Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5366

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2013
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
BK-12/00752
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2012:1017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Bezwaarschrift te laat ingediend. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2672
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00752

Uitspraak van 25 november 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 4 september 2012, nummer AWB 12/310, betreffende na te vermelden beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) is de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), vastgesteld op € 275.000 per 1 januari 2008 (hierna: de waardepeildatum). Deze beschikking geldt voor het kalenderjaar 2009.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009, wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning, een aanslag opgelegd in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Dordrecht naar een heffingsmaatstaf van € 275.000.

1.3.

Het aanslagbiljet waaruit van de vorenvermelde beschikking en aanslag blijkt is gedagtekend 30 september 2011.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Bij twee in één geschrift, gedagtekend 25 januari 2012, vervatte uitspraken heeft de Inspecteur – naar het Hof begrijpt - het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht is geheven van € 42. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht is geheven van € 115.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is toegezonden aan de Inspecteur.

2.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

14 oktober 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning.

3.2.

De beschikking/aanslag is gedagtekend 30 september 2011.

3.3.

Het bezwaarschrift is gedateerd 8 november 2011 en is per gewone post verzonden.

3.4.

Het bezwaarschrift is als bij de Inspecteur ingekomen afgestempeld op 17 november 2011. De poststempel op de enveloppe vermeldt 15 november 2011.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor het geval het bezwaar ontvankelijk is, is de waarde van de woning in geschil.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkheid van het bezwaar en tot vaststelling van de waarde van de woning per de waardepeildatum op - naar het Hof begrijpt - € 83.000 en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”2.1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2.

Het oordeel van de rechtbank

2.2.1.

Het besluit van 30 september 2011 is bekendgemaakt op 30 september 2011 door toezending aan eiser, zodat de bezwaartermijn van zes weken is gaan lopen op 1 oktober 2011 en is geëindigd op 11 november 2011.

Zoals blijkt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is voor een tijdige indiening van een bezwaarschrift het uitgangspunt dat het vóór het einde van de bezwaartermijn moet zijn ontvangen. Niet in geschil is dat verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen op 17 november 2011. Daarmee is niet voldaan aan voormeld uitgangspunt.

2.2.2.

Desondanks is een per post verzonden bezwaarschrift tijdig ingediend indien, zoals volgt uit het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb, het vóór het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd en niet later dan een week ná afloop van de bezwaartermijn is ontvangen.

Volgens vaste rechtspraak komt hierbij als regel doorslaggevende betekenis toe aan de poststempel ten bewijze van de datum van de terpostbezorging.

Uit de poststempel op de envelop waarin eiser het bezwaarschrift heeft verzonden leidt de rechtbank af dat het bezwaarschrift ter post is bezorgd op 15 november 2011. Eiser heeft geen feiten aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat hij het bezwaarschrift desondanks vóór het einde van de bezwaartermijn ter post heeft bezorgd. Dit volgt niet uit het door eiser gestelde feit dat de organisatie bij de Gemeentebelastingen te wensen overlaat noch uit de gestelde mogelijkheid dat de brief bij het postverwerkende bedrijf is blijven liggen. Ook uit de reactie van [A] van PostNl Klantenservice leidt de rechtbank dit niet af. Daartoe is voorts onvoldoende dat eiser, naar hij stelt, de brief in [Q] heeft gepost en dat uit berichtgeving blijkt dat daar problemen waren met de verwerking van de post. Zoals verweerder onweersproken heeft gesteld betreft de berichtgeving waarop eiser zich in dit verband beroept maart 2012 en derhalve niet de in deze zaak van belang zijnde periode.

2.2.3.

De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser heeft verzuimd het bezwaarschrift voor afloop van de termijn in te dienen.

De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die ertoe zouden kunnen leiden dat redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat eisers verzuim verschoonbaar is.

2.3.

Het beroep is derhalve ongegrond.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet of de voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen.

7.2.

Het biljet van de beschikking en de aanslag is gedateerd 30 september 2011. Het Hof heeft geen aanwijzing dat de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.

7.3.

Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

7.4.

De termijn van een week na afloop van de bezwaartermijn eindigt in dit geval met 18 november 2011. Het bezwaarschrift is derhalve niet later dan een week na afloop van de termijn ontvangen. Het bezwaarschrift is in dit geval tijdig ingediend indien het uiterlijk 11 november 2011 ter post is bezorgd. De enveloppe waarin de Inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen vermeldt het poststempel 15 november 2011. Dit is na 11 november 2011, wat zou betekenen dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

7.5.

Vooropgesteld dient te worden dat gebruikmaking van de dienst der posterijen, in dit geval van PostNL, voor risico komt van belanghebbende. Belanghebbende heeft gesteld dat hij het bezwaarschrift op 8 november 2011 in [Q] ter post heeft bezorgd en dat de vertraging is toe te rekenen aan PostNL. Belanghebbende heeft deze stelling niet met feiten onderbouwd. Hij heeft het bezwaarschrift niet per aangetekende post verzonden en zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, volgt toerekening van de vertraging aan PostNL niet uit de stelling dat de organisatie bij de Gemeentebelastingen te wensen overlaat noch uit de gestelde mogelijkheid dat de brief bij het postverwerkende bedrijf is blijven liggen. Dat de brief bij PostNL is blijven liggen leidt het Hof – evenals de rechtbank – niet af uit de reactie van [A] van PostNL Klantenservice. Ook de e-mail van [B] is hiertoe ontoereikend, nu hierin slechts algemeen is vermeld dat het door opstartproblemen bij sorteercentra niet is gelukt om alle post op tijd bij de bezorging te krijgen. De verklaring van [C] is onvoldoende om de terpostbezorging op 8 november 2011 aannemelijk te achten, nu deze een jaar later is opgesteld en deze verklaring slechts melding maakt van de verzending van ”zijn brief aan de Gemeentebelastingen Drechtsteden”. Bovendien blijft daarmee onverklaarbaar dat de brief niet op 8 november 2011, maar pas op 15 november 2011 is afgestempeld door PostNL.

7.6.

Het bezwaarschrift is dus te laat ingediend. Van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, is niet gebleken. Uitgaande van het vorenstaande heeft de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7.7.

Op grond van het vorenoverwogene faalt het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. W.M.G. Visser, J.W. baron van Knobelsdorff en M.C.M. van Dijk, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 25 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.