Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5256

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
200.115.705/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding omgangsregeling. Vermindering van het bedrag van de door de vrouw te verbeuren of verbeurde dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.115.705/01

Rolnummer rechtbank : 389900 / HA ZA 11-2049

arrest van 11 juni 2013 Kort Geding

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr M.J.A. van Schaik te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde ],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. drs. R.H.P. Feiner te Rotterdam.

Verloop van het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 oktober 2012 is de moeder in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 september 2012 door Voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven, met producties, heeft de moeder drie grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft de vader de grieven bestreden.

Partijen hebben de zaak op 24 april 2013 bepleit en arrest gevraagd. Partijen hebben er nadrukkelijk mee ingestemd dat het hof zal beslissen op het griffiedossier, derhalve zonder dat de partijen hun originele procesdossiers aan het hof zullen overleggen.

Beoordeling in hoger beroep

1 De feiten

1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

1.2

Partijen zijn de ouders van de minderjarige: [X], geboren op [geboortedatum], nader te noemen: de minderjarige.

1.3

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige, de vader heeft de minderjarige erkend.

1.4

Dit hof heeft bij beschikking van 4 april 2012 een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige bepaald, inhoudende dat de minderjarige bij de vader zal zijn : gedurende vier maanden tot aan de zomervakantie: éénmaal in de twee weken op woensdag uit school tot 18.00 uur; gedurende de zomervakantie: éénmaal in de twee weken op woensdag van 10.00 uur tot 18.00 uur, en na de zomervakantie: éénmaal in de twee weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur.

1.5

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder meer overwogen: “ 4.1 ...Tot op heden heeft er eenmaal op 4 juli 2012 een contact tussen de man en de minderjarige plaatsgevonden. De door het gerechtshof bepaalde omgangsregeling is voor het overige niet uitgevoerd. 4.2 met partijen zijn verschillende opties besproken over hervatting van de door het gerechtshof bepaalde omgangsregeling. Ter zitting is het volgende vastgesteld. 4.3 Om de omgangsregeling langzaamaan op te bouwen zal de man de eerste vier keer omgang hebben met de minderjarige op de volgende data: ..”.

1.6

De voorzieningenrechter heeft een omgangsregeling bepaald met vier opbouwmomenten, waarna aansluitend, met ingang van 18 november 2012 de reguliere omgangsregeling zal gelden zo als bij voornoemde beschikking van dit hof vastgesteld. De voorzieningenrechter heeft tenslotte bepaald dat de moeder ten titel van dwangsom zal verbeuren een bedrag van € 500,-- per omgangsmoment voor elke keer dat de moeder de veroordeling niet nakomt, aan welke dwangsom een maximum wordt verbonden van € 5.000,--.

1.7

Tussen de vader en de minderjarige is er geen omgang geweest na de datum van het bestreden vonnis, noch conform de door de voorzieningenrechter bepaalde regeling, noch anderszins.

1.8

De moeder heeft met een verzoekschrift tot wijziging omgangregeling, gedateerd 4 januari 2013, een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, strekkende tot opschorting van de door dit hof bij voornoemde beschikking bepaalde omgangsregeling.

2 De vorderingen van de moeder in het hoger beroep in Kort Geding

De moeder verzoekt het hof het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vader alsnog in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen en derhalve het verzoek van de man tot nakoming van de door het hof bepaalde omgangsregeling af te wijzen, althans deze te schorsen en het verzoek tot het opleggen van een dwangsom ad € 500,-- per omgangsmoment dat de moeder de veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,--, af te wijzen. De moeder verzoekt de vader te veroordelen in de kosten van van beide instanties.

3 De conclusie van de man

De man concludeert tot bevestiging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 september 2012, met ongegerondverklaring van de grieven en met veroordeling van de moeder in de kosten van beide instanties.

4 Overwegingen van het hof

Ten aanzien van de omgang

Het hof stelt vast dat het mediationtraject dat partijen op voorspraak van dit hof hebben ingezet niet tot overeenstemming heeft geleid. Op basis van die vaststelling heeft de voorzieningenrechter partijen ter zitting, zo blijkt uit de overwegingen, die het hof onder de feiten, 1.5, heeft geciteerd, partijen ertoe bewogen alsnog een mediationtraject in te gaan. Tegelijkertijd is met de partijen ter zitting vast gesteld op welke wijze de omgangsregeling zou worden opgebouwd. De voorzieningenrechter heeft de ter zitting besproken regeling opgelegd. Bij het pleidooi ten overstaan van dit hof heeft de advocaat van de vrouw gemeld dat de vrouw met de besproken regeling ter zitting in eerste aanleg akkoord is gegaan.

Gebleken is dat de partijen eenmaal een mediator hebben bezocht, mevrouw drs. Singendonk. De tweede mediation heeft partijen niet nader tot elkaar gebracht. De opbouwregeling is niet van de grond gekomen, niettegenstaande de uitgesproken veroordeling van de voorzieningenrechter.

Het gegeven dat de omgangsregeling, zoals bepaald door de voorzieningenrechter, niet is nageleefd, ziet het hof als het gevolg van de weigering van de moeder om aan de uitspraak gevolg te geven, dit terwijl zij ter zitting met de voorgestelde regeling akkoord is gegaan.

De vrouw heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat niet langer van haar gevergd zou mogen worden dat zij haar medewerking zou geven aan de regeling als door de voorzieningenrechter opgelegd. Dit betekent dat de grieven I en II dienen te worden verworpen.

Ten aanzien van de dwangsommen

Zijdens de man is tijdens het pleidooi het hof verzocht de dwangsommen ambtshalve te verhogen, nu de vrouw inmiddels het maximum aan dwangsommen heeft verbeurd en nog altijd nalaat aan de veroordeling te voldoen.

De advocaat van de vrouw heeft een uitvoerige toelichting gegeven op het tweede onderdeel van grief III, de hoogte van de bepaalde dwangsommen in relatie tot het inkomen van de vrouw. Zijdens de man is daarop niet gereageerd, zodat het hof er van uit gaat dat hetgeen namens de vrouw is aangevoerd omtrent haar inkomen juist is. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden de dwangsommen, die op grond van het hiervoor overwogene, wel op goede gronden als dwangmiddel zijn ingezet, te hoog zijn bepaald. Het hof acht grief III in dat opzicht gegrond en zal de dwangsom per overtreding mitsdien bepalen op € 250,-- per keer, met een maximum van € 2.500,--.

Proceskosten

Het hof ziet aanleiding de proceskosten te compenseren.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 19 september 2012, doch uitsluitend voor wat betreft de daarin opgenomen dwangsomvoorziening en, in dat opzicht opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw ten titel van dwangsom zal vebeuren, dan wel inmiddels is verbeurd, een bedrag van € 250,-- per omgangsmoment voor elke keer dat de vrouw de door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis uitgesproken veroordeling niet nakomt, dan wel niet is nagekomen, aan welke dwangsom een maximum wordt verbonden van € 2.500,--.

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. van Leuven, van den Wildenberg en Kok en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2013 in aanwezigheid van de griffier.