Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5338

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
200.058.234-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissement. Aansprakelijkheid curator. Voorzetting ondernemingsactiviteiten tijdens de verzetprocedure..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 7 mei 2013

Zaaknummer : 200.058.234

Zaak-/rolnummer rechtbank : 298187 / HA ZA 07-3435

Arrest

in de zaak van:

BJ BESTRATINGEN B.V.,

gevestigd te Leiden,

appellante,

hierna te noemen: Bestratingen,

advocaat: mr. G.J. de Bock (Leiden),

tegen

[de curator], in hoedanigheid van curator in de faillissementen van

Katwijk Infra B.V. en Katwijk Verhuur B.V. en pro se,

kantoorhoudende te Noordwijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. P. Wanders (Amsterdam).

Het geding

Bestratingen is bij exploot van 16 februari 2010 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 november 2009 dat de Rechtbank Den Haag heeft gewezen tussen haar als eiseres en de curator als gedaagde. Bij memorie van grieven, tevens wijziging van eis, heeft zij acht grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de curator bij memorie van antwoord zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten op 4 december 2012 doen bepleiten door hun bovengenoemde advocaten die allebei een pleitnota hebben gebezigd. Na afloop van de pleidooien is een arrestdatum bepaald. Die datum is opgeschoven.

De beoordeling van het hoger beroep

1.

Bestratingen vordert van de curator - in hoedanigheid en in persoon - betaling van bestratingswerkzaamheden die zij heeft verricht in de periode van 4 juni 2003 tot 4 juli 2003.

2.

Eerstgenoemde datum, 4 juni 2003, is die waarop Katwijk Infra failliet is verklaard; laatstgenoemde datum, 4 juli 2003, die waarop zij haar verzet tegen haar faillietverklaring heeft ingetrokken. Katwijk Infra was volgens Bestratingen opdrachtgeefster tot de bestratingswerkzaamheden. Met die werkzaamheden was Bestratingen reeds voor het faillissement aangevangen. De reden dat zij de curator aanspreekt tot betaling van de werkzaamheden tijdens het faillissement, meer speciaal de verzetperiode, is dat zij vindt dat de curator heeft toegezegd, althans het vertrouwen heeft gewekt dat zij voor die werkzaamheden zou worden betaald. Dat was voor haar aanleiding om de werkzaamheden voort te zetten, aldus Bestratingen.

3.

De curator weerspreekt een en ander. Volgens haar koos Bestratingen er zelf voor om na de faillietverklaring door te werken en was de opdrachtgeefster bovendien niet Katwijk Infra, maar Katwijk Verhuur B.V., een dochtervennootschap, die op 23 juli 2003 is gefailleerd en die op haar beurt opdracht kreeg van Reef B.V., welke vennootschap niet aan de boedel heeft betaald, maar zich op verrekening heeft beroepen.

4.

De rechtbank heeft de vorderingen van Bestratingen afgewezen, daarbij overwegende, onder meer, dat niet gezegd kan worden dat de curator bij de invulling van haar taak onzorgvuldig heeft gehandeld, zodat van aansprakelijkheid uit dien hoofde geen sprake is. Of Katwijk Infra dan wel van Katwijk Verhuur wederpartij is heeft de rechtbank daarom in het midden gelaten.

5.

Grief I behelst als klacht dat ‘de rechtbank bij de beoordeling van het geschil onder rov. 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis geen acht [heeft] geslagen op de voor BJ Bestratingen gestelde feiten en omstandigheden.’

De grief faalt, reeds omdat (i) de rechter vrij is in de keuze van de weergave van de vaststaande feiten en (ii) het niet vermeld zijn van een bepaald feit niet betekent dat daarop geen acht is geslagen bij de beraadslaging. Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat in hoger beroep uiteraard alle door Bestratingen in het kader van haar grieven aangevoerde feiten en omstandigheden bij de beoordeling worden betrokken.

Het in de toelichting op de grief I opgenomen verzoek om te worden toegelaten ‘tot bewijslevering op onderdelen die niet zelfstandig als vaststaand kunnen worden beschouwd’, wordt gepasseerd. De relevantie van een dergelijke bewijslevering is onvoldoende toegelicht, terwijl het verzoek bovendien de nodige specificatie mist.

6.1

Grief II gaat over de vraag wie er opdracht heeft verstrekt aan Bestratingen, Katwijk Infra of Katwijk Verhuur. In hoger beroep wordt deze vraag in de door Bestratingen voorgestane zin beantwoord, aldus dat het ervoor wordt gehouden dat zij Katwijk Infra als opdrachtgeefster mocht beschouwen. Hierbij wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat [betrokkene 1], (indirect) bestuurder van Katwijk Infra, alsook diens advocaat meteen na de faillietverklaring de opdrachtnemers, waaronder Bestratingen, hebben benaderd met het verzoek om de werkzaamheden voort te zetten. Dat alleen al is een aanwijzing dat de gefailleerde vennootschap Katwijk Infra werd gezien als opdrachtgeefster. Daarbij komt dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], waar de curator zich op beroept, ruimte laat voor twijfel of voldoende duidelijk was dat Katwijk Verhuur de opdrachten gaf. Zo verklaart [betrokkene 1] dat ‘alles [..] heel nauw met elkaar verweven [was]’ en dat ‘een echte splitsing tussen Katwijk Infra en Katwijk Verhuur [..] moeilijk aan te brengen [was]’. Kennelijk was het ook voor [betrokkene 1] zelf niet zonneklaar dat Katwijk Verhuur opdrachtgeefster was; anders had hij de curator en de opdrachtnemers hier wel meteen op gewezen, zo mag toch worden aangenomen. Waarom voor Bestratingen dan wel bekend had moeten zijn dat zij ter zake van de onderhavige werkzaamheden (alleen) met Katwijk Verhuur van doen had en niet met Katwijk Infra, is tegen deze achtergrond onvoldoende toegelicht. Die bekendheid volgt ook niet ontegenzeggelijk uit de door de curator gestelde, doch door Bestratingen betwiste omstandigheid dat Bestratingen haar facturen na de faillietverklaring van Katwijk Infra eerst op naam van Katwijk Verhuur heeft gesteld en die tenaamstelling weer heeft gewijzigd in Katwijk Infra toen ook Katwijk Verhuur failliet werd verklaard; die eerdere tenaamstelling, indien al afkomstig van (de boekhouder van) Bestratingen, kan op een vergissing hebben berust of bijvoorbeeld zijn ingegeven door de hoop dat deze (wel) tot betaling zou leiden.

Met betrekking tot dit twistpunt van het opdrachtgeverschap wordt verder nog genoteerd: (i) dat de curator heeft gesteld dat Bestratingen sinds jaar en dag opdrachten uitvoerde voor zowel Katwijk Infra als Katwijk Verhuur - wat er eveneens tegen pleit, gezien ook de verklaring van [betrokkene 1] dat een splitsing moeilijk is, om Katwijk Infra als opdrachtgever te schrappen - en (ii) dat de curator volgens haar brief van 27 december 2005 ‘inzake Katwijk Infra’ de opdrachtnemers na het verzet heeft bericht ‘dat, nu de werkzaamheden zijn verricht na de datum van het uitspreken van het faillissement (van Katwijk Infra, toev. hof), deze als boedelvordering zullen worden erkend’, in welke erkenning ook die van het opdrachtgeverschap van Katwijk Infra ligt besloten.

6.2

Het aanbod van de curator om [betrokkene 1] onder ede zijn schriftelijke verklaring te laten bevestigen wordt gepasseerd. Aangezien de juistheid van het standpunt van de curator niet uit die verklaring blijkt, brengt een bevestiging ervan de curator niet verder.

7.

De grieven III en IV zijn gericht tegen de door de rechtbank toegepaste maatstaf voor aansprakelijkheid van de curator, in hoedanigheid en in persoon. Daarover wordt het volgende overwogen.

De maatstaf is die van art. 6:162 BW. Daarbij dient wel de bijzondere positie van de curator in ogenschouw te worden genomen. Onder omstandigheden kan daarin een rechtvaardiging worden gevonden voor handelen dat anders als onrechtmatig is aan te merken. Wat de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator betreft, is in HR 16 december 2011, NJ 2012/515, LJN: BU4204 nog eens onderstreept dat terughoudendheid past bij aanvaarding daarvan; de curator moet een persoonlijk verwijt treffen van zijn onjuiste taakuitoefening, waarvoor vereist is dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien. Bestratingen, die verdedigde dat voor een dergelijke terughoudendheid geen aanleiding bestaat, heeft daarin dan ook ongelijk. Nadat zij hier door de curator in de memorie van antwoord onder vermelding van genoemd arrest op was gewezen heeft zij bij gelegenheid van het nadien gehouden pleidooi ter zake nog slechts opgemerkt dat ‘over de toetsingsnorm voor de aansprakelijkheid van de boedel en [de curator] [..] door partijen al voldoende geschreven [is]’.

Wat de vordering tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de curator q.q. betreft heeft de curator aangevoerd dat Bestratingen daarbij geen belang heeft, gezien de lege boedels. Bestratingen heeft dit niet gemotiveerd tegengesproken. De betreffende vordering moet daarom stranden. Bij de bespreking van de navolgende grieven zal overigens blijken dat van een onjuiste taakuitoefening door de curator geen sprake is. Aansprakelijkheid van de curator op die grond kan dan ook niet worden aanvaard. Dat in de laatste zin nadruk wordt gelegd op het ‘op die grond’ heeft als reden dat aansprakelijkheid van de curator q.q. en de boedel uiteraard ook een andere grondslag kan hebben dan onrechtmatige daad. Die niet-delictuele aansprakelijkheid lijkt hier op zichzelf niet in geschil; zie de erkenning in de brief van 27 december 2005, aangehaald aan het slot van 6.1. Uitgaande van het opdrachtgeverschap van Katwijk Infra is er geen goede grond om de curator niet aan die erkenning te houden.

8.1

Grief V luidt: ‘Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 aangenomen dat de curator niet heeft verzocht om voortzetting van de werkzaamheden.’

8.2

Bij de bespreking van deze grief wordt vooropgesteld dat, anders dan Bestratingen meent, van belang is dat het hier niet gaat om een door de curator nieuw verstrekte order, maar om onderhanden werk waaraan tijdens de verzetprocedure is doorgewerkt. Hangende de verzetprocedure, waarin nog geen sprake is van een onherroepelijk faillissement, zal de curator terughoudendheid dienen te betrachten en zoveel mogelijk moeten streven naar handhaving van de status quo (vgl. in dit verband art. 13, lid 2, Fw). Het staken van een onderneming (‘de stekker eruit’), met de veelal onomkeerbare gevolgen van dien, is in die fase vaak geen passende actie. Ook in het onderhavige geval lag een dergelijke maatregel niet voor de hand, in aanmerking nemende, onder meer, dat er kennelijk nog lopende werkzaamheden waren en het verzet niet bij voorbaat kansloos leek. Min of meer in lijn hiermee schreef de curator bij brief van 11 juni 2003: ‘Het ingestelde verzet heeft tot gevolg dat, zulks in overleg met de Rechtbank, Katwijk Infra B.V. haar werkzaamheden tot de datum van de mondelinge behandeling op de gebruikelijke wijze zal voortzetten. Mocht dan blijken dat Katwijk Infra niet in staat van insolventie verkeert dan zal het faillissement worden vernietigd.’ Een dergelijke mededeling impliceert niet en wekt niet het vertrouwen dat de curator bereid en in staat is om lopende contracten inclusief de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen gestand te doen, noch dat, anders dan in de periode voorafgaande aan het faillissement, betaling van de nadien voortgezette werkzaamheden is gegarandeerd. Indien Bestratingen een dergelijke garantie van de curator wenste, had zij dit aan de orde moeten stellen, wat zij niet heeft gedaan (vgl. art. 37 Fw). Alertheid hierop lag temeer voor de hand, nu Bestratingen naar zij stelt ten tijde van het uitspreken van het faillissement reeds een onbetaalde vordering van circa

€ 40.000,- had op de failliet, maar dit laatste terzijde.

8.3

Evenmin laat bedoelde brief van 11 juni 2003 zich lezen als een verzoek aan dan wel aansporing van Bestratingen om, hangende het verzet, de werkzaamheden in opdracht van de curator en ten laste van de boedel voort te zetten; er staat bijvoorbeeld niet: ‘hierbij verzoek ik u / draag ik u op om de bestratingswerkzaamheden voort te zetten’. Voor het niettemin in die zin uitleggen van de brief - aan de hand van de Haviltexmaatstaf - is onvoldoende aangevoerd. Toegevoegd wordt nog dat ook niet erg voor de hand ligt dat een curator een dergelijk verzoek zal doen in een verzetperiode die nu eenmaal vol onzekerheden is. De curator heeft Bestratingen wel bericht, zie haar brief van 27 december 2005, dat ‘wanneer het verzet zou worden gehonoreerd, betaling van de werkzaamheden moet plaatsvinden’. Bestratingen noemt dit een betalingstoezegging door de curator, maar daarin heeft zij ongelijk; in de eerste plaats vormt de erkenning van een bij vernietiging van het faillissement bestaande betalingsverplichting geen garantie of toezegging dat er inderdaad zal worden betaald; dat kan ook niet omdat de curator dan niet meer in beeld is. Bovendien staat er nu juist niet dat, mocht het verzet niet worden gehonoreerd, betaling door de curator dan wel uit de boedel zal plaatsvinden. De brief is dan ook veeleer een waarschuwing dat betaling in dat geval niet was gegarandeerd.

Steun voor het standpunt van Bestratingen is ook niet te vinden in de in haar bezit gekomen brief van 4 juli 2003 van de curator aan [betrokkene 1], inhoudende: ‘Het is van groot belang dat zoveel mogelijk wordt gedeclareerd over de periode 4 juni tot heden. Degene die in die periode hebben gewerkt of goederen hebben geleverd kunnen na ontvangst van die gelden met voorrang zo mogelijk worden betaald.’ Deze brief toont slechts aan dat de curator, zoals zij later ook schreef, bereid was de werkzaamheden, indien daar inkomsten tegenover stonden, voor zover mogelijk uit de boedel te voldoen; er ligt niet in besloten dat er voldoende boedelactief was en evenmin dat de curator zou instaan voor betaling. Dat die betaling afhankelijk was gesteld van inkomsten op de boedelrekening vindt ook bevestiging in de e-mail van 3 september 2003 van de boekhouder van Bestratingen, Adminitratiekantoor [administratie], voor zover inhoudende: ‘[..] Bestratingen heeft nog geen betaling mogen ontvangen. De betreffende opdrachtgevers melden dat zij hun rekeningen van Katwijk Infra BV wel aan de curator hebben overgemaakt.’

8.4

Bestratingen heeft geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan met betrekking tot het door haar gestelde verzoek tot voortzetting van de werkzaamheden. Weliswaar biedt zij bewijs aan van de ‘mededelingen van [de curator] omtrent betaling van facturen van BJ Bestratingen gedurende de doorwerkperiode’, maar voor zover hiermee bedoeld is dat die mededelingen iets meer of wat anders inhouden dan hetgeen de curator zelf geschreven heeft, is daaraan onvoldoende onderbouwing gegeven. Daarbij komt dat Bestratingen bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft bevestigd dat uitsluitend haar directeur [betrokkene 2] met de curator heeft gesproken. Daarnaar gevraagd heeft de toen aanwezige [betrokkene 2] verklaard dat wat de curator hem verteld heeft erop neerkwam dat als er gelden in de boedel zouden stromen de facturen zouden worden betaald. Dat is in lijn met wat in de brief van de curator van 4 juli 2003 staat en ook met de mededeling van de curator volgens haar brief van 12 juni 2006 aan de advocaat van Bestratingen: ‘Tijdens de periode van verzet heb ik gesproken met uw cliënte waarin ik hem heb meegedeeld dat, wanneer de opdrachtgevers op juiste wijze tot betaling zouden overgaan, ook de onderaannemers betaald zouden worden.’ Mededelingen van deze strekking vormen geen toereikend bewijs van de juistheid van het door Bestratingen gestelde verzoek, noch van de door haar gestelde betalingstoezegging. Wat het gestelde verzoek betreft wordt nog gewezen op de brief van 17 juli 2003 van Administratiekantoor [administratie] aan de curator, voor zover inhoudende: ‘Met uw toestemming werden de werkzaamheden [..] voortgezet.’ Toestemming van de curator om de werkzaamheden voort te zetten is iets anders dan een opdracht of verzoek van de curator om zulks te doen.

9.1

Grief VI behelst als klacht dat de rechtbank ten onrechte onbehandeld heeft gelaten het standpunt van Bestratingen dat door de curator lichtvaardig is besloten tot voortzetting van de onderneming van Katwijk Infra.

9.2

Bedoeld standpunt van Bestratingen sluit aan bij haar stelling dat de curator om voortzetting van de bestratingswerkzaamheden heeft verzocht en daarbij betaling heeft gegarandeerd, althans toegezegd. Zou dat het geval zijn, dan had van de curator inderdaad mogen worden verlangd dat zij zich er tevoren van had vergewist of gestanddoening mogelijk was. De betreffende stelling kan echter niet als juist worden aanvaard; het moet ervoor worden gehouden dat Bestratingen zelf gekozen heeft voor voortzetting van haar werkzaamheden, zonder zekerheid zijdens de curator dat zij uit de boedel zou kunnen worden betaald. Daarvan uitgaande zijn bedoeld standpunt en het belang bij een behandeling ervan onvoldoende toegelicht. Toegevoegd wordt nog dat de door de curator in acht te nemen zorgvuldigheid in beginsel niet zo ver gaat dat hij een derde die hangende het verzet zaken wil blijven doen met de failliet, daarvan weerhoudt of toereikende zekerheid biedt. Wel is onder omstandigheden een waarschuwing op haar plaats als op voorhand duidelijk is dat het verzet geen kans van slagen maakt. Dat geval doet zich hier echter niet voor, althans is daarvoor onvoldoende aangevoerd.

9.3

Naar aanleiding van de door Bestratingen verder geponeerde stellingen wordt het volgende toegevoegd.

9.4

Onjuist is dat, zoals Bestratingen in de toelichting op de grief stelt, de curator besloten heeft om het gefailleerde bedrijf voor een langere periode voort te zetten. Het ging slechts om de periode in afwachting van de behandeling van het verzet tegen het faillissement. Bovendien hield het ‘op gebruikelijke wijze voortzetten van de werkzaamheden’ in feite niet meer in dan dat de onderneming niet werd gestaakt; de curator heeft geen nieuwe opdrachten verstrekt en evenmin opgedragen het onderhanden werk af te maken. Slechts heeft zij erin bewilligd dat de bestratingswerkzaamheden onder het lopende contract werden voortgezet, waarbij door haar bovendien bereidheid is getoond om, als er betalingen binnenkwamen, Bestratingen daaruit te voldoen, hetgeen in elk geval jegens Bestratingen niet onrechtmatig was. Voor het in deze zin voortzetten van de onderneming, waarvoor een toereikende machtiging van de rechter-commissaris aanwezig was, bestond voldoende aanleiding, in aanmerking nemende dat er (volop) werk voorhanden was en het verzet niet bij voorbaat kansloos scheen. Dat de curator geen nader onderzoek heeft gedaan naar de kans van slagen van het verzet en/of de mogelijkheid dat Reef (en [naam]) zich op verrekening zouden beroepen, in welk geval geen betalingen vanuit de boedel zouden kunnen plaatsvinden, maakt haar optreden jegens Bestratingen niet onzorgvuldig. Het was in de eerste plaats aan Bestratingen om het risico van (verdere) non-betaling in te schatten en zich afdoende zekerheid voor betaling te verschaffen.

9.5

Bestratingen stelt voorts dat de curator haar heeft bevestigd dat Reef en [naam] (jegens de boedel) garant zouden staan voor betaling van de onderaannemers en dat zij betaald zou krijgen voor haar werkzaamheden tijdens de verzetperiode. De juistheid van deze stellingen is echter niet gebleken. Steun ervoor is niet te vinden in de door de curator verstuurde brieven. En voor zover het standpunt van Bestratingen is dat de curator een en ander mondeling heeft toegezegd, is daaraan onvoldoende onderbouwing gegeven; er is niet met enige nauwkeurigheid vermeld aan wie, wanneer en in welke bewoordingen deze toezegging zou zijn gedaan. Hiervoor is er al op gewezen dat alleen [betrokkene 2] met de curator heeft gesproken en dat wat hij over dat gesprek verklaart de juistheid van het standpunt van Bestrating niet bevestigt. Verder is er de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] dat hijzelf optimistisch was over de afloop, maar wel weet ‘dat de curator toen nadrukkelijk heeft gezegd dat er geen zekerheid was en dat zij niets kon garanderen.’ Ook tegen die achtergrond had een specificatie als bedoeld niet mogen ontbreken.

Indien er betalingsbeloften zijn gedaan door dhr. [betrokkene 1] en/of Reef en [naam], en Bestratingen zich mede daardoor heeft laten leiden, leidt dat niet tot aansprakelijkheid van de curator. Het zijn immers geen beloften die door of namens haar zijn gedaan of om andere reden voor haar rekening komen. Overigens, maar dit ter zijde, is twijfel mogelijk of er wel betalingsbeloften zijn gedaan, nu gesteld noch gebleken is dat, wat toch voor de hand had gelegen, Bestratingen [betrokkene 1], Reef en [naam] heeft aangesproken tot gestanddoening ervan.

10.

Grief VII is gericht tegen het buiten toepassing laten van de Beklamel-norm op het handelen van de curator. De toelichting op de grief begint als volgt: ‘Indien en voor zover Uw hof de stelling van [de curator] dat de vordering van BJ Bestratingen ten laste van Katwijk Verhuur dient te komen – quod non – zou volgen, heeft het volgende te gelden.’ Gezien deze toelichting behoeft de grief geen behandeling. Hierboven is immers overwogen dat Katwijk Infra als opdrachtgeefster wordt gezien.

11.

Grief VIII is gericht tegen de door de rechtbank getrokken conclusie dat de curator bij de invulling van haar taak als curator niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat persoonlijke aansprakelijkheid al helemaal niet aan de orde is.

Deze grief kent als uitgangspunt dat de curator door gedragingen en geruststellende uitlatingen bij Bestratingen het vertrouwen heeft gewekt dat zij voor haar werkzaamheden zou worden betaald. Dit uitgangspunt is echter onjuist, althans onvoldoende onderbouwd. Hetgeen de curator heeft geschreven en gezegd rechtvaardigt niet het vertrouwen dat de boedel, zijzelf of enig ander garant stond voor betaling.

Voor zover [betrokkene 1] een te positief beeld over de slagingskansen van het verzet heeft opgeroepen en Bestratingen zich daardoor heeft laten leiden, kan zij de curator daarvoor niet aansprakelijk houden. Het had op de weg van Bestratingen gelegen om bij de curator te verifiëren dit beeld klopte en, belangrijker, of betaling was gegarandeerd. Niet gebleken is dat de curator daarover geruststellende mededelingen heeft gedaan.

12.

De slotsom is dat hetgeen Bestratingen heeft aangevoerd het verwijt van een onjuiste taakuitoefening door de curator niet kan dragen en al helemaal geen basis biedt voor persoonlijke verwijtbaarheid van een dergelijke beroepsfout. Het bestreden vonnis wordt daarom bekrachtigd, met afwijzing van het in hoger beroep meer of anders gevorderde en veroordeling van Bestratingen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Bestratingen in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de curator bepaald op € 1.188,= aan verschotten en op

€ 4.893,= aan salaris voor de advocaat;

- verklaart deze uitspraak ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij

voorraad;

- wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, E.J. van Sandick, A.J. Berends en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2013 in aanwezigheid van de griffier.