Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5388

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
200.127.563/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn chiropractors vrijgesteld van het in rekening brengen van BTW? Nu rechtsgang bij belastingrechter openstaat is collectieve actie bij burgerlijke rechter niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2015/260 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.127.563/01

Rolnummer rechtbank : 1224838 RL EXPL 12-32285

arrest van 5 november 2013

inzake

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën),

zetelend te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag,

tegen

1 Stichting Nationaal Register van Chiropractoren,

gevestigd te Rotterdam,

2 Chiropractie [naam 1] B.V.,

gevestigd te [woonplaats 1],

3 Chiropractie [naam 2] B.V.,

gevestigd te [woonplaats 2],

geïntimeerden,

hierna te noemen: de Stichting, [naam 1] B.V. respectievelijk [naam 2] B.V., en tezamen ook wel: de Chiropractoren,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 17 mei 2013 heeft de Staat hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag, team Kanton Den Haag, gewezen tussen de Chiropractoren als eisers en de Staat als gedaagde. Bij memorie van grieven heeft de Staat tegen het bestreden vonnis vijf grieven aangevoerd, die de Chiropractoren bij memorie van antwoord (met producties) hebben bestreden. Op 10 oktober 2013 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, de Staat door mr. R.T. Wiegerink, advocaat te Den Haag, en de Chiropractoren door mr. J. van Broekhuijze en mr. E.H.C.M. Biemans, beiden advocaat te Ridderkerk, telkens aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Partijen hebben bij die gelegenheid nog stukken in het geding gebracht, de Staat bij twee afzonderlijke aktes. Ten slotte hebben partijen stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2

De Stichting stelt zich blijkens haar statuten ten doel het registreren van in Nederland werkzame chiropractoren, het behartigen van de belangen van de in Nederland werkende chiropractoren, en voorts al hetgeen in de ruimste zin met een en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn.

1.3

[naam 1] B.V. en [naam 2] B.V. voeren beide (onder meer) een chiropractiepraktijk.

1.4

In dit geding gaat het om de vraag, kort gezegd, of chiropractoren zijn vrijgesteld van het in rekening brengen van BTW over de door hen op het gebied van de chiropractie verleende diensten. De Chiropractoren zijn van mening dat zij van het in rekening brengen van BTW vrijgesteld (moeten) zijn, omdat er geen wezenlijk verschil is tussen de diensten van een chiropractor en van een fysiotherapeut, die wel is vrijgesteld van BTW. De Staat stelt zich op het standpunt dat ingevolge art. 11 van de Wet omzetbelasting 1968 (Wet OB) de vrijstelling die geldt voor (bepaalde) paramedische beroepen niet van toepassing is op chiropractoren, omdat voor hen – anders dan voor fysiotherapeuten – geen regels zijn gesteld krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

1.5

De Chiropractoren vorderen diverse verklaringen voor recht, die de Kantonrechter volledig heeft toegewezen omdat de Staat in het geding was verschenen maar geen verweer had gevoerd. Tegen dit oordeel komt de Staat thans in hoger beroep op.

2.1

Het hof begrijpt de stellingen van de Chiropractoren zo dat zij aan hun vordering ten grondslag leggen dat de Staat onrechtmatig handelt door chiropractoren niet vrij te stellen van de afdracht van BTW. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven.

2.2

Grief 1 houdt in dat de kantonrechter zich ten onrechte bevoegd heeft geacht van de vordering kennis te nemen, aangezien uitsluitend verklaringen voor recht zijn gevorderd. Deze grief is gegrond. Het gaat hier onmiskenbaar om vorderingen van onbepaalde waarde, waarvan op grond van art. 93 onder b Rv. de kantonrechter alleen bevoegd is kennis te nemen indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000. Die aanwijzingen zijn er in dit geval niet, veeleer is aannemelijk dat de vorderingen dit belang ver overstijgen, alleen al gelet op de omstandigheid dat de Stichting de belangen behartigt van alle geregistreerde chiropractoren in Nederland. De gegrondbevinding van deze grief heeft echter geen gevolgen voor de behandeling in hoger beroep, aangezien de kantonrechter op inhoudelijke gronden een eindvonnis heeft gewezen, in welk geval geen terugverwijzing mag volgen. Het hof zal de zaak derhalve zelf afdoen.

3.1

In grief 2 voert de Staat aan dat de belastingrechter exclusief bevoegd is over het partijen verdeeld houdende geschil te oordelen, dat er voor de Chiropractoren een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de belastingrechter openstaat en dat de kantonrechter de Chiropractoren om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun vordering. Deze grief is terecht voorgedragen.

3.2

Voor [naam 1] B.V. en [naam 2] B.V. staat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de belastingrechter open. Zij kunnen, teneinde hun geschil aan de belastingrechter voor te leggen, (i) wachten totdat de Inspecteur hen een naheffingsaanslag oplegt en tegen deze naheffingsaanslag bezwaar maken en nadien zo nodig beroep bij de belastingrechter instellen, dan wel (ii) de over in enig tijdvak verrichte chiropractische diensten verschuldigde omzetbelasting op aangifte voldoen en vervolgens tegen deze aangifte bezwaar maken en nadien zo nodig beroep bij de belastingrechter instellen. Deze twee beschikbare manieren om de zaak bij de belastingrechter aanhangig te maken vormen niet een onnodige of belastende omweg.

3.3

Nu de Stichting, blijkens haar eigen stellingen, beoogt op te komen voor de belangen van de in Nederland werkende chiropractoren en dus kennelijk slechts optreedt ter behartiging van de gebundelde belangen van individuele chiropractoren, geldt voor haar hetgeen het hof ten aanzien van [naam 1] B.V. en [naam 2] B.V. heeft overwogen evenzeer. De Stichting heeft immers geen eigen belang naast dat van de betrokken individuele chiropractoren gesteld.

3.4

Het voorgaande betekent dat de Chiropractoren in hun vordering bij de civiele rechter niet-ontvankelijk zijn. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de Chiropractoren alsnog in hun vordering niet-ontvankelijk verklaren. De overige grieven hoeven bij deze stand van zaken niet te worden behandeld.

3.5

Anders dan de Chiropractoren menen mist art. 70 Rv. in dit geval toepassing, omdat in dit geval (nog) geen naheffingsaanslag of voldoening op aangifte voorhanden is waartegen bezwaar kan worden ingesteld.

3.6

De Chiropractoren zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

3.7

De vordering tot terugbetaling van hetgeen de Staat eventueel uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter aan de Chiropractoren heeft voldaan is eveneens toewijsbaar.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 20 februari 2013, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart de Chiropractoren in hun vorderingen niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de Chiropractoren om de bedragen die de Staat eventueel uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter aan hen heeft voldaan aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan die van algehele voldoening;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt de Chiropractoren in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg begroot op €109,-- voor verschotten en nihil voor salaris van de gemachtigde, en in hoger beroep op € 775,82 voor verschotten en € 2.682 voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat over deze bedragen vanaf veertien dagen na deze uitspraak de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW verschuldigd zal zijn;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, A.E.A.M. van Waesberghe en W.M.G. Visser en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2013, in aanwezigheid van de griffier.