Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:604

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
200.075.067-01 EB
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap. Vervolg op GHSGR:2012:4353

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 172
Burgerlijk Wetboek Boek 3 166
Burgerlijk Wetboek Boek 3 179
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 januari 2013

Zaaknummer : 200.075.067/01

Rekestnummer rechtbank : 327699+356660

[appellante]

wonende te[woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D. Akdemir te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk.

HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof heeft op 7 november 2012 een tussenbeschikking gegeven. In rechtsoverweging 17 van deze beschikking heeft het hof overwogen dat de toen voorliggende stukken ontoereikend waren voor het hof om een beslissing te kunnen geven met betrekking tot de verdeling van de gehele huwelijksgemeenschap van partijen. Partijen hebben – in het bijzonder door de door ieder van hen opgestelde en van elkaar afwijkende boedelbeschrijvingen - wisselende standpunten ingenomen omtrent de omvang, samenstelling van de gemeenschap, alsmede de waarde van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Voorts was het hof gebleken dat een bedrag aan schulden in de verdeling diende te worden betrokken over de hoogte waarvan partijen geen overeenstemming konden bereiken. Voorts twisten partijen over een door de vrouw gestelde vergoedingsvordering jegens de gemeenschap.

Om tot een zorgvuldige en volledige verdeling te kunnen komen van de voormalige huwelijksgemeenschap van partijen heeft het hof een deskundige benoemd zijnde een notaris met de opdracht om een boedelbeschrijving te maken van de voormalige huwelijks-gemeenschap. De deskundige is de vrijheid gegeven te onderzoeken of een onderlinge regeling tot de mogelijkheden behoort.

Bij brief van 23 november 2012 heeft de advocaat van de vrouw aan het hof meegedeeld dat haar cliënte niet in staat is om het voorschot ten behoeve van de deskundige te betalen. Voorts heeft zij namens haar cliënte verzocht om een andere deskundige te benoemen aangezien de als deskundige benoemde notaris al betrokken is geweest bij de afwikkeling van de boedel van partijen.

Bij brief van 6 december 2012 heeft de advocaat van de man aan het hof meegedeeld dat zijn cliënt niet in staat is het voorschot ten behoeve van de notaris/deskundige te betalen. Tevens heeft de advocaat gevraagd of het feit dat geen van beide partijen in staat is het voorschot te voldoen van invloed is op de procedure.

Partijen zijn vervolgens schriftelijk door het hof ingelicht dat het hof, nu de benoeming van een deskundige niet mogelijk is, een eindbeslissing zal geven op basis van de gewisselde stukken.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

De verdeling van de gemeenschap

Algemeen

1.

Indien de rechter op basis van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vast stelt heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid. De rechter is niet gebonden aan de voorstellen die partijen hebben gedaan in het kader van de verdeling. De rechter dient naar redelijkheid en billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen.

2.

Artikel 3:179 lid 1 BW bepaalt – bij wege van hoofdregel – dat indien verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, ieder der deelgenoten kan verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen, maar laat een uitzondering op de regel toe, indien er gewichtige redenen zijn voor een gedeeltelijke verdeling.

3.

In het onderhavige geval kunnen partijen niet tot een verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geraken vanwege diverse verdelingsgeschillen.

4.

Tussen partijen bestaat met betrekking tot een aantal goederen en schulden geschil van mening of en zo ja voor welke waarde/bedrag die in de verdeling moeten worden betrokken.

5.

Indien er naar het oordeel van het hof echter een te grote onzekerheid bestaat of een goed of een schuld tot de gemeenschap behoort, zal het hof dat goed of die schuld niet in de verdeling kunnen betrekken. De onzekerheid omtrent het bestaan van een goed vormt een gewichtige reden om op de voet van art.4:179 BW een gedeeltelijke (wijze van) verdeling vast te stellen. Bovendien kan - indien achteraf komt vast te staan dat een goed ten onrechte niet in de verdeling is betrokken - dat goed ook nadien als overgeslagen goed zonodig alsnog in de verdeling worden betrokken. In het hierna volgende zal het hof met inachtneming van het vorenstaande de (wijze van) verdeling vaststellen voor zover zekerheid bestaat over de omvang, samenstelling en de waarde van de in de verdeling te betrekken ontbonden huwelijksgemeenschap.

6.

Tijdens de mondelinge behandeling van 22 juli 2011 is al aan de advocaten van partijen voorgehouden dat een schuld geen goed is en derhalve niet kan worden verdeeld.

7.

Indien partijen wensen dat een van hen extern niet meer als contractspartij/schuldenaar wordt aangemerkt, is daarvoor de medewerking nodig van de wederpartij/crediteur.

8.

Met betrekking tot gemeenschapsschulden is de hoofdregel dat beide partijen, ieder voor de helft draagplichtig zijn.

9.

In het kader van de draagplicht voor schulden is dan ook relevant dat wordt vast gesteld of er sprake is van:

a) een gemeenschapsschuld; of

b) een privéschuld van één der partijen.

10.

Naar het oordeel van het hof brengt een goede procesorde met zich mede dat partijen in hun processtukken duidelijk aangeven of er sprake is van een gemeenschapsschuld of een privé schuld en voorts dienen zij duidelijk aan te geven waar het hof het bewijs van hun stellingen kan vinden. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de (financiële) gegevens ontoereikend zijn om te kunnen vaststellen of de volgens een partij in de verdeling te betrekken schuld een gemeenschapsschuld is, hetgeen voor rekening en risico komt van partijen.

Motiveringsgebrek

11.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 22 juli 2011 volgt dat de vrouw haar grief met betrekking tot de motivering van de bestreden beschikking heeft ingetrokken.

Echtelijke woning

12.

In de tweede grief stelt de vrouw dat zij door toedoen van de man te veel hypotheekrente heeft betaald. Het betreft een bedrag van ongeveer € 1.000,-. In de visie van de vrouw was de man niet bereid om in te gaan op een voorstel van de bank tot verlaging van de hypotheekrente.

13.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De man heeft onder meer aangevoerd:

  • -

    de overdracht van de echtelijke woning had al plaats kunnen vinden op 8 juli 2010;

  • -

    het is aan de vrouw zelf te wijten dat zij langer hypotheekrente heeft moeten betalen;

  • -

    er was voor de vrouw geen enkele noodzaak om de bestaande hypotheek over te sluiten nu de echtelijke woning verkocht zou worden.

14.

Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 3: 172 BW volgt dat deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijk goed oplevert delen, en dat zij in dezelfde evenredigheid moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de – thans ontbonden - gemeenschap zijn verricht.

15.

Artikel 3:166 lid 3 BW bepaalt dat de rechtsrelatie tussen de deelgenoten in een onverdeelde gemeenschap mede wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. Gezien het feit dat er sprake is van een onverdeelde huwelijksgemeenschap en er het voornemen bestond om de woning te verkopen kon naar het oordeel van het hof van de man in redelijkheid niet worden verlangd dat hij zijn medewerking zou verlenen aan het oversluiten van de hypothecaire geldlening. De grief van de vrouw treft geen doel.

Echtelijke woning & gebruiksvergoeding.

16.

In zijn incidentele appel vordert de man van de vrouw een gebruiksvergoeding met betrekking tot de voormalige echtelijke woning. De man wenst een vergoeding te verkrijgen vanaf de datum van de echtscheiding (14 oktober 2009) tot aan de datum van het notariële transport van de woning. De man heeft in zijn toelichting op de grief gesteld dat de vrouw alles in het werk heeft gesteld om maar niet tot verkoop en levering van de echtelijke woning over te gaan. Indien de woning eerder was verkocht had de man eerder over de overwaarde kunnen beschikken. De overwaarde heeft de man berekend op een bedrag van € 5.346,08. Uitgaande van een percentage van 4% en 440 dagen komt de man uit op een vergoeding van € 739,98.

17.

In punt 32 van zijn verweerschrift tevens incidenteel appel stelt de man dat hij onder dwang een bedrag van € 750,- aan de vrouw heeft betaald. De man heeft het bedrag aan de vrouw betaald om haar te bewegen om mede te werken aan de verkoop van de echtelijke woning.

18.

Door de vrouw is mondeling verweer gevoerd. Namens de vrouw is ter zitting van 22 juli 2011 aangevoerd:

” Het bedrag van € 750,- was afgesproken. De vrouw wilde wel degelijk meewerken aan verkoop van de woning. Zij had echter geen andere woning en zij had de zorg voor het kind van partijen. Dat was niet gemakkelijk voor haar. Ook de koper kon het eerst financieel niet rond krijgen.”

19.

Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking heeft de vrouw niet op basis van artikel 1:165 BW het uitsluitend gebruik verkregen van de echtelijke woning. Als deelgenoten in de ontbonden huwelijksgemeenschap hadden beide partijen gelijke rechten met betrekking tot de voormalige echtelijke woning. In het onderhavige geval had de vrouw tezamen met het kind van partijen het feitelijk gebruik van de voormalige echtelijke woning. Vast staat dat er slechts sprake is van een geringe overwaarde van de woning en vast staat dat de woning inmiddels is verkocht. Dat de vrouw niet met het eerste voorstel tot verkoop akkoord is gegaan, kan niet aangemerkt worden als een traineren van de verkoop. De vrouw heeft er als deelgenoot in de onverdeelde boedel ook een te respecteren en redelijk belang bij dat de woning tegen de hoogst mogelijk prijs wordt verkocht. Dit in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden niet redelijk en billijk is indien de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding moet betalen.

20.

Met betrekking tot het bedrag van € 750,- dat de man aan de vrouw in het kader van de verkoop van het huis heeft betaald, is het hof van oordeel dat niet sprake is van een betaling onder dwang. De man werd in de onderhandelingen bijgestaan door een advocaat en het stond hem volledig vrij om in te gaan op de voorwaarden van de vrouw. De grief faalt.

Levensverzekering [bank A]

21.

In grief 3 stelt de vrouw dat de polis bij [bank A] onder nummer [bankrekeningnummer 1] een risico verzekering is en dat de waarde van die polis nihil is. De vrouw wenst dat het hof de waarde van de polis, die op haar naam staat, op nihil stelt.

22.

Door de man wordt erkend dat er sprake is van een risicoverzekering zonder waarde en dat de polis op naam van de vrouw is gesteld.

23.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stellingen van partijen volgt dat zij het met elkaar eens zijn dat aan de polis geen waarde kan worden toegekend. Voorts is onbestreden dat de polis al op naam is gesteld van de vrouw. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen belang meer bij deze grief.

Bankrekeningen

24.

De vrouw stelt in grief 4 dat de rechtbank heeft nagelaten de verdeling van de bankrekeningen van de vrouw alsmede een gemeenschappelijke rekening van partijen vast te stellen.

25.

In punt 16 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de waarde niet heeft bepaald aan de hand van andere data dan de peildata. Het hof begrijpt dat de vrouw bedoelt de hoogte van de banksaldi.

26.

In punt 18 stelt de vrouw dat het hof de verdeling van de navolgende bankrekeningen dient vast te stellen:

 [bank B] [bankrekeningnummer 2] ten name van de vrouw

  • -

    [bank C] [bankrekeningnummer 3] ten name van de vrouw

  • -

    [bank A] [bankrekeningnummer 4], gemeenschappelijke bankrekening

27.

Uit punt 11 van het verweerschrift volgt dat de man ook vindt dat de rechtbank de bankrekeningen van de vrouw en de gemeenschappelijke bankrekening niet heeft verdeeld.

28.

De man stelt zich op het standpunt dat ieder der partijen de op eigen naam gestelde rekeningen zonder nadere verrekening behoudt en de vrouw de rekening gesteld op gezamenlijke naam met nummer [bankrekeningnummer 4] krijgt toegedeeld, eveneens zonder verrekening.

29.

Voorts stelt de man dat indien het hof van oordeel is dat de saldi op de betreffende rekeningen moeten worden verdeeld, uitgegaan moet worden van de saldi per september 2008.

30.

Het hof overweegt als volgt. Een bankrekening impliceert dat er een contractuele verhouding is tussen partijen en een bankinstelling. Op basis van deze contractuele verhouding kunnen partijen beschikken over de vordering die zij hebben op de bank. De vordering op de bank is een goed en dit goed kan in de verdeling worden betrokken.

31.

Als de bankrekening een debetstand vertoont, is er sprake van een schuld. Een schuld is geen goed en kan dus niet worden verdeeld. Voor schulden is relevant om vast te stellen wie van de partijen draagplichtig is. Bij een debetstand is ieder van partijen voor de helft draagplichtig.

32.

Partijen zijn het er over eens dat de saldi van de bankrekeningen die op naam van de vrouw waren gesteld en de gemeenschappelijke bankrekening niet zijn verdeeld.

33.

Uit de gewisselde stukken volgt dat partijen een peildatum voor de omvang en de waarde zijn overeengekomen van 14 oktober 2009, zijnde de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Gezien het feit dat partijen deze peildatum – zowel wat omvang als waarde betreft - met elkaar zijn overeengekomen ziet het hof geen aanleiding om voor de hoogte van de banksaldi uit te gaan van de datum dat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Naar het oordeel van het hof heeft de man geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan hij niet meer gebonden kan worden gehouden aan de met de vrouw ter zake gemaakte afspraken.

34.

Nu vast staat dat er nog enkele banksaldi niet zijn verdeeld zal het hof de verdeling van de bankrekeningen vaststellen. Het hof zal aan de vrouw toe delen:

  • -

    de op haar naam staande bankrekeningen met saldo per 14 oktober 2009, onder gehoudenheid van de vrouw om de helft van die saldi aan de man uit te keren;

  • -

    de gemeenschappelijke bankrekening nr. [bankrekeningnummer 4] met saldo per 14 oktober 2009, onder gehoudenheid van de van de vrouw om de helft van dit saldo aan de man uit te keren.

Schulden van partijen

35.

In grief 5 heeft de vrouw gesteld dat de rechtbank heeft nagelaten de verdeling van de schulden van partijen vast te stellen.

36.

In punt 21 heeft de vrouw de navolgende schulden als gemeenschapsschulden opgesomd:

1) Laser Lafayette € 43.000,00

2. Mastercard Bijenkorf € 2.884,58

3. Mastercard ABN AMRO € 2.582,19

4. Van Onkelen € 15.000,00

5. DSB € 24.002,62

6. NvF € 31.180,42

7. Visa € 5.639,95

8. Den Hartig PM

37.

De man stelt in punt 14 van zijn verweerschrift dat het correct is dat de rechtbank heeft nagelaten de verdeling van de schulden van partijen vast te stellen. Voorts heeft de man gesteld dat de schuld aan Van Onkelen hem niet bekend is en dat hij onbekend is met de schulden aan Mastercard Bijenkorf en Mastercard ABN AMRO.

38.

De man is van mening dat schulden aan de Mastercard Bijenkorf en Mastercard ABN AMRO niet in de gemeenschap van goederen vallen aangezien deze schulden zijn aangegaan na het feitelijk beëindigen van de samenwoning en derhalve niet aan de gemeenschap dan wel de man ten goede zijn gekomen.

39.

In punt 18 van zijn verweerschrift stelt de man dat op de peildatum de schuld aan de DSB bedroeg € 24.002,62. Als gevolg van termijnbetalingen van de man bedroeg de schuld ten tijde van de aflossing nog slechts € 21.963,23. De man is van mening dat de vrouw aan hem moet betalen een bedrag van € 1.020,-.

40.

Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen kunnen schulden niet worden verdeeld.

41.

Voor de bepaling van de omvang van de schulden die in de verdeling dienen te worden betrokken is relevant welke schulden op de peildatum van 14 oktober 2009 bestaan. Voorts is van belang om vast te stellen of er sprake is van een privéschuld of een gemeenschapsschuld. Tot slot is relevant om vast te stellen of er feiten en omstandigheden zijn gesteld die rechtvaardigen dat met betrekking tot de draagplicht afgeweken dient te worden van de draagplicht bij helfte.

42.

In punt 16 van zijn verweerschrift stelt de man dat hij een drietal schulden niet kent. Uit de door de man in het geding gebracht stukken volgt dat de schulden aan Van Onkelen, Mastercard Bijenkorf en Mastercard ABN AMRO zijn ontstaan voor de peildatum van 14 oktober 2009 en derhalve gemeenschapsschulden zijn. De stelling van de man dat deze schulden alleen door de vrouw moeten worden gedragen aangezien deze aan haar zijde zijn opgekomen na het feitelijk uit een gaan van partijen is naar het oordeel van het hof onvoldoende om af te wijken van het wettelijk stelsel waarbij partijen in beginsel gelijk draagplichtig zijn voor de gemeenschapsschulden.

43.

Gezien het hof hiervoor - in het bijzonder onder 40 - heeft overwogen treft de grief van de vrouw geen doel.

Nalatenschap vader van de vrouw

44.

De vrouw is van mening dat de man geen recht heeft op een deel van de nalatenschap van haar vader, omdat de man aan de ouders van de vrouw heeft toegezegd dat hij geen aanspraak zou maken op hun erfenissen. Voorts stelt de vrouw dat er van de nalatenschap niets over is, omdat het goed is uitgegeven.

45.

Door de man is gesteld dat aan de erfstelling van haar vader aan de vrouw geen uitsluitingsclausule is verbonden en dat hij niet van de nalatenschap heeft afgezien.

46.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw haar erfdeel uit de nalatenschap van haar vader niet onder een uitsluitingsclausule heeft ontvangen. Gezien vorenstaand feit valt dat erfdeel in de voormalige huwelijksgemeenschap. Door de man is bestreden dat hij heeft afgezien van de nalatenschap van de vader van de vrouw. Over een niet opengevallen nalatenschap kan echter geen overeenkomst worden gesloten en een dergelijke overeenkomst is nietig.

47.

Relevant is in het kader van de verdeling of de erfenis op de peildatum nog aanwezig is.

48.

Door de vrouw is gesteld dat deze is verteerd. Op de man, die aanspraak maakt op de helft, rust dan de bewijslast om aan te tonen dat op de peildatum de erfenis nog aanwezig is. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aangetoond dat de erfenis uit de nalatenschap van de vader van de vrouw nog aanwezig is. Gezien de enorme schuldenlast van partijen acht het hof bovendien de stelling van de vrouw aannemelijk dat de (gelden uit de) erfenis voor de peildatum is vervlogen. De grief van de vrouw treft doel.

Successierecht nalatenschap moeder van de vrouw

49.

De vrouw is het er niet mee eens dat zij in verband met het successierecht met betrekking tot de nalatenschap van haar moeder aan de man een bedrag moet betalen van (de helft van het betaalde successierecht ten bedrage van) € 3.694,50. Ondanks het feit dat zij de nalatenschap onder uitsluitingsclausule heeft verkregen is een deel van de nalatenschap besteed aan het huishouden van partijen, aldus de vrouw.

50.

Door de man is bestreden dat de nalatenschap van de vrouw is gebruikt ten tijde van het huwelijk.

51.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw haar erfdeel uit de nalatenschap van haar moeder heeft verkregen onder een uitsluitingsclausule. Het door deze erfrechtelijke verkrijging verschuldigde – toen nog – successierecht is een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed en valt niet in de huwelijksgemeenschap. Indien het successierecht ten laste van de gemeenschap is voldaan, is de vrouw deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende rechtens relevante feiten gesteld op grond waarvan de vrouw niet verplicht zou zijn tot vergoeding van het door de gemeenschap betaalde successierecht. De grief treft geen doel.

Belastingschuld 2008 / Belastingschuld 2009

52.

De vrouw stelt in grief 8 dat de rechtbank ten onrechte niet in de verdeling heeft betrokken de belastingschuld 2009 of belastingteruggave 2009.

53.

In punt 31 stelt de vrouw dat de man ten onrechte niet aan haar heeft betaald de helft van de belastingteruggave van € 1.455,- met betrekking tot het jaar 2008.

54.

De man heeft gesteld dat hij vanaf 5 december 2008 in het kader van de voorlopige voorzieningen aan de vrouw kinderalimentatie betaald en voorts dat hij de hypotheekrente voor een deel van het jaar 2009 heeft voldaan.

55.

Het hof overweegt als volgt. Op basis van de door partijen verstrekte financiële gegevens kan het hof geen oordeel geven over de omvang van een eventuele belastingteruggave dan wel draagplicht met betrekking tot de (omvang van de) verschuldigde inkomstenbelasting over de periode van 1 januari 2009 tot 14 oktober 2009. Het hof heeft geen inzicht in de wijze waarop partijen zijn omgegaan met het fiscale partnerschap noch heeft het hof kunnen vaststellen op welke wijze de hypotheekrenteaftrek in de fiscale aangiften van partijen is meegenomen.

56.

Het hof kan niet vaststellen of de man de helft van de teruggave Inkomstenbelasting 2008 aan de vrouw verschuldigd is aangezien de man zich in de procedure eveneens op het standpunt heeft gesteld dat hij na het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap gemeenschapslasten heeft betaald die hij niet terugbetaald heeft gekregen van de vrouw. Ter zake zijn eveneens ontoereikende gegevens door partijen verschaft.

Conclusie

57.

De bestreden beschikking dient te worden vernietigd voor zover de vrouw aan de man een bedrag moet betalen van € 7.996,76 met betrekking tot de nalatenschap van haar vader.

58.

De bestreden beschikking moet worden aangevuld met betrekking tot de banksaldi die niet in de verdeling zijn betrokken. Aan de vrouw worden toegedeeld:

  • -

    de op haar naam staande bankrekeningen met saldo per 14 oktober 2009, onder gehoudenheid van de vrouw om de helft van die saldi aan de man uit te keren;

  • -

    de gemeenschappelijke bankrekening nr. [bankrekeningnummer 4] met saldo per 14 oktober 2009, onder gehoudenheid van de van de vrouw om de helft van dit saldo aan de man uit te keren.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van 2 juli 2010 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen voor zover de vrouw is veroordeeld om aan de man te betalen de somma van
€ 7.996,76 inzake de nalatenschap van de vader van de vrouw en, in zoverre opnieuw beschikkende;

wijst genoemde vordering van de man tot betaling van € 7.996,76 alsnog af;

beslist in aanvulling op de bestreden beslissing als volgt:

deelt aan de vrouw toe:

  • -

    de op haar naam staande bankrekeningen met saldo per 14 oktober 2009, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die saldi aan de man uit te keren;

  • -

    de gemeenschappelijke bankrekening nr. [bankrekeningnummer 4] met saldo per 14 oktober 2009, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van dit saldo aan de man uit te keren;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Labohm en Kamminga bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2013.