplichting tot toezending bestond. Dit geldt des te sterker met betrekking tot zijn toezegging bij de overdrachtsbespreking. [appellant] was immers gehouden tot ordentelijke overdracht van zaken aan zijn opvolger, hetgeen [appellant] ook erkent met zijn opmerking dat het in kringen van administratie- en accountantskantoren gebruikelijk is dat bij overgang naar een andere dienstverlener (in dit geval [X]) deze aansluit bij het verrichte werk van zijn voorganger. Om aansluiting te verkrijgen zullen in ieder geval relevante, door hem ([appellant]) toegezegde, stukken nodig en gewenst zijn (juist om misverstanden te voorkomen; zie rechtsoverweging 2.8 cursief deel).

13. Anders dan [appellant] stelt had de brief van 18 juni 2009 (zie rechtsoverweging 2.7) wel degelijk ingebrekestellende werking, nu vaststaat dat de brief aangetekend en naar het juiste adres is verzonden en bovendien dat de brief (tijdig) is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven (LJN: ZC2742, Hoge Raad 16-10-1998). Het hof sluit zich ter zake aan bij de overwegingen van de rechtbank in rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis en neemt deze over. De omstandigheid dat [appellant] naar zijn zeggen de aangetekende brief niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders nu dit voor zijn risico dient te blijven. In het verlengde hiervan komt het ook voor zijn risico dat hem de mededeling in die brief, dat de Belastingdienst voor 26 juni 2009 stukken wenste te verkrijgen, niet zou hebben bereikt. Tot slot kan [appellant] zijn ogen niet sluiten voor de langdurige periodes dat hij voor [geïntimeerden] niet, dan wel nauwelijks bereikbaar was voor gerechtvaardigde vragen, alsmede zijn eigen erkenning dat hij bij herhaling steken heeft laten vallen (zie rechtsoverweging 4.6 bestreden vonnis). Gelet op dit alles is [appellant] in verzuim geraakt. De rechtbank heeft in dit verband ook terecht, kennelijk met toepassing van artikel 6:248, tweede lid BW, geoordeeld dat is afgeweken van de afspraak dat PiF uitsluitend de lopende werkzaamheden vanaf 1 april 2009 zou overnemen en dat [appellant] de werkzaamheden tot en met 31 maart zou afronden, en wel op de in rechtsoverweging 4.8 en 4.9 van het bestreden vonnis gegeven gronden. Daarbij verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer van [geïntimeerden] gevergd kon worden dat zij de tekortkomingen door [appellant] zou laten herstellen. 'De maat was vol'.

14. Uit het voorgaande vloeit voort dat [appellant] wanprestatie heeft gepleegd jegens [geïntimeerden] en in beginsel gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.

Beoordeling van de grieven 4 en 5

15. De grieven 4 en 5 betreffen de omvang van de schadevergoedingsverplichting. In rechtsoverweging 10 is reeds overwogen dat de algemene voorwaarden van [appellant] van toepassing zijn op de overeenkomsten met Secretarion en Dinudo en dat [appellant] in beginsel een beroep toekomt op de daarin opgenomen exoneratie. Dit zou anders kunnen zijn ingeval van opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar [appellant]. Secretarion c.s. stellen dat hiervan sprake is, nu [appellant] de aangiften ten onrechte naar het antwoordnummer van de Belastingdienst heeft gestuurd, met het kennelijke doel postzegels uit te sparen onder veronachtzaming van de gerechtvaardigde belangen van Secretarion c.s., en door het niet-toezenden van de door [X] gevraagde gegevens. Deze gestelde omstandigheden, wat hier ook van zij, vormen een gebrek aan accuratesse maar zijn niet van dien aard dat deze opzet of bewuste roekeloosheid opleveren. Dit betekent dat de aansprakelijkheid van [appellant] ten aanzien van Secretarion c.s. beperkt is tot het factuurbedrag over de betreffende periode.

16. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof maximaal de volgende bedragen bij zijn beoordeling zal betrekken:

(i) en (ii) ten aanzien van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]: 2x € 653,75 = tezamen € 1.307,50. (Op deze vorderingen is de exoneratie van [appellant] niet van toepassing. Wél geldt als uitgangspunt de hoogte van de door de rechtbank toegewezen bedragen, nu tegen de afwijzing van het meerdere geen grieven zijn gericht. Het hof komt daarom aan de beoordeling van het meerdere niet toe).

(iii) ten aanzien van Secretarion: € 3.580,00 (de hoogte van het in rekening gebrachte honorarium).

(iv) ten aanzien van Dinudo: € 1.980,-- (de hoogte van het in rekening gebrachte honorarium).

17. Het hof heeft reeds overwogen (rechtsoverweging 13) dat van [geïntimeerden] niet meer kon worden gevergd dat zij de tekortkomingen door [appellant] zouden laten herstellen. [geïntimeerden] mochten dus een andere financiële deskundige inschakelen en de kosten daarvan bij [appellant] neerleggen, zij het dat volledige doorberekening op basis van het tarief van een (duurdere en kwalitatief betere) accountant niet steeds is aangewezen. Het hof zal hierna de diverse posten bespreken.

18. Vorderingen (i) en (ii) zijn opgebouwd uit de volgende posten:

- Beoordeling aangiften 2005 tot en met 2007 € 492,50

- Verzorgen aangifte IB 2008 € 315,--

- Daadwerkelijke indiening van de aangiften € 500,--

Totaal: € 1.307,50

Volgens [appellant] was geen opdracht verstrekt over 2006, terwijl hem geen stukken ter hand waren gesteld over 2008, zodat er geen grondslag is voor een schadevergoedingsactie over deze jaren. Daarnaast ontbreekt het causaal verband en was het niet nodig geweest een accountant in te schakelen, aldus nog steeds [appellant].

19. Hieromtrent wordt als volgt geoordeeld. Vast staat dat vanaf 2005 (kennelijk niet daarvóór toen er nog geen sprake was van de complicatie van de twee in 2005 opgerichte BV's) ernstige klachten ontstonden over de werkzaamheden van [appellant], waarbij de Belastingdienst nota bene over 2005 ambtshalve aanslagen heeft opgelegd, kennelijk omdat de aangiften aldaar niet bekend waren. De bewijskracht van het door [appellant] zelf vervaardigd 'Query-Overzicht' d.d. 18-1-2010 met betrekking tot de indiening van de aangiften 2005 en 2007 vormt geen bewijs voor tijdige indiening van de betreffende aangiften, nu dit niet is voorzien van een door de Belastingdienst verstrekte ontvangstbevestiging. Aan dit 'Query-overzicht' zal daarom voorbij worden gegaan. Verder deugdelijk bewijs terzake heeft [appellant] niet aangeboden. De stelling van [appellant] dat in die periode bij de Belastingdienst de administratie niet op orde was, is in dit verband te vaag en ontoereikend.

Onder deze omstandigheden hebben de heer en [geïntimeerde 1] in redelijkheid de aangiften 2005 en 2007 opnieuw, thans door een accountant, kunnen laten beoordelen. De aangifte 2006 heeft de rechtbank - in hoger beroep onweersproken - buiten beschouwing gelaten (zie rechtsoverweging 4.11 bestreden vonnis), zodat er thans geen grond is om 2006 via de 'hernieuwde beoordeling' als schadevergoeding te claimen. Het bedrag van € 492,50 zal daarom met 1/3 worden verminderd, zodat daarvan (afgerond) een bedrag van € 330,-- resteert. Voor vergoeding van de aangifte IB 2008 op basis van het tarief van een accountant wordt geen grond gezien. In redelijkheid en billijkheid zal het hof hiervoor een bedrag van € 200,-- toekennen. Voor het indienen van de aangiften wordt in lijn met het voorgaande een bedrag van € 250,-- redelijk geacht. Het hof zal dus een bedrag van € 780,-- toekennen aan schadevergoeding met betrekking tot de posten (i) en (ii) (per post een bedrag van € 390,--).

20. Ten aanzien van de posten (iii) en (iv) wordt als volgt geoordeeld. De rechtbank heeft het bedrag aan declaraties van [X] toegewezen, en wel tezamen tot een bedrag van

€ 23.215,--. Gelet echter op de in hoger beroep geaccepteerde exoneratie van [appellant] is van deze vordering maximaal een bedrag van € 5.560,-- (€ 3.580,00 plus

€ 1.980,--) aan de orde. Het hof zal dit aldus gemaximeerde bedrag toewijzen. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met voormelde aspecten en de aard van de benodigde (herstel)werkzaamheden, waarbij in redelijkheid en billijkheid de accountantskosten als schade zijn aan te merken, en wel tenminste tot de honoraria die [appellant] in rekening heeft gebracht. De grieven 4 en 5 slagen gedeeltelijk.

Beoordeling van grief 6

21. Deze grief betreft de door [appellant] gestelde schending van de artikelen 21 en 111 lid 3 Rv. [appellant] heeft geen belang bij deze grief, nu het hoger beroep mede dient ter herstel van eventuele verzuimen. Het hof zal deze grief daarom niet inhoudelijk bespreken.

Slotsom

22. Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerden] gaat het hof voorbij, nu dit gelet op het voorgaande niet ter zake dienend is, dan wel niet voldoende gespecificeerd is.

23. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd ten aanzien van de schadeomvang. Voor het overige dient het vonnis in stand te blijven, ook ten aanzien van de proceskostenveroordeling. Met het beroep van [appellant] op zijn exoneratieclausule heeft de rechtbank immers geen rekening kunnen houden, nu dit beroep pas in hoger beroep is gedaan. In zoverre is [appellant] in eerste aanleg terecht als de in het ongelijk gestelde partij aangemerkt. Om misverstanden te voorkomen zal het hof het hele vonnis vernietigen en opnieuw beslissen als na te melden. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd, aangezien partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde 1] van een bedrag van € 390,--, vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 11 september 2009 tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde 2] van een bedrag van € 390,--, vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 11 september 2009 tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan Secretarion van een bedrag van € 3.580,--, vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 11 september 2009 tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan Dinudo van een bedrag van € 1.980,--, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 609,88 vanaf 4 september 2009 en over een bedrag van € 1.370,12 vanaf 11 september 2009 tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op 20 april 2011 begroot op € 755,89 aan verschotten en € 1.158,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep zal dragen;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Fasseur-van Santen, M.A.F. Tan-de Sonnaville en J.E.H.M. Pinckaers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2013 in aanwezigheid van de griffier.