Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5407

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
22-004787-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer.

Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank heeft hier al rekening mee gehouden bij de strafoplegging. Verder constateert het hof dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn van twee jaren. Het hof volstaat met de constatering van de overschrijdingen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004787-10

Parketnummer: 09-925377-08

Datum uitspraak: 18 september 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 september 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 4 mei 2012 en 4 september 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de voorlopige hechtenis beslist als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 17 mei 2008 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Lekstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1], welk geweld ten aanzien van die [benadeelde partij 1] bestond uit het

- meerdere malen met een wapenstok, althans een hard voorwerp, slaan op het hoofd van die [benadeelde partij 1] en/of

- ( meerdere malen) duwen van die [benadeelde partij 1] en/of

- slaan en/of stompen op de neus, althans het gezicht, van die [benadeelde partij 1], waardoor die [benadeelde partij 1] op de grond viel en/of

- ( meerdere malen) met een wapenstok, althans een hard voorwerp, slaan op/tegen de rug en/of het lichaam van die [benadeelde partij 1] (terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag)

en/of

- ( meerdere malen) trappen/schoppen en/of slaan/stompen op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of

- met een groep, althans met meerdere personen, om die [benadeelde partij 1] heen gaan staan, waardoor die [benadeelde partij 1] niet kon gaan en staan waar ze wilde, waarbij zij, verdachte,

- die [benadeelde partij 1] op de neus heeft gestompt en/of geslagen en/of

- die [benadeelde partij 1] (meerdere malen) tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt en/of gestompt/geslagen,

en welk door haar gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 mei 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meerdere malen) met een wapenstok, althans een hard voorwerp, op/tegen de rug en/of het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen (terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op of omstreeks 17 mei 2008 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Lekstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen D. [benadeelde partij 2] welk geweld bestond uit het:

- met meerdere personen achterna rennen/achtervolgen van die [benadeelde partij 2] en/of

- tackelen/laten struikelen van die [benadeelde partij 2] en/of

- op/tegen het been van die [benadeelde partij 2] schoppen, waardoor die [benadeelde partij 2] op de grond viel/ten val kwam en/of

- met een spuitbus verf in het gezicht van die [benadeelde partij 2] spuiten en/of

- het meermalen, althans eenmaal, (met kracht) schoppen en/of trappen op/tegen (de linkerzijde van) het hoofd van die [benadeelde partij 2] (terwijl die [benadeelde partij 2] op de grond lag).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake feit 2

Bij vonnis van de rechtbank is, overeenkomstig het verzoek van de raadsvrouw en de officier van justitie, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake feit 2, nu eerder door de officier van justitie de toezegging aan de verdachte was gedaan dat het openbaar ministerie haar ter zake dit ten laste gelegde feit niet verder zou vervolgen. Het hof neemt deze beslissing over en zal derhalve het openbaar ministerie ter zake feit 2 niet ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
zij op of omstreeks17 mei 2008 te 's-Gravenhage met een ander ofanderen, op of aan de openbare weg, de Lekstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1], welk geweld ten aanzien van die [benadeelde partij 1] bestond uit het

- meerdere malen met een wapenstok, althans een hard voorwerp, slaan op het hoofd van die [benadeelde partij 1] en/of

- (meerdere malen) duwen van die [benadeelde partij 1] en/of

- slaan en/of stompen op de neus, althans het gezicht, van die [benadeelde partij 1], waardoor die [benadeelde partij 1] op de grond viel en/of

- (meerdere malen) met een wapenstok, althans een hard voorwerp, slaan op/tegen de rug en/of het lichaam van die [benadeelde partij 1] (terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag)

en/of

- (meerdere malen) trappen/schoppen en/of slaan/stompen op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of

- met een groep, althans met meerdere personen, om die [benadeelde partij 1] heen gaan staan, waardoor die [benadeelde partij 1] niet kon gaan en staan waar ze wilde, waarbij zij, verdachte,

- die [benadeelde partij 1] op de neus heeft gestompt en/of geslagen en/of

- die [benadeelde partij 1] (meerdere malen) tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt en/of gestompt/geslagen,

en welk door haar gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer. Door aldus te handelen hebben de verdachte en haar mededaders een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat als gevolg van het gebeurde lichamelijk letsel heeft opgelopen en zeer angstig is geweest. Een feit als het onderhavige versterkt in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 augustus 2013, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Ook sindsdien heeft zij geen politiecontacten gehad, hetgeen het hof in haar voordeel heeft meegewogen.

Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu het eerste verhoor van de verdachte heeft plaatsgevonden op 18 mei 2008, terwijl op 13 september 2010 vonnis is gewezen.

Het hof constateert voorts dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn van twee jaren, nu op 4 april 2011 hoger beroep is ingesteld en op 18 september 2013 arrest is gewezen.

Het hof ziet, in het bijzonder gelet op het gegeven dat de rechtbank bij de strafoplegging reeds rekening heeft gehouden met de overschrijding van de eerstbedoelde redelijke termijn en de omstandigheid dat het tijdsverloop in hoger beroep voornamelijk is te wijten aan de onderzoekshandelingen die op verzoek van de verdediging hebben plaatsgevonden, aanleiding te volstaan met de constatering van de overschrijdingen.

Het hof is, alles overwegende, van oordeel dat een taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd. Als gemachtigde van de benadeelde partij heeft mr. M.T. Wernsen een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële en materiële schade als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.435,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.435,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering, tot een bedrag van € 2.145,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, nu vrijspraak is bepleit.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 145,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er daarnaast immateriële schade is geleden en dat deze schade eveneens het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.000,-.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.145,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij van [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.145,00 (tweeduizend honderdvijfenveertig euro) bestaande uit € 145,00 (honderdvijfenveertig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 2.145,00 (tweeduizend honderdvijfenveertig euro) bestaande uit € 145,00 (honderdvijfenveertig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J.J. van den Honert, mr. H. van den Heuvel en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. M. Simpelaar.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2013.

mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.