Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5398

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
001835-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Afwijzing. Veronderstellenderwijs gedane mededeling van de voorzitter dat de indruk bestaat dat de verzoeker met het verzoek om uitstel van de zitting de procedure wil traineren, zoals door de raadsman van de verzoeker en de verzoeker gesteld, levert geen uitzonderlijke omstandigheid op waardoor de vrees objectief gerechtvaardigd is dat de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is gekomen. Ook de afwijzing van het verzoek om uitstel is geen grond voor wraking. Een dergelijke grond bestaat alleen wanneer die beslissing of de motivering daarvan als zodanig een feit oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De enkele omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de gewraakte kamer levert geen grond op voor wraking. Wraking is immers geen (verkapt) rechtsmiddel voor het ter discussie stellen van een onjuiste of onwelgevallige beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 001835-13
Avnummer : 000571-13

Rolnummer hoofdzaak : 22-003490-03

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de behandeling van de vordering ex artikel 577c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (vordering lijfsdwang) van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] (Marokko),

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda,

verzoeker,

raadsman: mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam.


Het geding

1. In de zaak tegen verzoeker onder genoemd Avnummer heeft op 17 oktober 2013 een raadkamerzitting van de meervoudige raadkamer plaatsgevonden, alwaar

mr. B van Walderveen, voorzitter, mr. H.C. Grootveld en mr. J.C.F. van Gelder, raadsheren, zitting hadden.
Als uitspraakdatum is na afloop van de zitting vastgesteld 31 oktober 2013.

2. Bij faxbericht d.d. 22 oktober 2013 heeft de raadsman namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan.

3. De voorzitter, alsmede de raadsheer J.C.F. van Gelder hebben niet in de wraking berust. De wrakingskamer heeft geen standpunt ontvangen van mr. H.C. Grootveld.

4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 31 oktober 2013 ter openbare terechtzitting behandeld, waar verzoeker en zijn raadsman zijn gehoord. Mr. R. van den Boogert heeft zijn standpunt uiteengezet, alsmede de advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol.

Het wrakingsverzoek

5. Blijkens het faxbericht van 22 oktober 2013 is namens de verzoeker – zakelijk weergegeven – de volgende grond tot wraking naar voren gebracht:

6. Op 17 oktober 2013 diende de behandeling van de vordering lijfsdwang tegen verzoeker. De verzoeker was vanwege buikgriep niet in staat ter terechtzitting te verschijnen, terwijl hij wel bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn. De raadsman van verzoeker heeft hierop een brief gefaxt aan de voorzitter met een verzoek tot uitstel van de zitting vanwege ziekte van verzoeker.

De voorzitter heeft hierop ter terechtzitting van 17 oktober 2013 – waarbij de raadsman van verzoeker aanwezig was – medegedeeld dat het hof niet voornemens was de behandeling van de zaak uit te stellen. De voorzitter deelde hierbij, aldus de raadsman, mede dat het hof de indruk had dat de verzoeker het proces wilde traineren. De verzoeker stelt dat de opmerking van de voorzitter van de gewraakte kamer, inhoudende dat deze kamer de indruk had dat de verzoeker met het verzoek om uitstel van de zitting het proces wilde traineren, volkomen onbegrijpelijk is en dat bij hem hierdoor de indruk is ontstaan dat het hof zijn ziekmelding niet geloofde. Gelet hierop is bij de verdachte de objectieve schijn van partijdigheid van de leden van de gewraakte kamer ontstaan.

7. Voorafgaand aan de behandeling van het verzoek door de wrakingskamer heeft mr. B. van Walderveen, voorzitter, schriftelijk zijn reactie en de reactie van mr. J.C.F. van Gelder, naar voren gebracht. De voorzitter heeft hierin gesteld dat hij en mr. J.C.F. van Gelder niet in de wraking wensen te berusten en heeft voorts te kennen gegeven dat hij en mr. J.C.F. van Gelder niet in de gelegenheid wensen te worden gesteld te worden gehoord.

8. De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek tot wraking niet tijdig is gedaan, nu het verzoek niet is gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. De verzoeker dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in het verzoek tot wraking. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen, nu niet is voldaan aan de eis dat sprake is van een objectiveerbare vrees voor vooringenomenheid.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

9. Een wrakingsverzoek dient, overeenkomstig het bepaalde in artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering aan de verzoeker bekend zijn geworden.

10. Het wrakingsverzoek is na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting op 17 oktober 2013 op 22 oktober 2013 ingediend. De raadsman van verzoeker – die ter terechtzitting van 17 oktober 2013 aanwezig was – heeft voor het eerst op 22 oktober 2013 contact gehad met de verzoeker omtrent het verhandelde ter terechtzitting van 17 oktober 2013. Naar aanleiding van dit contact met de verzoeker heeft de raadsman van verzoeker nog op diezelfde dag een verzoek tot wraking ingediend. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat de raadsman van verdachte binnen een redelijke termijn verzoeker, die gedetineerd zit, van het verhandelde ter zitting op de hoogte heeft gebracht moet worden geoordeeld dat het verzoek tot wraking tijdig is ingediend. Mitsdien is verzoeker ontvankelijk in het wrakingsverzoek.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

11. De rechter moet volgens vaste jurisprudentie uit hoofde van zijn aanstelling worden

vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

12. Voor de wrakingskamer is het proces-verbaal van de zitting in beginsel de enige kenbron van hetgeen aldaar is voorgevallen en verklaard. Niet aannemelijk is geworden dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 oktober 2013 niet een voldoende - zakelijke - weergave behelst van hetgeen ter zitting is voorgevallen en verklaard. De wrakingskamer gaat bij de beoordeling van het verzoek tot wraking daarom uit van dit proces-verbaal.

13. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 oktober 2013 staat niet vermeld dat de voorzitter heeft medegedeeld dat het hof de indruk had dat de verzoeker de procedure wilde traineren. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de voorzitter van de gewraakte kamer aan de raadsman heeft meegedeeld dat de gewraakte kamer de indruk had dat de verzoeker met het verzoek om uitstel van de zitting de procedure wilde traineren, zoals door de raadsman van de verzoeker en de verzoeker worden gesteld, levert deze enkele uitlating naar het oordeel van de wrakingskamer geen uitzonderlijke omstandigheid op waardoor de vrees objectief gerechtvaardigd is dat de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is gekomen. Het daarover horen van de voorzitter en de griffier acht de wrakingskamer dan ook niet noodzakelijk en het verzoek daartoe van de raadsman wordt dan ook afgewezen. Het hof betrekt daarbij ook de omstandigheid dat, zo blijkt uit het proces-verbaal van zitting, de raadsman van verzoeker de gelegenheid heeft gehad en gebruikt om op de gewraakte uitlating van de voorzitter te reageren. De stelling van de raadsman dat het proces-verbaal van de gevoerde discussie ten onrechte in het geheel geen melding maakt, mist feitelijke grondslag.

14. Verzoeker stelt voorts als grond voor wraking dat de beslissing van de gewraakte kamer om het verzoek om uitstel af te wijzen, onbegrijpelijk is. De wrakingskamer wijst het verzoek ook in zoverre af. Grond voor wraking bestaat alleen wanneer die beslissing of de motivering daarvan als zodanig een feit oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. De enkele omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de gewraakte kamer levert geen grond op voor wraking. Wraking is immers geen (verkapt) rechtsmiddel voor het ter discussie stellen van een onjuiste of onwelgevallige beslissing.

Overigens is de gewraakte beslissing van de gewraakte kamer, inhoudende dat het verzoek om uitstel van de zitting wordt afgewezen wegens het ontbreken van een doktersattest, geheel in lijn met het openbare aanhoudingsprotocol van de strafkamer van dit hof.

15. Naar het oordeel van de wrakingskamer is op grond van het voorgaande onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de voorzitter en/of raadsheren jegens de verdachte een vooringenomenheid koesteren, noch dat de bij de verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoeker, zijn raadsman, genoemde voorzitter en raadsheren en de advocaat-generaal.

Deze beslissing is gegeven op 14 november 2013 door

mr. T.E. van der Spoel, mr. S. van Dissel en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, in aanwezigheid van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.