Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5250

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
200.122.700/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beeindiging uithuisplaatsing vanwege ten goede gekeerde omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 mei 2013

Zaaknummer : 200.122.700/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3045

[de meoder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. Lintjer te Den Haag,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Den Haag,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1.

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2.

[de pleegmoeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegmoeder.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 26 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 november 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 17 april 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 3 april 2013 een brief van 2 april 2013 met bijlage;

De zaak is op 24 april 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    namens Jeugdzorg: mevrouw L.P.J. Hermans en mevrouw A. Sitskorn.

Noch de vader noch de tante is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), verlengd van 29 november 2012 tot 29 november 2013, met behoud van Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren.

Voorts is de aan Jeugdzorg verleende machtiging om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 29 november 2012 tot 29 november 2013, zijnde de datum waarop de ondertoezichtstelling afloopt, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit van 22 november 2012.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht voor de periode van 29 november 2012 tot 29 november 2013.

2.

De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking, waarbij de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van een jaar is verlengd, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot verlening van de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen.

Procedure

3.

Het hof overweegt als volgt. De moeder stelt zich allereerst op het standpunt dat zij niet op de hoogte was van de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep mede dient om eventuele processuele verzuimen in eerste aanleg te herstellen. Nu de moeder in hoger beroep is verschenen en in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, zijn daarmee de door de moeder gestelde verzuimen - wat daar overigens ook van zij - hersteld.

Inhoudelijk

4.

De moeder kan zich niet vinden in de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing met betrekking tot de minderjarige. Zij voert daartoe, kort gezegd, het navolgende aan. De moeder heeft het belang van de minderjarige altijd voorop gesteld. De moeder heeft de minderjarige in het verleden vrijwillig bij de tante vaderszijde geplaatst in verband met huiselijk geweld. De situatie van de moeder is thans stabiel. Van huiselijk geweld is geen sprake meer, omdat de moeder geen contact meer heeft met haar ex-partner. Zij beschikt bovendien over een eigen huis. De moeder staat open voor hulpverlening. Zij acht het in het belang van de minderjarige dat hij bij haar komt wonen. De minderjarige zelf wil dit ook graag.

5.

Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan slechts worden verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 BW, nog bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

6.

Ten tijde van de bestreden beschikking waren de gronden van de uithuisplaatsing naar het oordeel van het hof aanwezig. Er bestonden toen ernstige zorgen over de thuissituatie van de minderjarige en het inzicht van de moeder in die problematiek speelde daarbij ook een rol.

7.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Jeugdzorg heeft ter zitting verklaard dat de situatie bij de tante thans niet langer houdbaar is voor de minderjarige, terwijl de situatie bij de moeder inmiddels stabiel lijkt. Gelet daarop is Jeugdzorg voornemens de minderjarige (vervroegd) bij de moeder terug te plaatsen. Jeugdzorg streeft er naar de minderjarige voor de zomervakantie, derhalve medio juli 2013, bij de moeder terug te plaatsen, onder de voorwaarde dat er een nieuwe school voor de minderjarige is geregeld en de moeder voor haarzelf en de minderjarige hulp heeft aanvaard. Het hof stelt vast dat de moeder zich niet verzet tegen hulp in het kader van de ondertoezichtstelling en zij daarnaast ook thans vrijwillig hulp heeft gezocht voor haar problematiek.

8.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet meer worden aangenomen dat de machtiging uithuisplaatsing nog altijd noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid. Het hof zal hiertoe dan ook beslissen. De opheffing zal echter niet aanstonds geschieden, doch met ingang van 27 juli 2013 (of zoveel eerder als de school van de minderjarige daadwerkelijk afloopt), opdat de moeder de gelegenheid krijgt om een nieuwe school voor de minderjarige te regelen en om de minderjarige te kunnen voorbereiden op zijn terugkeer naar huis.

9.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarmede een uithuisplaatsing vanaf 27 juli 2013 wordt beoogd en voor het overige zal bekrachtigen. Het hof voegt daar nog aan toe dat het Jeugdzorg vrij staat om de terugplaatsing van de minderjarige eerder te organiseren als alle daarvoor noodzakelijke voorzieningen zijn getroffen.

10.

Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht vergt, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betreft het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de termijn vanaf 27 juli 2013 tot 29 november 2013 van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en, in zoverre opnieuw beschikkende:

heft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats], met ingang van 27 juli 2013 op;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Van Leuven en Kok, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2013.