Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5198

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
02-03-2014
Zaaknummer
200.037.505-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3037, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is in 1962 als religieus geprofest in de congregatie van geïntimeerde. Bij (ook in beroep bevestigd) decreet van 21 november 2003 is appellant van geintimeerde weggezonden wegens "obstinate disobedience to the lawful orders of Superiors in grave matters". Appellant stelt dat de wegzendingsprocedure niet zorgvuldig is verlopen (met gevorderde schade als gevolg) en dat de (canoniekrechtelijke) procedure niet met voldoende waarborgen is omkleed (art. 6 EVRM).

Hof: het betreft hier een tuchtrechtelijke procedure die door de burgelijke rechter slechts marginaal getoetst kan worden. Bij de marginale toetsing is bij het verenigingsrecht zoals hier aan de orde, voor art. 6 EVRM geen plaats. Art. 6 EVRM richt zich tot de verdragstaten, niet rechtstreeks tot de burger. Wel reflexwerking mogelijk. Wegzendingsprocedure naar behoren verlopen. Vordering schadevergoeding afgewezen. Hof qualificeert relatie van partijen als een overeenkomst sui generis, niet als een arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2015/19 met annotatie van
JAR 2014/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.037.505/01

Rolnummer Rechtbank : 814476 \ CV EXPL 07 -19262

Arrest van 14 mei 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats]

appellant,

advocaat: mr. drs. T. van Kooten te Utrecht,

tegen

1.

Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis

van de Heilige Maagd Maria,

gevestigd te Maastricht,

2.

Nederlandse provincie van de Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte

Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.G.W. Verstraten te Tilburg.

Partijen worden hierna ook aangeduid als [appellant] enerzijds en als “de Congregatie” respectievelijk “de Provincie” anderzijds.

Het geding

1.

Bij exploten van 12 en 15 juni 2009 is appellant (hierna: [appellant]) in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen (tussen)vonnissen van 11 december 2007, 2 september 2008 en 17 maart 2009. Bij memorie van grieven (met producties) zijn 18 grieven opgeworpen, die alle bij memorie van antwoord zijn bestreden. Op 5 oktober 2012 hebben partijen hun standpunten nader doen bepleiten. [appellant] door mr. T van Kooten en geïntimeerden door mr. A.G.W. Verstraten, beiden voornoemd. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. Met instemming van partijen wordt arrest gewezen op het dossier dat het hof ter voorbereiding van het pleidooi is toegezonden.

Beoordeling van het hoger beroep

2.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Daartegen, voor zover vastgesteld, is in hoger beroep niet opgekomen, zodat die feiten tussen partijen vast staan. De grieven II en III zijn alleen gericht tegen het niet vaststellen van bepaalde feiten door de kantonrechter. Deze komen - voor zover van belang - bij de beoordeling van de grieven aan de orde.

3.

Het hof zal van die door de kantonrechter vastgestelde feiten uitgaan en deze nog aanvullen met enige hierna te vermelden feiten die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn. Samengevat gaat het om het volgende.

- Geïntimeerden zijn kerkelijke, rechtspersoonlijkheid bezittende, verenigingen van

religieuzen binnen de Rooms Katholieke Kerk. Geïntimeerde sub 1. is een internationale

organisatie met onder andere nationale afdelingen in Ghana en Nederland. Aan het hoofd

van geïntimeerde sub 1. staat de Generale Overste. Geïntimeerde sub 2. is de Nederlandse

afdeling van geïntimeerde sub 1. met aan het hoofd de Provinciale Overste.

- [appellant], geboren op [geboortedatum], is op [datum] 1962 als religieus geprofest in de

congregatie van geïntimeerden, hetgeen inhoudt dat [appellant] de gelofte van

gehoorzaamheid, celibaat en armoede heeft afgelegd. [appellant] is daarbij lid

geworden van geïntimeerde sub 2.;
- Op 11 maart 1984 is een overeenkomst tussen de Provincie en [appellant] tot stand

gekomen. Hierin is onder andere bepaald:

1. “

1. Na overleg te hebben met het Generaal Bestuur, keurt het Provinciaal Bestuur het

verzoek van [appellant] goed om voor onbepaalde tijd alleen te mogen blijven

wonen. Het P.B. heeft begrip voor het verzoek, maar is van mening dat het niet de

verantwoordelijkheid voor dit alleenwonen kan dragen.
2. Daarom verbindt het P.B. de volgende voorwaarde aan zijn goedkeuring van dit

verzoek. [appellant] is voortaan uitsluitend zelf verantwoordelijk voor de vorm en

inhoud die hij aan zijn broeder-zijn geeft. Dit houdt in dat hij de volgende zaken in het

vervolg zelf dient te regelen en daar uitsluitend zelf verantwoordelijk voor is:

huisvesting, werkkring, studie, vorming, verzekeringen, belastingen en de besteding van

zijn salaris. Hij heeft bij deze zaken dus niet langer recht op de hulp en de bemoeienis van

het P.B.
3. De relatie tussen [appellant] en het bestuur - P.B. zowel als G.B. - zal vooral

van informatieve aard zijn. Overigens blijft [appellant] volwaardig broeder f.i.c.

met alle rechten en plichten die daaraan verbonden zijn behoudens het gestelde onder

nummer 2 van deze overeenkomst.(…)”;

- Vanaf 1962 tot 1989 was [appellant] lid van geïntimeerde sub 2, vanaf 1989 tot

november 2000 was [appellant] lid van de Ghanese provincie van geïntimeerde sub1.;

- Tussen [appellant] en de leiding van genoemde Ghanese provincie is een conflict

ontstaan;

- Op 15 november 2000 heeft de Generale Overste [appellant] mondeling op de hoogte

gebracht van zijn besluit om [appellant] over te plaatsten naar de Nederlandse

provincie, zijnde geïntimeerde sub 2.

- Op 16 november 2000 is de overplaatsing schriftelijk aan [appellant] bevestigd, verder

is in de brief het volgende opgenomen : “We expect you therefore to either collect or have

collected your personal belongings in Ghana and report to the Dutch Provincial Superior

on or before 8th Januari 2001 (…).

- [appellant] heeft aan die oproep geen gehoor gegeven en is in maart 2001 naar Ghana

teruggekeerd. Nadien is [appellant], in 2003, nog drie maal verzocht/aangezegd zich bij

de Provinciale Overste in Nederland te melden. [appellant] heeft daaraan geen gevolg

gegeven;

- Bij decreet van 21 november 2003 van de Generale Overste van geïntimeerde sub 1 is het

volgende bepaald:

“I, Bro.[betrokkene], (…) herewith officially dismiss [appellant] as a member

of this Congregation (…).

The reason for this dismissal is the ‘obstinate disobedience to the lawful orders of

Superiors in grave matters’ (…) by Bro. [appellant].. Bro. [appellant]'s

persistent refusal to comply with the demands of his lawful religious superiors is in open

violation to the religious vow of obedience (…).

- Dit decreet is (op verzoek van geïntimeerde sub 1.) bij besluit van de Congregatie voor

Religieuzen bij de Heilige Stoel op 10 februari 2004 bevestigd. Hiertegen heeft[appellant]

bezwaar aangetekend. Bij besluit van 28 februari 2005 zijn de bezwaren van [appellant]

ongegrond verklaard en is het besluit van 10 februari 2004 herbevestigd. Tegen die

bevestiging heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Signatura Apostolica. Op 2 maart

2006 heeft deze Vaticaanse rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het bezwaar van

[appellant] tegen die uitspraak is door dezelfde rechtbank op 2 december 2006 definitief

afgewezen.
- Bij brief van 6 december 2006 wordt aan [appellant] door de Provincie het volgende

bericht:

“Today, 6 December 2006, we received the document from the “Supremum Signaturae

Apostolicae Tribunal” (..) dated 2 December 2006.

This document confirms the earlier decision of the same Signatura dated 2 March 2006

(…). This means that from the date of issue of this decision, 2 december 2006, you have

been dismissed and are no longer a member of the Congregation of the Brothers of the

Immaculate Conception of the Blessed Virgin Mary.

4.

Tegen de achtergrond van voormelde feiten heeft [appellant] bij inleidende dagvaarding van 29 juni en 2 juli 2007 geïntimeerden gedagvaard daarbij vorderende:

1. verklaring voor recht dat tussen [appellant] enerzijds en gedaagden

(thans: geïntimeerden) anderzijds, althans een hunner, een arbeidsovereenkomst bestaat,

ingaande op of omstreeks het jaar 1962 althans op een door de Rechtbank in goede justitie

te bepalen ingangsdatum;

2. verklaring voor recht dat gedaagden (thans: geïntimeerden), althans een hunner, de

arbeidsovereenkomst met eiser kennelijk onredelijk hebben casu quo heeft opgezegd;

3. gedaagden (thans: geïntimeerden), althans een hunner, te veroordelen de

arbeidsovereenkomst met [appellant] te herstellen en daarbij voorzieningen te treffen

omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst alsmede te

bepalen dat de verplichting tot herstel van de arbeidsovereenkomst vervalt door betaling

van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen afkoopsom;

4. subsidiair, namelijk bij (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van het gevorderde sub 3,

verklaring voor recht dat het ontslag d.d. 26 januari 2007 onregelmatig is gegeven en

daarbij tevens te bepalen op welke datum de arbeidsovereenkomst zal eindigen, althans is

geëindigd en daarbij tevens gedaagden, althans een hunner, te veroordelen tot betaling aan

eiser van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen schadevergoeding;

5. gedaagden (thans: geïntimeerden), althans een hunner, hoofdelijk te veroordelen tot

betaling van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen schadevergoeding aan [appellant]

ter zake van de door [appellant] geleden schade ter zake van het misgelopen

pensioen in geld en natura en immateriële schade;

6. gedaagden (thans: geïntimeerden), althans een hunner, hoofdelijk te veroordelen tot

publicatie van het te wijzen vonnis, althans het dictum van dit vonnis op de website

www.brothers-fic.org gedurende tenminste 60 dagen en tevens tot schriftelijke

bekendmaking aan alle leden van gedaagden (thans geïntimeerden), althans gedaagden

(thans: geïntimeerden) te gelasten tot zuivering van de eer en goede naam van eiser op een

door de Rechtbank in goede justitie te bepalen wijze, zulks op verbeurte van een

dwangsom van € 5.000 per dag;

7. gedaagden (thans: geïntimeerden) hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze

procedure.

5.

De kantonrechter heeft (uiteindelijk, na tussenvonnissen) de vordering van [appellant] integraal afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure.

6.

[appellant] kan zich met die vonnissen van de kantonrechter niet verenigen, reden waarom hij van die uitspraak in hoger beroep gekomen is en vernietiging vordert van alle onder 1 genoemde (tussen)vonnissen. Verder heeft [appellant] gepersisteerd bij zijn vordering zoals hiervoor onder 3 weergegeven. Daarnaast heeft [appellant] zijn vordering vermeerderd en gevorderd geïntimeerden ook hoofdelijk te veroordelen tot het aanbieden van excuses aan [appellant] voor hun aandeel in de wijze waarop zij in de afgelopen jaren met [appellant] zijn omgegaan, in het bijzonder de wijze waarop het wegzendingsdecreet tot stand is gekomen. Met betrekking tot de grieven overweegt het hof als volgt.

7.

Allereerst moeten de bezwaren worden beoordeeld, die [appellant] heeft ingebracht tegen het oordeel van de kantonrechter (ro. 2.18 tussenvonnis van 2 september 2008) dat er tussen partijen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ter zake oordeelt het hof het volgende. Zeker na de overeenkomst van 13 maart 1984 voldoet de relatie van partijen niet aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in art. 7:610 BW. [appellant] is op grond van genoemde overeenkomst zelf verantwoordelijk voor zijn huisvesting en levensonderhoud zonder instructies van geïntimeerden. Ook wordt [appellant] voor zijn werkzaamheden niet door geïntimeerden betaald, noch in contanten noch in natura. De relatie van partijen zal, zoals de overeenkomst van 13 maart 1984 aangeeft, vooral van informatieve aard zijn. Uit niets blijkt dat aan deze situatie een einde gekomen is, ook niet in de periode vanaf 1989 (toen [appellant] werd teruggeplaatst naar Nederland) tot de wegzending.

Bij gebreke van een arbeidsovereenkomst kan van detachering (in civielrechtelijke zin) van [appellant] door geïntimeerden evenmin sprake zijn.

8.

Waar er van een tussen partijen bestaand hebbende arbeidsovereenkomst in ieder geval sedert 13 maart 1984 geen sprake geweest is, moet de conclusie zijn dat alle door [appellant] ingestelde vorderingen die gebaseerd zijn op zo’n arbeidsovereenkomst, voor afwijzing gereed liggen. Het gaat daarbij om de vorderingen zoals hiervoor onder 4.1 t/m 4.4 zijn weergegeven.

9.

Waar de relatie van partijen niet kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, rijst wel de vraag hoe de relatie van partijen dan moet worden gedefinieerd. In dat verband overweegt het hof als volgt. Gelijk de kantonrechter heeft overwogen is ook het hof van oordeel dat het hier om een overeenkomst sui generis gaat. Die overeenkomst bevat wel vermogensrechtelijke aspecten. [appellant] klaagt er over (in zijn subsidiaire stellingname waar hij ook uit gaat van een overeenkomst sui generis), dat geïntimeerden van hun kant die overeenkomst sui generis niet naar behoren zijn nagekomen. [appellant] refereert daarbij aan de wegzending en de wijze waarop tot die wegzending is gekomen. Volgens [appellant] is de wegzendingsprocedure niet zorgvuldig doorlopen, hetgeen tot schade aan zijn kant geleid heeft. Maar, aldus [appellant], zelfs al zou die procedure wel zorgvuldig zijn afgewikkeld, dan hebben geïntimeerden die overeenkomst, zonder nadeelcompensatie, niet zo maar kunnen opzeggen. [appellant] sluit in dat verband - naar analogie - aan bij art. 7:681 BW. Overigens heeft [appellant] betoogd dat hij weliswaar de materiële schade die hij lijdt, vergoed wil zien, maar dat het hem bovenal gaat om vergoeding van de immateriële schade die hij lijdt als gevolg van het handelen van geïntimeerden als ook de erkenning van geïntimeerden dat zij jegens hem niet correct hebben gehandeld. In verband daarmee heeft [appellant] in hoger beroep zijn eis ook vermeerderd (zie hierboven sub 6).

10.

Met betrekking tot de door [appellant] in het kader van de overeenkomst sui generis gevorderde materiële schade is het hof van oordeel dat van dergelijke schade geen sprake is.

Immers, zelfs al zou daarbij aan de kant van geïntimeerden sprake zijn van een (toerekenbaar) tekortkomen, dan nog stuit de vordering van [appellant] af op het feit dat naar het oordeel van het hof die toerekenbare tekortkoming niet geleid heeft tot relevante materiële schade aan de kant van [appellant]. De wegzending waarmee de overeenkomst sui generis werd beëindigd, heeft er niet toe geleid dat [appellant] verstoken was van inkomsten en niet meer kon voorzien in het eigen onderhoud (voor die inkomsten en dat onderhoud was [appellant] immers sedert 11 maart 1984 al zelf verantwoordelijk). Verder heeft [appellant] (ook in de afgelopen jaren) voor zichzelf een pensioen kunnen opbouwen over 39 jaar. Naast dat pensioen ontvangt [appellant] thans een AOW-uitkering. [appellant] wordt geacht met die inkomsten naar behoren in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Schenkingen aan de Stichting Nederland FIC zijn (inmiddels) onverplicht en blijven hier derhalve buiten beschouwing.

11.

Dat [appellant], zoals hij stelt, door toedoen van geïntimeerden maandelijks € 51,-- minder pensioen ontvangt (geïntimeerden hebben hem in 1970 werkzaamheden laten verrichten op een RK-MAVO in 's-Gravenhage terwijl een andere broeder formeel was benoemd en het salaris daarvoor ontving) doet aan het voorgaande niet af. [appellant] heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt dat het hierbij gaat om schade die is veroorzaakt door de wegzending in 2007. Zonder de wegzending zou [appellant] hetzelfde pensioen hebben ontvangen. Wellicht zou hij dan kost en inwoning hebben genoten, maar daartegenover zou de (nu kwijtgescholden) levenslange schenkingsverplichting hebben gestaan. Hiermee valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat [appellant] als gevolg van de wegzending een schade van € 51,-- per maand heeft geleden.

12.

[appellant] heeft ook nog betoogd dat hij, als gevolg van de wegzending, geen aanspraak meer kan maken op verzorging door geïntimeerden tot aan zijn levenseinde, zodat hij genoodzaakt is daarvoor zelf een regeling te treffen, hetgeen (voor zover het de financiële kant daarvan betreft), naar het hof begrijpt, ook tot de materiële schade gerekend kan worden. Met betrekking tot dit punt overweegt het hof dat voor zover er in deze kwestie al sprake is van schade, die schade voor vergoeding niet in aanmerking komt nu die schade op geen enkele manier is gespecificeerd en/of onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ook hier ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat er per saldo sprake is van materiële schade. Een verwijzing naar een schadestaatprocedure is niet gevorderd.

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen zijn geïntimeerden bij gelegenheid van de wegzendingsprocedure ook niet gehouden [appellant] een vergoeding toe te kennen analoog aan art. 7:681, lid 2 aanhef en sub b BW.

13.

Naast de (niet toewijsbare) vordering tot vergoeding van materiële schade heeft, naar het hof de vordering van [appellant] begrijpt, [appellant] in het kader van de overeenkomst sui generis ook een vordering ingesteld tot het naar billijkheid vaststellen van een schadevergoeding wegens het schaden door geïntimeerden van zijn eer en goede naam, een en ander als gevolg van de wegzendingsprocedure en de wijze waarop hij daarbij behandeld is. [appellant] stelt dat genoemde procedure niet met voldoende waarborgen is omkleed en wijst in dat verband op art. 6 EVRM. Volgens [appellant] moet beoordeeld worden of hetgeen het canoniek recht ten aanzien van de wegzendingsprocedure voorschrijft als een juridisch volwaardige rechtsgang kan worden gekwalificeerd (onder andere voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM). Subsidiair betoogt [appellant] dat in zijn situatie de procedure niet correct is doorlopen. Verder heeft [appellant] ook betoogd dat nagegaan moet worden of er voor [appellant] minder bezwarende mogelijkheden zouden zijn geweest dan de eenzijdige beëindiging van de verbintenis tussen partijen. [appellant] wijst in dat verband (onder meer) op de mogelijkheid van exclaustratie.

Met betrekking tot dit onderdeel van de vordering van [appellant] overweegt het hof het volgende.

14.

Geïntimeerden zijn, als zelfstandig onderdeel van de Rooms Katholieke Kerk, kerkgenootschappen in de zin van art. 2:2, lid 1 BW. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, hetgeen in dezen betekent dat haar organisatie en inrichting beheerst wordt door kerkelijk (canoniek) recht. Wel bepaalt art. 2:2, lid 2 dat het statuut (en derhalve de organisatie en inrichting) niet in strijd mag/mogen zijn met de wet. [appellant] heeft zich door zijn intrede (bij het aangaan van de overeenkomst sui generis) bij geïntimeerde sub 2 onderworpen aan de binnen geïntimeerde sub 2 en de gehele Rooms Katholieke Kerk geldende kerkelijke regels, het canoniek recht. Onderdeel van het canoniek recht is de wegzendingsprocedure waar de voorliggende zaak om draait. Het hof duidt die procedure als een tuchtrechtelijke procedure. Het staat de burgerlijke rechter niet vrij die tuchtrechtelijke procedure (onderdeel van de overeenkomst sui generis als hiervoor bedoeld onder 8.) als beheerst door het canonieke en niet het Nederlands civiele recht, inhoudelijk te beoordelen. Zo dient de burgerlijke rechter zich te onthouden van een oordeel aangaande de grond die aan de wegzending ten grondslag ligt. Evenmin mag de burgerlijke rechter de beslissingen beoordelen op volledigheid of consistentie. Slechts een marginale toetsing is toegelaten. In het kader van die marginale toetsing komt - toegespitst op de voorliggende zaak - de burgerlijke rechter naast de toets of er sprake is van strijd met de wet (in dezen niet aan de orde), ook de bevoegdheid toe, te onderzoeken of geïntimeerden zich bij de interne (door het canonieke recht beheerste) rechtsgang rond de wegzendingsprocedure, aan de eigen regels van de toepasselijke bepalingen hebben gehouden en of de interne procedure met voldoende waarborgen is omkleed. In dat kader heeft [appellant] betoogd dat de wegzendingsprocedure getoetst moet worden aan art. 6 EVRM.

15.

Inzake het verenigingstuchtrecht (zoals hier aan de orde) wordt toepasselijkheid van

art. 6 EVRM niet aangenomen. Genoemde bepaling richt zich tegen de verdragstaten en de door hen ingerichte procedures en niet rechtstreeks tot de burgers. Dit betekent overigens niet dat van genoemde bepaling geen reflexwerking uit kan gaan in de relatie burgers en/of niet-publiekrechtelijke rechtspersonen onderling. Het begrip “eerlijk proces” (met name het recht van hoor en wederhoor en de mogelijkheid tot hoger beroep bij een onafhankelijke instantie) staat daarbij centraal. Vertaald naar de onderhavige zaak, komt het neer op de vraag of de wegzendingsprocedure de toets der kritiek (een eerlijke procedure) kan doorstaan. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe overweegt het hof het volgende.

16.

Nadat [appellant] volhard had in het niet voldoen aan de oproep van de Generaal Overste in Nederland om zich bij hem te melden en verslag te doen, is er een besluit genomen tot wegzending. [appellant] is tot twee maal toe gewaarschuwd dat als hij geen gehoor zou geven aan de oproep om naar Nederland te komen en aan de Generaal Overste te rapporteren, een besluit tot wegzending zou worden genomen (zie de brieven van 1 juni 2003 en 14 augustus 2003). [appellant] heeft op beide waarschuwingen gereageerd en (om hem moverende redenen) volhard in zijn standpunt niet naar Nederland af te reizen, waardoor hij de mogelijkheid opgaf mondeling gehoord te worden. Ter zake het (voorgenomen) besluit tot wegzending is [appellant] derhalve voldoende (in de gelegenheid gesteld) gehoord (te worden). Ook het wegzendingsbesluit zelf voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Dat het door [appellant] ingebrachte standpunt niet geleid heeft tot een voor [appellant] gunstige uitkomst wil nog niet zeggen dat zijn argumenten niet zijn meegewogen.

[appellant] heeft verder nog betoogd dat twee van de leden die het besluit genomen hebben daartoe niet gerechtigd waren omdat zij ten tijde van het nemen van het besluit waren geëxcommuniceerd, maar geïntimeerden bestrijden dat en [appellant] onderbouwt een en ander onvoldoende, zodat om die reden aan het door [appellant] gedane bewijsaanbod voorbij gegaan kan worden. [appellant] onderbouwt evenmin zijn stelling dat de Provinciale Overste en de Generale Overste en zijn Raad vooringenomen waren en - door het geven van onredelijke instructies - er op uit waren hem uit hun midden te verwijderen, zodat het hof ook aan dit punt, voor zover al aan zijn oordeel onderworpen, voorbij gaat.

In de procedure die daarna is gevolgd - de voorgeschreven bevestiging van het wegzendingsbesluit door de Congregatie voor religieuzen bij de Heilige Stoel (een “ministerie” voor aangelegenheden die religieuzen betreffen) en het beroep tegen die bekrachtiging door de Signatura Apostolica - heeft [appellant] zijn standpunten (schriftelijk) naar voren kunnen brengen. In een mondelinge toelichting is in genoemde beroepsprocedure niet voorzien. Aangezien [appellant] echter reeds eerder in de procedure had kunnen worden gehoord en hij niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft gesteld dat een door zijn advocaat aan de Signatura Apostolica gericht verzoek om te worden gehoord is gepasseerd, acht het hof deze omstandigheid in het onderhavige geval onvoldoende grond voor het oordeel dat de wegzendingsprocedure met onvoldoende processuele waarborgen zou zijn omkleed.

Dat de communicatie met de advocaat bij de Signatura Apostolica te wensen overliet, komt voor rekening en risico van [appellant] en kan niet afdoen aan het feit dat hoor en wederhoor (althans de mogelijkheid daartoe) heeft plaatsgevonden. Ook het gegeven dat [appellant] bij zijn beroep bij de Signatura Apostolica beperkt was in zijn advocaatkeuze doet aan vorenstaande niet af. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van een te beperkte keuzemogelijkheid of dat anderszins vanwege enige instantie in de Rooms Katholieke Kerk getracht is de bijstand van een advocaat illusoir te maken.

17.

In de wegzendingsprocedure is voorzien in de mogelijkheid om bij een onafhankelijke, van de oorspronkelijke beslisser losstaande, instantie in beroep te komen. Het gaat daarbij om het beroep op de Signatura Apostolica, een Vaticaans rechtsprekend college. [appellant] heeft van die beroepsmogelijkheid gebruik gemaakt en op dat beroep is gemotiveerd beslist. Dat ook de Signatura Apostolica onderdeel is van de Rooms Katholieke Kerk en dat haar leden primair loyaal zijn aan de paus, maakt nog niet dat bedoelde instantie ten opzichte van [appellant] niet als een onpartijdig/onafhankelijke instantie kan worden aangemerkt. Het is (doorgaans) inherent aan het verenigingstuchtrecht dat een beroep beoordeeld wordt door een college dat deel uit maakt van de vereniging. Een en ander is toelaatbaar zolang het maar een op zich zelf staand en voldoende onafhankelijk college is.

18.

[appellant] heeft nog betoogd dat in plaats van met de wegzending volstaan had kunnen worden met een maatregel met minder ingrijpende gevolgen. Wat er van die stelling zij, het is niet aan de burgerlijke rechter om in de beoordeling van die stelling te treden. Een en ander is het domein van het kerkelijk (tucht)recht.

19.

Gelet op vorenstaande moet de conclusie zijn dat, voor zover de burgerlijke rechter ter zake een oordeel toekomt, de wegzendingsprocedure naar behoren is verlopen. Voor een veroordeling tot vergoeding van welke schade dan ook als gevolg van de wegzendings-procedure en het wegzendingsbesluit is geen valide basis.

Dat [appellant] zich door de uitkomst van de wegzendingsprocedure gediffameerd voelt, doet daaraan niet af en is als zodanig geen grond voor toekenning van een vergoeding voor (gestelde) immateriële schade.

20.

Nu de slotsom is dat van een arbeidsovereenkomst tussen partijen geen sprake is, en op grond van de overeenkomst sui generis noch materiële noch immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, betekent dat dat de vordering van [appellant] een deugdelijke grondslag ontbeert. Dat geldt ook voor de vordering tot herstel van de overeenkomst sui generis, nog daargelaten de vraag of het bijzondere karakter van genoemde overeenkomst zich wel verdraagt met een bevel tot herstel. De vorderingen van

[appellant] worden daarom afgewezen, de bestreden vonnissen worden bekrachtigd.

Voor zover er grieven zijn opgeworpen die in het voorgaande niet aan de orde geweest zijn, zullen die grieven niet alsnog worden besproken nu, wat er van die grieven ook zij, deze niet tot een andere uitkomst van de procedure kunnen leiden.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van zowel de eerste aanleg als van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, tussen partijen gewezen (tussen)vonnissen van 11 december 2007, 2 september 2008 en

17 maart 2009;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot op heden begroot op de kosten zoals hieronder nader gespecificeerd :

vastrecht : € 262,--,

salaris advocaat : € 2.682,--.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, J.J. Roos en G.J.J. Heerma van Voss en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2013 in aanwezigheid van de griffier.