Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5397

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
001759-13 en 001760-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Afwijzing van het verzoek te mogen filmen valt binnen de redelijke taakuitoefening van de voorzitter tot het nemen van beslissingen de orde van de zitting betreffende. Het hof geeft voorts toepassing aan artikel 515, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummers : 001759-13 en 001760-13
Rolnummers hoofdzaak : 22-000884-12 en 22-000881-12

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaken van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker 1],

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats],

blijkens VIP: [adres],

verzoeker,
raadsman mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam,

en

[verzoeker 2],

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verzoeker,
raadsman mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam.


Het geding

  1. In de in strafzaken tegen de verzoekers onder de genoemde rolnummers gedane wrakingsverzoeken heeft op 6 november 2013 een raadkamerzitting van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken plaatsgevonden, alwaar mrs. S. van Dissel, A.L.G.A. Stille en Chr.Th.P.M. Zandhuis zitting hadden.

  2. Bij mondeling verzoek van 6 november 2013 hebben de verzoekers een verzoek tot wraking van genoemde voorzitter en raadsheren gedaan. De raadsman heeft de gronden van het verzoek tot wraking namens verzoekers toegelicht. Bij fax van 22 november 2013 voorafgaande aan de behandeling van het verzoek – heeft de raadsman een fax verzonden in aanvulling op het verzoek.

  3. De voorzitter en de raadsheren hebben in hun gezamenlijke schriftelijke reactie van 19 november 2013 aangegeven niet in de wraking te berusten en er geen behoefte aan te hebben om op het verzoek tot wraking te worden gehoord.

  4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 22 november 2013 in raadkamer behandeld. De verzoekers en hun raadsman zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Voorafgaand aan die behandeling heeft de wrakingskamer van de advocaat van de verzoekers tot wraking op 22 november 2013 een faxbericht ontvangen waarin de advocaat heeft medegedeeld dat hij zelf in verband met ziekte niet in staat is ter zitting aanwezig te zijn, dat namens de [verzoeker 1] niet om aanhouding van de behandeling van het wrakingsverzoek wordt verzocht, dat [verzoeker 1] in verband met de verhindering van zijn raadsman evenmin ter zitting zal verschijnen, dat volstaan kan worden met het in het faxbericht uiteengezette schriftelijk standpunt en dat [verzoeker 2] niet bereikt is kunnen worden.

De advocaat-generaal mr. D.J.J. van Zeben heeft zijn standpunt uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

5. Door de raadsman zijn – samengevat weergegeven - onder andere de volgende gronden voor wraking aangevoerd:
a. In de motivering van de beslissing van de voorzitter van de wrakingskamer ten aanzien van het verzoek om te mogen filmen wordt een onrechtmatig onderscheid gemaakt tussen de verschillende mediasoorten, te weten enerzijds de professionele media, zoals deze door de voorzitter zijn aangeduid, en anderzijds de verzoekers als procesdeelnemers.

b. De voorzitter isoleert ten onrechte de wrakingszaak van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, hoewel het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens het openbaarheidsbeginsel niet beperkt tot de strafzaak, maar ziet op de procedure in het geheel en derhalve ook op het verzoek tot wraking dat door de wrakingskamer wordt behandeld.

Bij fax van 22 november 2013 is door de raadsman in aanvulling daarop - samengevat weergegeven - aangevoerd:

Door verzoekers niet te erkennen als professionele media en hen daarmee niet te erkennen als journalist wordt de schijn van partijdigheid gewekt en neemt men in elk geval impliciet een standpunt in ten aanzien van de aan cliënten ten laste gelegde handelingen, in het bijzonder de vraag of cliënten in het kader van de journalistieke beroepsuitoefening strafbaar hebben gehandeld.

6. Voorafgaand aan de behandeling van het verzoek door de wrakingskamer hebben mrs.
S. van Dissel, A.L.G.A. Stille en Chr.Th.P.M. Zandhuis schriftelijk hun reactie naar voren gebracht, inhoudende samengevat weergegeven :
Naar het oordeel van de leden van de gewraakte kamer kan uit de weigering van het verlenen van toestemming voor het maken van filmopnamen en de daarvoor gegeven motivering, geenszins worden afgeleid dat sprake is van enige (schijn van) vooringenomenheid van de leden van de gewraakte kamer (…), althans dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.

7. De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid van wraking van de wrakingskamer. Subsidiair heeft de advocaat-generaal betoogd dat het verzoek te mogen filmen op de juiste gronden is afgewezen, nu dit een ordemaatregel betreft, welke bevoegdheid toekomt aan de voorzitter van de wrakingskamer.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

8. Hoewel aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat een strikt grammaticale uitleg van het in artikel 512 Wetboek van Strafvordering gebezigde begrip zaak lijkt uit te sluiten dat ook tegen (leden van) een wrakingskamer een verzoek tot wraking kan worden gedaan, is het hof van oordeel dat in het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht van een ieder op een behandeling door een onpartijdig gerecht met zich brengt dat ook in het geval van een behandeling van een in een strafzaak gedaan wrakingsverzoek door een wrakingskamer die onpartijdigheid moet worden gegarandeerd. Om die reden worden verzoekers in hun verzoeken tot wraking ontvankelijk geacht.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

9. Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de verzoeker elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

10. De rechter moet volgens vaste jurisprudentie uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

10. De wrakingsgronden zien in wezen op ordemaatregelen die door de voorzitter van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken, mr. Van Dissel, zijn genomen. Ordemaatregelen zijn instrumenten die ter beschikking staan van de voorzitter van de meervoudige kamer. De voorzitter van een meervoudige kamer heeft de leiding van het onderzoek en bepaalt de orde van de zitting. De door mr. Van Dissel genomen ordemaatregelen leveren geen feiten of omstandigheden op waardoor zijn rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Gelet hierop ontvalt ook de grondslag aan de verwijten die de overige leden van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken worden gemaakt.

12. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt de afwijzing van het verzoek te mogen filmen binnen de redelijke taakuitoefening van de voorzitter tot het nemen van beslissingen de orde van de zitting betreffende. Op grond van het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

13. De wrakingskamer ziet voorts, gelet op het gehalte van het wrakingsverzoek, en de veelheid van de verzoeken om wraking en hun inhoud, aanleiding om toepassing te geven aan artikel 515, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. De wrakingskamer is van oordeel dat sprake is van misbruik van het rechtsmiddel en zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in de onderhavige hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen.

Beslissing

Het hof:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekers in de onderhavige hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen;

- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoekers en hun raadsman, genoemde voorzitter en raadsheren en de advocaat-generaal.

Deze beslissing is gegeven op 13 december 2013 door mrs. I.E. de Vries, P.J.J. Vonk en J.A. van Kempen, in aanwezigheid van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.