Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5392

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
200.085.001/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2461, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.085.001/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 296758 / HA ZA 07-3208

Arrest d.d. 17 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant] ,

voorheen genaamd:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANNIE'S VERJAARDAG B.V.,

gevestigd te Katwijk,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J-F. Grégoire te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANNIE B.V.,

gevestigd te Leiderdorp,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: Annie,

advocaat: mr. D.A. Beck te Leiden.

Het geding

Bij exploot van 21 februari 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen het vonnis van

24 november 2010 dat de rechtbank 's-Gravenhage tussen [appellant] (destijds geheten: Annie's Verjaardag B.V.) als eiseres in conventie, verweerster in reconventie enerzijds en Annie en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Raam B.V. (hierna: Raam) als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie anderzijds heeft gewezen. [appellant] heeft daarop bij memorie van grieven (met producties) vijf grieven aangevoerd tegen genoemd eindvonnis alsmede tegen de tussenvonnissen van 23 januari 2008, 16 april 2008, 26 augustus 2009 en 25 augustus 2010, welke grieven Annie bij memorie van antwoord heeft bestreden. Annie heeft daarbij met producties harerzijds incidenteel beroep ingesteld en een incidentele grief tegen de vonnissen van 26 augustus 2009 en 24 november 2010 aangevoerd, welke grief [appellant] bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft bestreden.

De beoordeling van het hoger beroep

in principaal en in incidenteel appel

1. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. Tussen [A] enerzijds en [B] (hierna: [B]) en [C] anderzijds is op of omstreeks 31 maart 2003 overeenstemming bereikt over verkoop van de brasserie Annie's Verjaardag (hierna: de brasserie) per 1 januari 2003 aan Annie B.V. in oprichting, vertegenwoordigd door [B] en [C] (hierna: de voorovereenkomst). [A] was bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Annie's Verjaardag B.V. (hierna: AV) . [B] en [C] zijn bestuurder van Raam en indirect bestuurder van Annie. [B] is de zuster van [A].

b. De voorovereenkomst is nader uitgewerkt in een onderhandse akte van 10 augustus 2003 tussen AV en Annie.

c. In deze akte is vermeld dat AV de brasserie per 1 januari 2003 aan Annie heeft verkocht voor een som van € 100.000,=. Volgens deze akte heeft levering plaatsgehad. Tot de overgedragen zaken behoren volgens de akte de materiële activa, de contracten, de handelsnaam Annie's Verjaardag, de klantgegevens, de boeken, bescheiden en de vorderingen van de brasserie. Bij deze akte zijn verder de handelsvoorraden en de passiva overgedragen.

d. Tussen AV en Annie bestond een rekening-courantverhouding.

e. Op 3 januari 2006 heeft JAN©Accountants & Belastingadviseurs (hierna: Jan Accountants) in opdracht van Annie en Raam de waarde van de brasserie berekend. Jan Accountants heeft deze waarde vastgesteld op een bedrag van € 184.000,=.

f. Annie heeft de brasserie per 1 september 2007 overgedragen aan een derde.

2. Het hof bespreekt allereerst de stellingen van Annie die erop neerkomen dat [appellant] ten onrechte in de gelegenheid is gesteld een memorie van grieven te nemen. Op dit punt heeft Annie het volgende gesteld. Bij rolbeslissing van 13 maart 2012 is op verzoek van Annie in principaal appel een akte niet-dienen verleend. Vervolgens is de zaak voor arrest op de rol geplaatst voor het – eveneens op verzoek van Annie – nemen van een memorie van grieven in incidenteel appel. Na wijziging van raadsman is namens [appellant] verzocht alsnog een memorie van grieven te mogen nemen. Deze wijziging van raadsman is op 8 mei 2012 geëffectueerd. Ter rolzitting van 19 juni 2012 is aan [appellant], zonder Annie te horen, alsnog toegestaan van grieven te dienen. Deze beslissing is op

15 oktober 2012 bevestigd en nader gemotiveerd. Annie stelt zich op het standpunt dat de beslissing van 19 juni 2012 in strijd is met de eisen van een goede procesorde, met een bindende eindbeslissing gelijk te stellen is en moet worden beschouwd als een incidenteel vonnis of arrest.

3. Het hof stelt voorop dat een rolbeslissing als het verlenen van een akte niet-dienen niet is aan te merken als een beslissing waarbij over een materieel geschilpunt definitief wordt beslist zodanig dat de rechter daarvan slechts onder bijzondere omstandigheden kan terugkomen. Het betreft een ordemaatregel in het belang van een juiste en doelmatige procesgang. Aan deze beslissing alsmede aan de beslissing een partij toe te staan een memorie van grieven te nemen, ligt een afweging van belangen van de partijen ten grondslag. Tegenover het belang van Annie bij een spoedig eindoordeel komt aan het belang van [appellant], die zich had voorzien van een andere juridische raadsman met mogelijk een andere visie op de procesvoering, te vertalen in de grieven, bij het (alsnog) kunnen dienen van die grieven meer gewicht toe. Feiten of omstandigheden die dit anders kunnen doen zijn, zijn gesteld noch gebleken. Het vorenstaande brengt mee dat er geen grond bestaat voorafgaande aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven een tussenarrest te wijzen waardoor – volgens Annie – cassatie tegen de rolbeslissingen van 19 juni 2012 en 15 oktober 2012 open zou staan.

4. Tussen partijen staat vast dat de koopprijs per 1 januari 2003 nader en definitief zou worden bepaald indien – voor zover thans van belang – Annie de exploitatie van de brasserie na 1 januari 2006 wilde voortzetten (door partijen aangeduid als: de earn out-regeling).

5. Partijen worden onder meer verdeeld gehouden door de vraag welke waarde op de peildatum 1 januari 2003 toekwam aan de onderneming Annie's Verjaardag, de brasserie. In eerste aanleg heeft Ad Hoc Horecamakelaars op verzoek van de rechtbank een deskundigenbericht uitgebracht. Deze deskundige heeft de brasserie gewaardeerd op een bedrag van € 570.000,= onder meer op basis van een bedrag van € 490.000,= inzake goodwill. Door het nadien verhogen van het onderdeel inventaris van € 50.000,= tot € 86.000,= is de waarde uiteindelijk op € 606.000,= vastgesteld. In het deskundigenbericht is aangegeven dat het hier betreft een onderhandse verkoopwaarde in het vrije economische verkeer bij soortgelijk doorlopend gebruik. Voor het onderdeel goodwill heeft deze deskundige van belang geacht dat de bedrijfsresultaten in de onderzochte jaren (2000 tot en met 2002) sterk varieerden. Op grond hiervan heeft de deskundige over deze resultaten een wegingsfactor gehanteerd waardoor een gemiddeld resultaat is vastgesteld van – afgerond – € 134.000,= als basis voor de berekening van de goodwill, vermenigvuldigd met de factor 3,5 à 3,75.

6. Ter comparitie van partijen van 11 december 2008 is dit rapport van de deskundige besproken. Namens [appellant] is verklaard in algemene zin te kunnen instemmen met de berekeningsmethode van de deskundige. Wel heeft [A] namens [appellant] ter gelegenheid van de comparitie een kanttekening geplaatst bij het hanteren van de factor van 3,5 à 3,75. Nu deze vermenigvuldigingsfactor volgens de deskundige in het algemeen tussen 1,5 tot 5 ligt, is de daadwerkelijk gehanteerde factor volgens [appellant] niet voldoende onderbouwd. Namens Annie is ter comparitie een kanttekening geplaatst bij de cijfers over 2002 zoals deze voor de deskundige tot uitgangspunt waren genomen, en voorts bij de inkoopcijfers en personeelskosten over 2002. Volgens Annie heeft de deskundige op beide punten met te lage bedragen rekening gehouden.

7. [appellant] heeft zich in eerste aanleg en in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de waarde op een te laag bedrag is vastgesteld daar voor de waarde bepalend is "wat de markt er op dat moment voor geeft". [appellant] heeft ter onderbouwing van dit standpunt onder meer verwezen naar bedragen die potentiële kopers in het verleden bereid zouden zijn geweest te betalen. Voorts acht [appellant] van belang dat de belastingdienst bij brief van 24 september 2007 in het kader van de aangifte vennootschapsbelasting heeft meegedeeld uit te gaan van een bedrag van € 1.430.240,=, zijnde eenmaal de bruto jaaromzet.

8. Het hof stelt het volgende vast. [appellant] gaat voorbij aan de omstandigheid dat de Inspecteur der belastingen in het kader van de aangifte vennootschapsbelasting aansluiting heeft gezocht bij de wijze van waardering door de Koninklijke Horeca Nederland waarop [A] zich jegens de Inspecteur had beroepen, terwijl niet is komen vast te staan dat de kennelijk door de Koninklijke Horeca Nederland gevolgde maatstaf van eenmaal de bruto jaaromzet tussen [appellant] en Annie was overeengekomen. Annie heeft dit gemotiveerd betwist. Tevens verdient aantekening dat het hier een correctie op de aangifte 2003 betreft tegen welke correctie bezwaar open stond. De bedragen die potentiële kopers zouden hebben willen betalen, acht het hof niet beslissend, reeds omdat geen van deze kopers daadwerkelijk tot koop is overgegaan.

9. Voorts passeert het hof de stelling van [appellant] dat aan het rapport van Ad Hoc Horecamakelaars reeds daarom geen betekenis kan toekomen, omdat ten onrechte niet de discounted cash flow methode zou zijn gehanteerd. Voor zover de stellingen van [appellant] op dit punt moeten worden begrepen als een grief tegen de overweging van de rechtbank dat de deskundige niet gebonden is aan een bepaalde methode van waardebepaling en de beslissing dat de deskundige zijn onderzoek zelfstandig diende te verrichten, heeft [appellant] deze grief onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Aan het deskundigenbericht kan wel de eis worden gesteld dat de keuze voor een bepaalde methode alsmede de daarop gebaseerde bevindingen voldoende duidelijk worden gemotiveerd. Daaraan voldoet het deskundigen bericht van Ad Hoc Horecamakelaars.

10. [appellant] beroept zich in hoger beroep op een rapport van Klaassen Horeca Advies (hierna: Klaassen) van 28 maart 2012 dat naar aanleiding van een onderzoek in opdracht van [appellant] is opgesteld. Klaassen heeft de waarde met name gebaseerd op een hogere vermenigvuldigingsfactor dan door Ad Hoc Horecamakelaars is gehanteerd. Hiertoe heeft Klaassen verwezen naar een rapport Bedrijfschap Horeca en Catering, waarin is vermeld dat in het kader van een waardering vuistregels worden toegepast van acht of tien keer de gemiddelde netto winst.

11. Het hof overweegt als volgt. Het rapport Bedrijfschap Horeca en Catering heeft een cijfervoorbeeld uitgewerkt waarbij uitgangspunt was een jaarlijkse omzetgroei van 5% na het tijdstip van de vaststelling van de waarde. Klaassen heeft echter in zijn rapport melding gemaakt van een dalende lijn in de omzetontwikkeling van de horeca in het laatste kwartaal van 2002 ten opzichte van 2001 en het ontbreken van tekenen die wijzen op het aantrekken van de economie waardoor voor de horeca – voor welke branche de algehele economische stemming volgens Klaassen van evident belang is – met een afnemende groei is te rekenen. Op dit punt is het rapport van Klaassen derhalve onvoldoende duidelijk. Dit leidt ertoe dat het hof op grond van dit rapport en de toelichting daarop gericht aan de raadsman van [appellant] per e-mail van 14 juni 2012 niet tot de conclusie kan komen dat de uitgangspunten in het deskundigenbericht van Ad Hoc Horecamakelaars onjuist zijn. Voor zover de stellingen van [appellant] op dit punt aldus moeten worden begrepen dat Ad Hoc Horecamakelaars volgens [appellant] niet van een vuistregel had mogen uitgaan, acht het hof van belang dat ook het hanteren van een vermenigvuldigingsfactor van acht of tien volgens het Bedrijfschap Horeca en Catering op een vuistregel berust. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt, nu dit geen betrekking heeft op concrete, zich voor bewijslevering lenende feiten of omstandigheden. Het hof komt in zoverre derhalve niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.

12. Partijen verschillen verder van mening over de vraag met ingang van welke datum Annie wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van € 606.000,= en voorts of het hier betreft rente in de zin van artikel 6:119 BW dan wel in de zin van artikel 6:119a BW.

13. [appellant] stelt zich op het standpunt dat Annie de wettelijke handelsrente is verschuldigd, daar het hier gaat om een overeenkomst waarbij [appellant] de onderneming aan Annie diende over te dragen en Annie op haar beurt de verkoopprijs volgens de earn out-regeling aan [appellant] verschuldigd werd.

14. In dit standpunt kan [appellant] niet worden gevolgd. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat door vaststelling van de definitieve koopprijs een op geld waardeerbare vordering van [appellant] op Annie is ontstaan, is niet bepalend. Daaraan ligt immers een overeenkomst tot overdracht van een onderneming ten grondslag. Deze overeenkomst is geen handelstransactie in de zin van de Richtlijn 2000/35 EG, nu bij deze overeenkomst tot overdracht geen handelende partij in het kader van haar zelfstandige of beroepsmatige activiteit was betrokken.

15. Annie betoogt in incidenteel appel dat zij over het bedrag van € 606.000,= niet de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 1 januari 2006, doch eerst vanaf 29 augustus 2009, subsidiair vanaf 2 oktober 2007, de dag van de inleidende dagvaarding, meer subsidiair vanaf een door het hof te bepalen datum. [appellant] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat zij na verloop van drie jaar de definitieve prijs zouden vaststellen en dat nimmer ter discussie heeft gestaan dat het hier een rentedragende vordering betreft. De omstandigheid dat de koopprijs eerst later is komen vast te staan, betekent niet dat de koopprijs op een latere datum dan per 1 januari 2003 rentedragend is geworden, zo stelt [appellant], daar partijen vooraf overeengekomen zijn dat de koopprijs in een later stadium zou worden vastgesteld. Volgens [appellant] is er bovendien sprake van een voor voldoening bepaalde termijn, zodat Annie zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.

16. Het hof overweegt als volgt. Gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat de definitief te bepalen koopsom op basis van de earn out-regeling vermeerderd diende te worden met wettelijke rente vanaf een bepaalde, al dan niet in het verleden liggende, datum. De omstandigheid dat partijen zijn overeengekomen dat zij na verloop van drie jaar de definitieve prijs zouden vaststellen brengt, anders dan [appellant] stelt, niet zonder meer mee dat Annie vanaf 1 januari 2006 wettelijke rente over de koopsom is verschuldigd. Daarvoor is vereist dat ofwel overeengekomen is dat de nog vast te stellen koopsom vanaf 1 januari 2006 rentedragend zou zijn (waarbij een handelsgebruik de overeenkomst kan aanvullen, maar ook daarover is niets gesteld of het hof anderszins gebleken), ofwel Annie per 1 januari 2006 in verzuim verkeerde. [appellant] verwijst naar een brief van 19 juni 2007 van SynCount namens [A], gericht aan Jan Accountants. In het kader van een voorstel tot een minnelijke regeling van zowel de overnamesom als de afwikkeling van de rekening-courantschuld van [appellant] is meegedeeld dat het aan [B] en Van der Mark was om te bepalen of zowel de koopprijs als de rekening-courantschuld met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 rentedragend zou zijn. Dit aanbod namens [A] en [appellant] is niet aanvaard, zodat reeds daarom deze brief onvoldoende steun biedt voor de stelling van [appellant] op dit punt.

17. Ditzelfde geldt voor het beroep van [appellant] op de overeenkomst van 10 augustus 2003 waarin onder punt B is vermeld dat Annie de exploitatie per 1 januari 2003 zou voortzetten en waarin deze datum is aangeduid als de "effectieve datum". Uit de bewoordingen van de overeenkomst blijkt dat partijen met deze datum hebben bedoeld de datum van de feitelijke overdracht. In eerste aanleg heeft [appellant] zich er voorts op beroepen dat Annie vanaf 1 januari 2006 weigert deze overeenkomst na te komen door niet mee te werken aan de vaststelling van de waarde van de onderneming. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te stellen dat Annie daardoor in verzuim is geraakt, heeft [appellant] dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Uit het vorenstaande volgt dat de wettelijke rente over het bedrag van € 606.000,= is verschuldigd per 16 oktober 2007. De vordering van [appellant] tot betaling van de koopsom was immers op 2 oktober 2007 voldoende bepaalbaar, terwijl de inleidende dagvaarding als een ingebrekestelling is aan te merken en de termijn van 14 dagen als een redelijke termijn voor nakoming moet worden beschouwd.

18. [appellant] stelt zich voorts op het standpunt dat Annie de vordering op [appellant] wegens een schuld in rekening courant onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het bedrag van

€ 415.137,44 niet toewijsbaar is. Op dit punt voert [appellant] aan dat een aantal posten door hem wordt betwist. Annie heeft gewezen op stukken waarin steeds de stand van de rekening-courantschuld per einde van een jaar over de jaren 2003 tot en met 2005 is vermeld, in totaal leidende tot een bedrag van € 331.317,44, te vermeerderen met de beginstand per 1 januari 2003 ad € 83.819,96.

19. [A] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 26 februari 2008 alleen verklaard dat de door Annie genoemde bedragen niet juist zijn. Ter comparitie op 27 januari 2009 is namens [A] verklaard dat de door Annie gehanteerde systematiek juist is, maar dat [A] onvoldoende gelegenheid had gehad de onderliggende stukken te controleren. Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van

26 augustus 2009 een comparitie had gelast teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich over de schuld in rekening-courant uit te laten, heeft [appellant] ter comparitie van 19 januari 2010 verklaard dat de het door Annie verstrekte overzicht, sluitende op een bedrag van € 384.317,44, juist is op een bedrag van € 50.000,= en het bedrag van € 83.819,16 na, waarmee Annie haar vordering in reconventie wilde vermeerderen. Gelet op het hiervoor overwogene is de enkele betwisting door [appellant] van niet nader aangegeven "enkele posten" in hoger beroep onvoldoende.

20. Ter comparitie van 19 januari 2010 is voorts de aan [appellant] uitbetaalde management fee ad € 50.000,= ter sprake gekomen. Op dit punt stelt het hof vast dat het hier kennelijk gaat om een vordering tot terugbetaling op de grond dat [appellant] volgens Annie geen recht had op dit bedrag omdat [A] in 2003 geen werkzaamheden voor de brasserie zou hebben verricht. [appellant] heeft dit betwist. Nu op Annie als de partij die zich beroept op onverschuldigde betaling de stelplicht en het bewijsrisico rusten en zij geen andere verklaring voor de betaling heeft gesteld dan overeenkomend met “management”, dus het verrichten door [appellant] van werkzaamheden als zodanig, is de enkele stelling dat [A] in 2003 niet in opdracht van Annie werkzaamheden voor de brasserie heeft verricht, onvoldoende om te kunnen concluderen dat dit bedrag onverschuldigd is betaald. In zoverre slaagt grief III.

21. [appellant] stelt verder dat zij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van de contractuele rente van 5% per jaar over € 415.137,44 vanaf 1 januari 2006, aangezien in dit bedrag de rentevergoeding van 5% reeds is begrepen. [appellant] beroept zich op een door haar overgelegde berekening van de stand van de rekening courant per 31 december 2004 en per 31 december 2005, waarbij steeds het totaal der bedragen is vermeerderd met een rente van 5% per jaar. Het hof stelt op grond van dit, op zichzelf niet door [appellant] bestreden, overzicht vast dat in het totaalbedrag van € 331.317,44 rentebedragen van

€ 8.300,46 (over 2004) en van € 14.638,38 (over 2005) zijn verwerkt. Met deze beide bedragen is derhalve steeds het bedrag waarover de rente werd berekend, vermeerderd. Gesteld noch gebleken is dat voormeld bedrag van € 331.317,44 of van € 415.137,44 tevens een post wegens rente over 2006 bevat. Zonder toelichting, die [appellant] niet heeft verstrekt, kan het hof derhalve niet tot de conclusie komen dat [appellant] twee maal rente moet betalen doordat zij veroordeeld is tot betaling van een rente van 5% over de hoofdsom met ingang van 1 januari 2006.

22. Uit het vorenstaande volgt dat [appellant] niet in eerste aanleg als de (overwegend) in het gelijk gestelde partij is te beschouwen, zodat grief V faalt. Voorts falen de grieven I, II, IV en grief III gedeeltelijk. Voor zover het bewijsaanbod van [appellant] niet hiervoor aan de orde is geweest, moet dit ook overigens worden gepasseerd, daar dit geen betrekking heeft op concrete stellingen die tot aan ander oordeel kunnen leiden.

23. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het vonnis van de rechtbank

's-Gravenhage van 16 april 2008 wordt bekrachtigd, de vonnissen van 26 augustus 2009, 25 augustus 2010 en 24 november 2010 deels worden vernietigd en dat wordt beslist als hierna vermeld. [appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in principaal appel aan de zijde van Annie worden veroordeeld. Tevens zal [appellant] in het incidenteel appel als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van Annie hebben te dragen.

24. Nu [appellant] geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van 23 januari 2008, zal zij in zoverre niet ontvankelijk verklaard worden.

Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 januari 2008;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 april 2008;

vernietigt de in conventie gewezen vonnissen van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 augustus 2009, 25 augustus 2010 en 24 november 2010 voor zover daarbij is beslist dat het bedrag van

€ 606.000,= dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2006;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Annie om aan [appellant] te voldoen de som van € 606.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend over de periode 16 oktober 2007 tot het tijdstip van de voldoening;

vernietigt het in reconventie gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2010 voor zover daarbij is beslist op de vordering in reconventie tot betaling van € 50.000,= door appellanten aan Annie;

vernietigt het in reconventie gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 november 2010 voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling van € 50.000,=, vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar over dit bedrag;

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 augustus 2009, 25 augustus 2010 en 24 november 2010 voor het overige;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de vordering van Annie tot betaling van € 50.000,= door [appellant], te vermeerderen met de contractuele rente van 5% pr jaar vanaf 4 december 2003 tot en met de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten in principaal appel aan de zijde van Annie en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak op € 4.713,= aan vast recht en op € 3.895,= salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de kosten in incidenteel appel aan de zijde van Annie en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak op € 1.947,50 salaris advocaat;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, E.M. Hofkes en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2013 in aanwezigheid van de griffier.