Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5127

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
200.087.105-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van tussenpersoon voor het niet verzekeren van het risico van rejection. Tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/130

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.087.105/01

Zaaknummer rechtbank : 266522/ HA ZA 06-2169

arrest d.d. 3 december 2013

inzake

1 Handelsmaatschappij [X] B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

2. [Y] Onions B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [X], [Y] en samen [Y] c.s.,

advocaat: mr. J.M. Wolfs te Maastricht,

tegen

1 Aon Nederland C.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. Hudig-Langeveldt Makelaardij in Assurantiën B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna samen te noemen: Aon,

advocaat: mr. C.W.M. Lieverse te Den Haag.

Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 28 februari 2011 is [Y] c.s. in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 1 december 2010. Bij memorie van grieven heeft zij vijfentwintig grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht en een productie (met bijlagen) overgelegd. Vervolgens heeft zij bij akte houdende rectificatie tevens wijziging van eis een verschrijving gecorrigeerd, haar eis gewijzigd en twee producties overgelegd. Bij memorie van antwoord heeft Aon de grieven bestreden. Bij diezelfde memorie heeft zij, onder de voorwaarde dat het principale beroep geheel of gedeeltelijk slaagt, incidenteel appel ingesteld en tegen het vonnis waarvan beroep één grief aangevoerd, die door [Y] c.s. bij memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appèl is bestreden. Daarna heeft Aon nog een akte na memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel genomen, waarop [Y] c.s. heeft gereageerd bij antwoordakte na memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.

1.2

Vervolgens hebben partijen op 22 oktober 2013 de zaak doen bepleiten door hun procesadvocaten aan de hand van overgelegde pleitnotities. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3

Ten slotte is arrest gevraagd op het voor het pleidooi ingediende kopiedossier.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de door de rechtbank in haar vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 vastgestelde feiten, nu daartegen geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaren zijn ingebracht.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. [Y], een handelshuis in land-en tuinbouwproducten, heeft in januari 2000 aan een Venezolaanse koper, Agro Sur 2010 C.A. (hierna: Agro Sur), 142.440 zakken uien verkocht voor $ 669.468,-. De verkoop vond plaats onder de leveringsconditie Cost, Insurance and Freight (Incoterms 2000 CIF). De koopprijs is voorafgaand aan het transport betaald. Omstreeks 19 februari 2000 is de lading verscheept in de “White Dolphin”. Op 1 maart 2000 kwam het schip aan in de haven Puerto Cabello te Venezuela. De overheid (SASA) gaf echter geen importvergunning af en weigerde toestemming te geven om het schip te lossen. Een door Agro Sur ingestelde vordering tot het verkrijgen van een machtiging voor het lossen van de uien is op 16 maart 2000 door de rechter in eerste aanleg te Venezuela niet-ontvankelijk verklaard. Dit vonnis is op 19 februari 2002 vernietigd door de Constitutionele kamer van de Venezolaanse Hoge Raad. Omstreeks 27 maart 2000 heeft [Y] aan Aon verzocht om aanvullende dekking te verlenen voor het risico van het verblijf aan boord van het schip. De verzekeraars zijn daarmee akkoord gegaan. De uien zijn uiteindelijk in mei 2000 gelost, eerst 1000 ton en vervolgens de resterende 2400 ton. Er is schade ontstaan aan de uien en [Y] heeft overliggeld (demurrage) betaald.

[Y] c.s. hebben vergoeding van de schade aan de uien en van de overliggelden gevorderd onder de door [X] mede ten behoeve van [Y] en de kopers gesloten transportverzekering. De rechtbank Rotterdam heeft de vordering jegens de verzekeraars afgewezen, omdat de transportverzekering geen dekking biedt voor schade als gevolg van rejection (het niet mogen lossen). Dit hof heeft dat vonnis bekrachtigd.

4. In deze procedure vordert [Y] c.s. veroordeling van Aon tot betaling van de schade aan de uien en van de demurrage. Zij legt daaraan ten grondslag dat Aon haar erop had moeten wijzen dat de transportverzekering geen dekking bood voor het risico van rejection en haar had moeten adviseren die verzekering te sluiten. De rechtbank heeft de vordering die [Y] c.s. voor zichzelf instelde afgewezen, omdat zij zelf geen schade heeft geleden. De door [Y] c.s. ten behoeve van de koper gevorderde schadevergoeding is afgewezen omdat een rejection-verzekering niet tot dekking zou hebben geleid. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de meest relevante oorzaak voor het niet kunnen lossen is gelegen in het ontbreken van (het aanvragen van) importvergunningen en dat die oorzaak aan Agro Sur is toe te rekenen, die voor de vergunningen moest zorgdragen.

5. De grieven 1 tot en met 6 bestrijden het oordeel van de rechtbank dat [Y] c.s. zelf geen schadevergoeding kan vorderen van Aon.

6. Zorgplicht van Aon ten opzichte van [Y] c.s.

6.1

Met de rechtbank stelt het hof voorop dat een assurantietussenpersoon als opdrachtnemer tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het behoort in elk geval tot de taak van de assurantietussenpersoon om zijn opdrachtgever van advies te dienen over te sluiten verzekeringen en te waken voor de belangen van degenen die verzekerd zijn ingevolge de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.

6.2

Bij de beoordeling of Aon aan haar zorgplicht heeft voldaan gaat het hof er vanuit, omdat dat is gesteld en onvoldoende is weersproken, dat [Y] c.s. in 1995 bij Aon een "all risks" transportverzekering heeft aangevraagd, dat die verzekering is opgesteld door Aon en dat daarin is opgenomen de clausule " TG941-021 Special Cargo Clauses", waarin onder 1.1 staat:

"This insurance is against all risks of loss and/or damage to the subject-matter insured and covers also any physical loss and/or damage caused by delay (…).

This insurance covers furthermore (…) the loss of and/or damage to the subject-matter insured by inherent vice resulting from

- (…)

- delay in connection with strike, lock-out, labour disturbance, riot or civil commotion (…)".

6.3

Het hof oordeelt als volgt. Aon prijst zichzelf aan als een toonaangevend dienstverlener op het gebied van onder meer verzekeringen. Zij betwist niet dat zij één van de grootste assurantietussenpersonen ter wereld is en ook optreedt als risk consultant. Zij ontkent ook niet dat zij standaard rejection-verzekeringen heeft. In die omstandigheden mag van Aon worden verwacht dat zij de verschillen tussen de transportverzekering en de rejectionverzekering kent en weet welke risico’s wel en niet onder de transportverzekering zijn gedekt. Vast staat verder dat [Y] c.s. om een all risks verzekering heeft gevraagd. Gelet hierop en mede in aanmerking nemende de hiervoor weergegeven clausule mocht [Y] c.s. er in redelijkheid van uit gaan dat tot de onder de verzekering gedekte risico’s ook vertraging bij het – in beginsel tot de transportfase behorende – uitladen van de lading behoorde. Het hof is van oordeel dat in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden van Aon bij het aangaan van de verzekering kan worden gevergd dat zij duidelijk uiteenzet welke risico's onder de "all risks" verzekering vallen en welke daar, ondanks de bewoordingen "all risks", niet toe behoren, zodat [Y] c.s. een weloverwogen besluit kan nemen om deze verzekering te sluiten dan wel in aanvulling daarop de niet gedekte risico’s mee te verzekeren.

6.4

Vast staat dat Aon [Y] c.s. niet heeft voorgelicht omtrent het niet verzekerd zijn van schade die wordt veroorzaakt door een weigering van de zijde van het importland om de lading te laten lossen (het zogeheten “rejectionrisico”). Dat betekent in beginsel dat Aon niet voldaan heeft aan de op haar jegens [Y] c.s. rustende zorgplicht (behoudens de hierna in rov. 10 te bespreken uitzonderingen).

7. Geen schade?

7.1

[Y] c.s. vordert in deze procedure schadevergoeding voor zichzelf wegens demurrage en ten behoeve van Agro Sur voor de ladingschade.

7.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat [Y] c.s. geen schade heeft geleden in eigen vermogen, omdat ingevolge het leveringsbeding CIF de tijdens het vervoer aan de partij uien opgetreden schade en de demurrage voor rekening van de koper komen.

7.3

Tegen het tweede onderdeel van dat oordeel zijn de grieven 3 en 4 gericht. [Y] c..s betoogt dat zij het overliggeld heeft betaald en niet op de koper kan verhalen en dat het CIF-beding alleen interne werking heeft.

7.4

Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [Y] c.s. de koper kan aanspreken voor de schade op zichzelf geen reden vormt om uitkering onder een verzekering te weigeren (tenzij het indemniteitsbeginsel hieraan in de weg staat). In het algemeen volstaat dat de schade onder de verzekering is gedekt en vast staat dat [Y] c.s. de kosten heeft gemaakt. Tussen partijen staat vast dat [Y] krachtens de charterparty met de vervoerder Seatrade verplicht was aan Seatrade de overliggelden te voldoen. Zij had dus ook een verzekerd belang. Aon heeft, nadat [Y] c.s. de betalingsbewijzen had overgelegd, in hoger beroep niet langer weersproken dat [Y] c.s. de demurrage ook daadwerkelijk aan Seatrade heeft voldaan. Indien de rejection-verzekering zou zijn gesloten zou deze dekking hebben geboden voor schade in de vorm van overliggeld. [Y] c.s. heeft derhalve een vordering op Aon voor de betaalde overliggelden, indien komt vast te staan dat Aon jegens [Y] c.s. haar zorgplicht niet is nagekomen (rov. 10.3) en indien wordt aangetoond dat de schade onder de rejection-verzekering zou zijn gedekt (rov. 11.5). Daarmee slagen de grieven 3 en 4.

8. Zorgplicht van Aon ten opzichte van Agro Sur

8.1

De rechtbank heeft in rov. 5.4.2. en 5.4.3 vastgesteld dat op de verhouding tussen Aon en Agro Sur het Nederlandse recht van toepassing. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat daarvan ook in hoger beroep wordt uitgegaan.

8.2

De rechtbank heeft verder in rov. 5.6.2 vastgesteld dat op Aon een zorgplicht rust ten opzichte van toekomstige CIF-kopers voor wie [Y] c.s. als CIF-verkoper in de toekomst verzekeringen zou gaan afsluiten. Tegen dit oordeel is geen grief gericht. Het hof verenigt zich met dit oordeel, dat strookt met de aard van de onderhavige transportverzekering die er (mede) toe strekt de belangen van CIF-kopers te verzekeren. Indien de belangen van een derde – zoals in dit geval Agro Sur – zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van een overeenkomst – zoals in dit geval de overeenkomst van opdracht tot het adviseren en sluiten van een verzekering die ook de belangen van de kopers dekt – dat hij schade of ander nadeel kan lijden als Aon in die uitvoering tekortschiet, brengen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt mee dat Aon deze belangen dient te ontzien door haar gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Het belang van de derde, de CIF-koper, is voor Aon een concreet kenbaar belang geweest bij de te sluiten transportverzekering en er is sprake van concrete voorzienbaarheid van schade ingeval van onzorgvuldigheid in de advisering daarbij. Het heeft Aon dan ook duidelijk moeten zijn dat haar opdrachtgever, [X], haar het belang van derden bij een behoorlijke verzekering toevertrouwde, waaraan niet afdoet dat bij individuele CIF-verkopen [Y] c.s. contractueel tot het sluiten van deugdelijke verzekeringen gehouden zou zijn.

8.3

Dit betekent dat Aon ook tegenover Agro Sur de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, waarvan de inhoud is omschreven in rov. 6.1 tot en met 6.4 van dit arrest.

9. Lastgeving?

9.1

Nadat Aon had betwist dat [Y] c.s. bevoegd was om namens Agro Sur een vordering in te stellen, heeft [Y] c.s. bij conclusie van repliek een brief aan haar van Agro Sur overgelegd waarin zij wordt gemachtigd om alle stappen te nemen om ten behoeve van Agro Sur de vordering tegen Aon met betrekking tot de import van uien geldend te maken.

9.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat [Y] c.s. na dagvaarding haar hoedanigheid niet meer kan wijzigen, zodat zij niet in een latere fase plotseling als gemachtigde (derhalve als onmiddellijk vertegenwoordiger) van Agro Sur kan gaan optreden. Wel kan zij worden ontvangen in haar vordering tot vergoeding van de ladingschade, die zij in eigen naam als lasthebber ten behoeve van Agro Sur heeft ingesteld.

9.3

In grief 1 in het incidenteel appel bestrijdt Aon dit oordeel. Zij voert aan dat de door [Y] c.s. overgelegde machtiging die slechts door Agro Sur is ondertekend alleen de eenzijdige rechtshandeling volmacht inhoudt en niet als een overeenkomst van lastgeving kan worden aangemerkt.

9.4

De grief stelt een kwestie van uitleg aan de orde. Aan een overeenkomst van lastgeving worden geen formele eisen gesteld, zodat zij ook tot stand kan komen zonder dat een (door beide partijen) ondertekend geschrift is opgesteld. De omstandigheid dat de "machtiging" alleen door Agro Sur is ondertekend, betekent dus nog niet dat geen lastgeving overeengekomen kan zijn. Voor het antwoord op die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De gebruikte bewoordingen zijn daarbij niet doorslaggevend. [Y] c.s. heeft gesteld dat zij en Agro Sur (tevens) een lastgeving voor ogen hadden en zijn overeengekomen. Dit standpunt strookt met de strekking van de brief dat [Y] al datgene moet doen wat nodig is om de vordering ten behoeve van Agro Sur geldend te maken. Aon heeft ook geen bewijs aangeboden van haar andersoortige interpretatie van de machtiging. Grief 1 in incidenteel appel faalt dan ook.

10. Ongebruikelijkheid van de rejection-verzekering

10.1

De hiervoor omschreven zorgplicht van Aon gaat niet zover dat Aon ook moet wijzen op niet verzekerde risico's, indien zij er vanuit mag gaan dat (a) [Y] c.s. met die risico's bekend is of dat (b) die risico's zich bij de door [Y] c.s. verzorgde transporten niet voordoen, dan wel dat het verzekeren van die risico's in de tak van handel waarin [Y] c.s. zich begeeft (groente- en tuinbouw) zo ongebruikelijk is, dat het niet noodzakelijk is om [Y] c.s. op de onverzekerdheid van die risico's te wijzen.

10.2

Aon heeft gesteld dat [Y] c.s. bekend was met de mogelijkheid om het risico van rejection te verzekeren. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij erop gewezen dat [Y] in augustus 2000 een offerte voor zo’n rejection-verzekering heeft aangevraagd.

10.3

De door Aon bedoelde offerte dateert van augustus 2000, terwijl de problemen met de lading uien voor Venezuela zich in de periode maart tot mei 2000 hadden voorgedaan. Deze offerte kan dus niet dienen ter ondersteuning van Aon’s verweer dat [Y] c.s. bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst met het risico van rejection bekend was. De offerte geeft juist steun aan de stelling van [Y] c.s. dat zij zich na het voorval in Venezuela van het niet verzekerd zijn van het risico van rejection bewust is geworden. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [Y] c.s. in dit verband nog verklaard dat zij bij haar nieuwe verzekeraar reeds verschillende malen een rejection-verzekering heeft gesloten. Het standpunt van Aon staat ook haaks op haar stellingen dat in de branche waarin [Y] c.s. opereert het risico van rejection zich niet dan wel beperkt voordoet en het afsluiten van een rejection-verzekering ongebruikelijk is. Het hof acht dan ook voorshands bewezen dat Aon haar zorgplicht heeft geschonden door [Y] c.s. – kort gezegd – niet te wijzen op de mogelijkheid om het rejectionrisico te verzekeren. Aon heeft bewijs aangeboden dat het risico van rejection bij [Y] c.s. bekend was, alsmede dat het risico van rejection in de branche waarin [Y] c.s. werkzaam is zodanig beperkt is dat het sluiten van een verzekering voor dit risico zodanig ongebruikelijk is dat Aon haar zorgplicht niet heeft geschonden door [Y] c.s. niet te wijzen op de mogelijkheid om dit risico mee te verzekeren. Het hof zal Aon bij wijze van tegenbewijs tot de door haar aangeboden bewijslevering toelaten.

10.4

Daarnaast heeft Aon tot haar verweer aangevoerd dat, als Aon haar op de mogelijkheid van een rejection-verzekering had gewezen, [Y] c.s. deze aanvullende verzekering niet zou hebben gesloten, omdat de kosten daarvan hoog kunnen oplopen. [Y] c.s. heeft dit standpunt van Aon gemotiveerd weersproken, en erop gewezen dat de kosten van een rejection-verzekering ten opzichte van de forse waarde van de goederen en het risico van demurrage relatief beperkt zijn. Aon heeft geen bewijs van haar stelling, die als bevrijdend verweer moet worden aangemerkt, aangeboden. Zij zal dus niet tot bewijslevering worden toegelaten en het zal ervoor worden gehouden dat [Y] c.s. de rejection-verzekering had gesloten als zij daarop was geattendeerd. Dat zij daartoe onder het CIF-beding ten opzichte van Agro Sur niet was verplicht doet hieraan niet af.

11. Geen dekking onder de rejection-verzekering

11.1

Aon voert verder tot haar verweer aan dat een (standaard) rejection-verzekering de clausule bevat dat:

"this insurance does not cover claims arising from (…) any omission or error in the contract of sale or other document".

Die clausule leidt er volgens Aon toe dat de schade onder de rejection-verzekering niet zou zijn gedekt, omdat het [Y] c.s. ontbrak aan (voldoende) importvergunningen voor de uien. Bovendien bestaat er om deze reden geen causaal verband tussen de tekortkoming van Aon en de schade en is er sprake van eigen schuld. Ten slotte is er, voor zover [Y] de zakken uien heeft verscheept in de wetenschap dat er geen invoervergunningen voor een deel van de lading waren aangevraagd, geen sprake van een onzeker voorval.

11.2

[Y] c.s. heeft tegenover het verweer van Aon aangevoerd dat het in Venezuela gebruikelijk is bij het importeren van bederfelijke goederen dat binnen vijftien dagen door de daartoe bevoegde overheidsinstantie (SASA) wordt beslist op een verzoek tot vergunningverlening. Indien, zoals in het onderhavige geval, een gezondheidsverklaring van het land van herkomst aanwezig is, wordt deze bekrachtigd, waarna de importvergunning wordt verleend. Bij het uitblijven van een tijdige beslissing op de aanvraag dan wel bij een weigering om importvergunning te verlenen, kan middels een snelle en eenvoudige procedure bij de rechtbank machtiging tot het lossen van de lading worden verkregen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft [Y] c.s. verwezen naar het hiervoor in rov. 3 weergegeven arrest van de Constitutionele kamer van de Venezolaanse Hoge Raad.

11.3

Het hof is van oordeel dat Aon voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de oorzaak voor het niet mogen lossen en/of importeren van de uien is gelegen in het niet voorhanden zijn van de vereiste vergunningen. Het door [Y] c.s. overgelegde expertiserapport van H.B. Kea van Crawford & Company (Nederland) BV (hierna: Kea) van 19 juni 2000 vermeldt (blz. 10):

"(…) we are of the opinion that upon arrival, the vessel could not be discharged (the first reason) due to the fact that there were no import licences available. These documents had to be arranged bij the local importer."

De deskundige baseert zijn oordeel op een brief van [betrokkene 1], Landbouwraad Caracas, die op 12 april 2000 aan Kea schrijft:

"Op basis van een mondeling overleg op 3 februari van dit jaar met de overheid hebben Venezolaanse importeurs vier ladingen Nederlandse uien over laten komen met een totaal gewicht van bijna 7000 ton, waaronder dus de lading van het bedrijf waarmee u nu te maken heeft. De twee belangrijkste spelers aan overheidszijde zijn : Cadena Agroproductiva en SASA van het Ministerie van Productie en Handel (waaronder landbouw valt (…)

Cadena Agroproductiva deelde mij op 17 maart op zeer besliste wijze telefonisch mee dat de afspraak van 3 februari nog steeds overeind staat (= er zullen importvergunningen worden afgegeven voor ruim 5000 ton), maar dat er niet was afgesproken welke importeur hoeveel zou mogen importeren. Men zei mij dat de betrokken importeurs op eigen risico hebben gehandeld toen zij uien bestelden, omdat zij immers nog niet over de vergunningen beschikten. Men dacht er over de ergste nood te lenigen door voorlopig vergunningen af te geven tot 2500 ton. (…).

Volgens de importeurs werd er in het verleden wel vaker op basis van een mondelinge afspraak gewerkt."

Hieruit moet worden afgeleid dat een invoervergunning wel noodzakelijk was en dat er voor vier verschillende vervoerders in totaal slechts een toezegging voor aanvankelijk 7000 ton en later 5000 ton was gegeven, terwijl de lading van [Y] c.s. alleen al omstreeks 3400 ton bedroeg.

Dit voorshands oordeel vindt bevestiging in de eveneens bij het expertiserapport behorende brief van [betrokkene 2], waarin een zekere [betrokkene 3], die volgens de brief is benoemd ten behoeve van de P&I club van de eigenaar inzake de zaak in Puerto Cabello, volgens [betrokkene 2]het volgende heeft verklaard:

"On the subject of import permits, [betrokkene 3] also commented that the importer of this shipment, understood to be Representaciones Hive C.A., took a risk in purchasing and paying for the entire shipment without having secured an import licence in advance - apparantly in the belief that they could deal with this issue while the vessel was en route from the loadport to Puerto Cabello, or at the time of the vessel's arrival. As it turned out, they eventually managed to secure an import permit only for the portion of 1000 tons or so which was eventually discharged."

Ook de brief van [medewerker] van [Y] aan de deskundige Kea van 7 juni 2000 (overgelegd als bijlage bij het expertiserapport) is in lijn met het voorgaande, zij het dat (alleen) deze persoon en de koper zelf vermelden dat in plaats van een importvergunning in het algemeen ook een Right of Release kan worden afgegeven:

"In het kort de geschiedenis: verkoop gepleegd met Venezuela. Land waar importvergunning noodzakelijk is echter er wordt een Right of Release afgegeven welke verkrijgbaar is bij de rechtbank aldaar. Deze komt dan i.p.v. de importvergunning. Op zeker moment was de hoeveelheid importuien dusdanig dat de regering het principe van R o R niet meer toestond en er wel een importvergunning moest worden aangevraagd. Dit vervolgens voor 1000To gekregen niet voor de rest ong. 2400To."

11.4

Anders dan [Y] c.s. betoogt kan uit de uitspraak van de Constitutionele Kamer van het Tribunal Supremo de Justicia niet worden afgeleid dat er een vergunning moet worden afgegeven binnen vijftien dagen als de lading vergezeld gaat van een gezondheidsverklaring uit het land van herkomst en evenmin dat het onder die omstandigheden gebruikelijk is dat een Right of Release wordt afgegeven. Het tribunaal gaat er blijkens overweging 1.2 vanuit dat op 26 januari 2000 een verzoek is ingediend bij de SASA tot het verkrijgen van een fytosanitaire vergunning voor de import van uien. Blijkens de omschrijving van de vordering in de eerste alinea van de motivering van de beslissing wordt bescherming gevorderd in het constitutionele recht tegen het verzuim van de SASA inzake het verlenen van de fytosanitaire vergunning.

Het Tribunaal komt tot het oordeel dat met het beslissen over deze vergunning geen vier maanden mag worden gewacht, zoals het gerecht in eerste aanleg had geoordeeld, maar dat een dergelijke vergunning zo spoedig mogelijk moet worden afgegeven en dat de verklaring van het land van herkomst dat het product vrij is van ziekten binnen twintig dagen moet worden bekrachtigd.

Uit dit arrest kan dus niet worden afgeleid dat geen importvergunning behoeft te worden aangevraagd en evenmin dat het gebruikelijk is dat binnen een termijn van vijftien dagen een Right of Release wordt afgegeven.

11.5

Het hof is van oordeel dat Aon met het voorgaande voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voor het importeren van uien een importvergunning nodig was en dat deze niet was verleend, zodat voorshands bewezen wordt geacht dat de schade niet onder de rejection-verzekering zou zijn gedekt, zodat er geen causaal verband is tussen de tekortkoming en de schade. [Y] c.s. die heeft aangeboden te bewijzen dat (a) zij niet behoefde te betwijfelen dat de importvergunning zou worden verleend en (b) dat het verlenen van een Right of Release gebruikelijk was, zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Gelet op het feit dat het bewijs betrekking heeft op de vraag wat in de handel gebruikelijk was, verdient het de voorkeur dat schriftelijke verklaringen worden overgelegd van personen die zich omstreeks 2000 beroepsmatig bezig hielden met de handel van Nederland naar Venezuela en geen banden onderhouden met één van de partijen, zoals handelsattachés of andere personen die omstreeks 2000 verbonden waren aan de Nederlandse ambassade in Venezuela of aan de Venezolaanse ambassade in Nederland.

12. Slotsom

12.1

De slotsom van het voorgaande is dat allereerst Aon zal worden toegelaten tot het leveren van het in rov. 10.3 omschreven tegenbewijs.

12.2

Aansluitend aan de hiervoor genoemde bewijslevering of op het moment dat Aon daarvan afziet zal [Y] c.s. worden toegelaten tot het leveren van het in rov. 11.5 omschreven bewijs.

12.3

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- laat Aon toe tot het in rov. 10.3 omschreven tegenbewijs;

- laat daarna (of als bewijslevering achterwege blijft direct) [Y] c.s. toe tot het in rov. 11.5 omschreven bewijs;

- bepaalt dat, indien Aon of [Y] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.M. Olthof, op 13 januari 2014 om 13.30 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden januari tot en met april 2014, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, J.M. van der Klooster en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2013 in aanwezigheid van de griffier.