Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5125

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
BK-13-00519.su.def.hb.mk
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:6545, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kostenvergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/319
V-N 2014/16.32

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00519

Uitspraak d.d. 9 december 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bodegraven Reeuwijk, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2013, nummer SGR 13/649, betreffende na te vermelden beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikkingen als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) zijn de waarden van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de garage) en [b-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), vastgesteld op respectievelijk € 25.000 en € 439.000 per 1 januari 2011. Deze beschikkingen gelden voor het kalenderjaar 2012.

1.2. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2012, wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de garage en de woning, aanslagen opgelegd in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Bodegraven Reeuwijk naar een heffingsmaatstaf van respectievelijk € 25.000 en € 439.000.

1.3. Het aanslagbiljet waaruit van de vorenvermelde beschikkingen en aanslagen blijkt, is gedagtekend 29 februari 2012.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen en de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij in een geschrift, gedagtekend 21 december 2012, vervatte uitspraken heeft de Inspecteur het bezwaar deels gegrond verklaard, de beschikking met betrekking tot de garage gehandhaafd, de beschikking met betrekking tot de woning gewijzigd in die zin dat de vastgestelde waarde is verminderd tot op € 424.000, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en een kostenvergoeding toegekend van € 278,40 (1 punt x 218 x 1 (wegingsfactor) voor het opstellen van het bezwaarschrift + 1 punt x 218 x 0,25 (wegingsfactor) voor het bijwonen van de zitting door de gemachtigde) + € 5,90 voor kosten kadastrale uittreksels).

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht is geheven van € 42. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht is geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 oktober 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de zaken met nummers BK-13/00517, BK-13/00518 en BK-13/00520. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd, wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de garage en de woning.

3.2. Bij brief van 27 juli 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbende onder andere geschreven:

”Naar aanleiding van uw brief van 5 juli 2012 en de uitnodiging voor een hoorzitting (…) voor aanslagnummer [...] (Hof: de onderhavige beschikkingen en aanslagen), hierbij onze reactie. Hartelijk dank voor uw brief.

Wij zullen contact met u opnemen … nadat wij alle concept uitspraken van de gemeente Bodegraven Reeuwijk ontvangen hebben. Tijdens dit contact kan dan afgesproken worden of er een gecombineerde zitting mogelijk is en zo ja, voor welke bezwaren.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is slechts de vergoeding van de kosten voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar in geschil.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbenden strekt tot vergoeding van de kosten in bezwaar tot een bedrag van € 436 (2 x € 218).

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”7. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over – voor zover hier van belang – de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). In artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit wordt – voor zover van belang – ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a (de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand) het bedrag van de kosten bij de beslissing op bezwaar vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit (hierna: de bijlage) opgenomen tarief.

In artikel 2, derde lid, van het Besluit is bepaald dat in bijzonder omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

8.

Niet is gebleken dat, zoals verweerder stelt, sprake is van samenhangende zaken. Toch is de rechtbank van oordeel dat verweerder het gelet op de strekking van het Besluit terecht niet wenselijk heeft geacht om de vergoeding van kosten voor de voor het verschijnen ter hoorzitting in elk van de in die zitting behandelde zaken te berekenen op de voet van de bijlage bij het Besluit, nu de gehele hoorzitting, waarin zes zaken zijn behandeld, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, minder dan een half uur heeft geduurd. Verweerder heeft hierin naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit.

Bij bijzondere omstandigheden kan ingevolge deze bepaling worden afgeweken van de op basis van de bijlage bij het Bpb (het puntensysteem) te berekenen kosten. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niettemin op goede gronden wel op dat puntensysteem georiënteerd en heeft door voor de hoorzitting per zaak een kwart van de waarde van één punt toe te kennen aan eiser een kostenvergoeding toegekend die recht doet aan de strekking van het Bpb.

9.

Gelet op het hiervoor overwogene is het beroep ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bepaalt onder meer dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb – voor zover van belang – wordt het bedrag van de kosten bij uitspraak als volgt vastgesteld: ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Het derde lid van artikel 2 bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

Ingevolge artikel 3 van het Bpb worden samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn.

7.2. De Inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar voor het berekenen van de kostenvergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar als uitgangspunt gehanteerd dat sprake is geweest van een gecombineerde hoorzitting waarbij vier gegronde bezwaarschriften inhoudelijk zijn besproken. De Inspecteur heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij 1 punt heeft toegekend voor de hoorzitting, dat daarna is gedeeld door vier. Het verweer van de Inspecteur dat sprake is van samenhangende zaken heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur terecht heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb.

7.3. Vast staat dat geen sprake is van vier beschikkingen en aanslagen op één aanslagbiljet gericht tegen eenzelfde belanghebbende. Van de hoorzitting is geen verslag opmaakt, maar uit de in het geding gebrachte, met de hand gemaakte aantekeningen, blijkt dat zes objecten of combinaties van objecten zijn behandeld, waarbij telkens sprake was van afzonderlijke aanslagen en afzonderlijke belanghebbenden. De aantekeningen vermelden ook per object of combinatie van objecten verschillende geschilpunten, die kennelijk achtereenvolgens aan de orde zijn geweest, zodat per object of combinatie van objecten moet worden gesproken van een individuele behandeling.

7.4. In die situatie is geen sprake van nagenoeg identieke besluiten en daarmee ook niet van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. Het Bpb geeft geen aanknopingspunt voor het aannemen van samenhang tussen de zaken omdat telkens de waardevaststelling op grond van de Wet WOZ aan de orde was en voor alle belanghebbenden dezelfde gemachtigde optrad. Ditzelfde geldt voor het gegeven dat de behandeling van de zaken op grond van praktische overwegingen en in overleg met de gemachtigde van belanghebbenden geclusterd plaatsvond. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van samenhangende zaken.

7.5. De Inspecteur heeft een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden.

7.6. Dit beroep wordt verworpen. Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke omstandigheden strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.

Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden door de rechter terughoudend te worden toegepast.

7.7. In de onderhavige zaak is de kostenvergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting in de bezwaarfase in geschil. In die fase betrof het de bepaling van de waarde van een aantal verschillende onroerende zaken, waardoor de proceshandelingen per object of combinatie van objecten waren afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Uitgaande van de terughoudendheid die bij de toepassing van artikel 2, lid 3 van het Bpb geboden is, bestaat geen aanleiding in een situatie als in deze zaak aan de orde, aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat de gemachtigde zichzelf (en daarmee belanghebbenden) reiskosten en reistijd bespaart vergeleken met de situatie waarin voor elke belanghebbende individueel een zitting gepland zou zijn, is ontoereikend voor het aannemen van bijzondere omstandigheden. Derhalve had de rechtbank voor het bijwonen van de hoorzitting ook een kostenvergoeding van 1 punt toe moeten kennen.

7.8. Dat betekent dat het hoger beroep gegrond is. Beslist zal worden zoals hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Bij de weging van de zaak in beroep en hoger beroep neemt het Hof in aanmerking dat de beroepen respectievelijk de hoger beroepen in de zaken SGR 13/00517, SGR 13/00518, SGR 13/00519 en 13/00520 op dezelfde dag zijn ingediend en dat de beroepen, respectievelijk de hoger beroepen op dezelfde dag ter zitting zijn behandeld. Die behandeling betrof hetzelfde geschilpunt, te weten de vraag of in die zaken met betrekking tot de behandeling van de vier op dezelfde hoorzitting behandelde bezwaarschriften sprake was van samenhangende zaken dan wel bijzondere omstandigheden die aanleiding vormden de kostenvergoeding te matigen. De tekst van de beroepschriften respectievelijk de hoger beroepschriften was nagenoeg hetzelfde en de werkzaamheden van de gemachtigde waren nagenoeg identiek.

8.2. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 472 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en het Hof (telkens 2 punten à € 472 x 0,5 (gewicht van de zaak) x 1,5 wegens samenhang (x ¼ per zaak) in totaal € 177 en € 470 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 235 x 1 (gewicht van de zaak), in totaal € 647 + € 5,90 voor kadastrale uittreksels.

Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 42, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 118 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover het de proceskostenbeslissing betreft;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 652,90;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 160 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. baron van Knobelsdorff, M.C.M. van Dijk en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 9 december 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.