Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5113

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
22-002414-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de wijze als omschreven in de bewezenverklaring schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee mensen in een park die hun hond aan het uitlaten waren. Een van hen heeft hij zodanig mishandeld, dat het slachtoffer daardoor een gebroken neus en een gebroken oogkas heeft opgelopen. Het andere slachtoffer was een 72-jarige man.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis. Voorts stelt het Hof bijzondere voorwaarden waaraan de verdachte zich dient te houden gedurende de proeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002414-12

Parketnummer: 09-900162-12

Datum uitspraak: 13 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 7 mei 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1966,

[gba-adres],

[verblijfadres] volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van reclasseringstoezicht door GGZ Reclassering Palier te

's-Gravenhage als bijzondere voorwaarde, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, begeleiding door en/of (ambulante) behandeling bij Parnassia of een soortgelijke instelling, alsmede een drugs- en/of alcoholverbod.

Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 04 februari 2012 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een gebroken oogkas), heeft toegebracht, door deze opzettelijk in/tegen het gezicht te slaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 04 februari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [benadeelde partij 1]), in/tegen het gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een gebroken oogkas), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 04 februari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [benadeelde partij 2]), in/tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan

– overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 04 februari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [benadeelde partij 1]), tegen het gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en een gebroken oogkas) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.
hij op 04 februari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [benadeelde partij 2]), tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging betoogd dat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt en derhalve van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen, omdat – verkort en zakelijk weergegeven - de verdachte door de aangevers was vastgegrepen en zich hiertegen mocht verdedigen.

Bij de beoordeling van deze verweren gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting gebleken.

Op 4 februari 2012 liet de verdachte samen met zijn vriendin zijn hond uit in het park Meer en Bos te Den Haag. Daar ontstond een woordenwisseling met [benadeelde partij 3], wiens hond die van de verdachte zou hebben gebeten. De verdachte uitte zich daarbij verbaal agressief en zei tegen de vrouw van [benadeelde partij 3]: “Hou je kankermond vuile tyfushoer”, althans woorden van gelijke aard of strekking. [benadeelde partij 3] liep daarop naar de verdachte toe, maar werd tegengehouden door een andere aanwezige genaamd [benadeelde partij 1].

Vervolgens kwam de verdachte met een agressieve houding op [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1] af. De eveneens in de buurt zijnde 72-jarige [benadeelde partij 2] sprak de verdachte aan op zijn woorden en probeerde de verdachte tegen te houden door hem in de kraag te pakken. Daarop gaf de verdachte [benadeelde partij 2] een vuistslag tegen het gezicht, waardoor deze laatste ten val kwam.

[benadeelde partij 3] liep vervolgens naar [benadeelde partij 2]. Om de verdachte ervan te weerhouden [benadeelde partij 3] aan te vallen, liep [benadeelde partij 1] naar de verdachte toe en pakte hem bij zijn armen. Daarop sloeg de verdachte [benadeelde partij 1] tegen zijn gezicht, ten gevolge waarvan hij een gebroken neus en oogkas bekwam.

Uit de vaststelling van de feiten volgt dat het handelen van de verdachte kan worden ondergebracht in twee verschillende fasen.

Naar het oordeel van het hof dient de eerste fase, waarin [benadeelde partij 2] de kraag van de verdachte beetpakte en daarna door verdachte werd neergeslagen, te worden gezien als directe reactie op verdachte’s verbaal agressieve gedrag en het door hem met een agressieve houding toelopen op [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3]. Aldus merkt het hof deze handeling niet aan als wederrechtelijke aanranding, aangezien deze handeling was geboden door de noodzakelijke verdediging van het lijf van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] tegen de onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding door de verdachte.

Ten overvloede overweegt het hof dat, zo veronderstellenderwijs al zou moeten worden aangenomen dat het door [benadeelde partij 2] vastpakken van verdachte’s kraag wel als wederrechtelijke aanranding zou moeten worden beschouwd, heeft te gelden dat de verdachte deze – op zich bescheiden en proportionele - reactie door zijn eigen agressieve gedrag heeft opgeroepen en uitgelokt. Derhalve kan hij zich ook deswege niet op noodweer beroepen.

In de tweede fase werd de verdachte bij de armen vastgepakt door [benadeelde partij 1] omdat deze hem wilde beletten om – nadat hij [benadeelde partij 2] had neergeslagen - [benadeelde partij 3] aan te vallen. Hierop sloeg de verdachte [benadeelde partij 1] hard tegen zijn gezicht.

Het hof merkt ook het vastpakken van verdachte’s armen door [benadeelde partij 1] niet aan als wederrechtelijke aanranding, aangezien deze handeling – zeker na het direct daarvoor door de verdachte neerslaan van [benadeelde partij 2] - was geboden door de noodzakelijke verdediging van het lijf van [benadeelde partij 3] tegen een onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding door de verdachte. Overigens heeft ook hier te gelden dat, zelfs al zou veronderstellenderwijs het door [benadeelde partij 1] vastpakken van verdachtes armen als wederrechtelijke aanranding van verdachte worden beschouwd, deze - op zich bescheiden en proportionele - handeling zozeer was uitgelokt door de wijze waarop de verdachte zich verbaal en fysiek agressief gedroeg, dat hem ook ten aanzien van het (neer)slaan van [benadeelde partij 1] geen beroep op noodweer toekomt.

Zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces faalt derhalve.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is

geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is zowel het bewezen verklaarde als de verdachte strafbaar.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Voorwaardelijk verzoek tot benoeming van een psychiater

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om benoeming van een psychiater, indien en voor zover de verdachte niet zou worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter adstructie van zijn verzoek heeft de raadsman gerefereerd aan het reclasseringsadvies d.d. 27 april 2012, waarin is vermeld dat het onregelmatige gebruik door de verdachte van het medicijn Ritalin mogelijk een rol heeft gespeeld bij de onderhavige geweldsdelicten. Volgens de raadsman is het derhalve de vraag of de feiten wel volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Het hof wijst dit verzoek van de raadsman af. Gelet op de onderbouwing van het verzoek acht het hof het gevraagde onderzoek niet noodzakelijk, terwijl ook overigens van die noodzaak niet is gebleken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en de motivering daarvan, in dier voege dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de wijze als omschreven in de bewezenverklaring schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee mensen in een park die hun hond aan het uitlaten waren. Een van hen heeft hij zodanig mishandeld, dat het slachtoffer daardoor een gebroken neus en een gebroken oogkas heeft opgelopen. Het andere slachtoffer was een 72-jarige man. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast veroorzaken misdrijven als de onderhavige, gepleegd in de openbare ruimte, gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2013, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een (beknopt) reclasseringsadvies d.d. 7 februari 2012 en een reclasseringsadvies d.d. 27 april 2012 dat is opgemaakt ten behoeve van deze zaak. Uit laatstgenoemd reclasseringsadvies komt naar voren dat er een hoog recidiverisico is en daarin wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke werkstraf en een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met verplicht reclasseringstoezicht, waarbij als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, een behandelverplichting en een drugs- of alcoholverbod worden gesteld.

Het hof constateert dat de termijn van inzending van de stukken van het geding na het instellen van het hoger beroep met ruim zeven maanden is overschreden. Nu het hof de zaak binnen negentien maanden na het instellen van het hoger beroep afdoet, waardoor de overschrijding in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in hoger beroep – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door hem gevorderde onvoorwaardelijke taakstraf geen recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en is het - gelet op het vorenstaande - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passende en geboden reacties vormen.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 1.780,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.280,03.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.280,03 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde tot een bedrag van € 964,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist voor zover deze betrekking heeft op de vervangingskosten van de bril ad € 686,--.

Niet weersproken is dat de benadeelde partij schade heeft geleden aan zijn bril en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. Ten aanzien van de hoogte van de geleden schade heeft de benadeelde partij, ter onderbouwing van zijn vordering, een factuur d.d. 17 februari 2012 overgelegd van in totaal € 686,--, betreffende de aanschaf van een nieuwe multifocale bril.

Het hof acht het opvoeren van de aanschafkosten van deze nieuwe bril alleszins redelijk. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de oude bril van de benadeelde partij, zoals door hem gesteld, duurder was dan de opgevoerde nieuwe bril. Daarenboven komen het hof de aanschafkosten van de bril, mede gelet op de multifocale glazen, – in weerwil van hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht - niet onredelijk hoog voor. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 686,--.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 964,-- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt

of

ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden

of

geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd:

Stelt als bijzondere voorwaarde waaraan de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden:

-  de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, in dit geval GGZ Reclassering Palier te ’s-Gravenhage, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, begeleiding door

en/of (ambulante) behandeling bij Parnassia of een soortgelijke instelling, alsmede een drugs- en/of alcoholverbod.

Geeft de Stichting Reclassering Nederland opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.280,03 (duizend tweehonderdtachtig euro en drie cent) bestaande uit € 280,03 (tweehonderdtachtig euro en drie cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 1.280,03 (duizend tweehonderdtachtig euro en drie cent) bestaande uit € 280,03 (tweehonderdtachtig euro en drie cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 964,00 (negenhonderdvierenzestig euro) bestaande uit € 686,00 (zeshonderdzesentachtig euro) materiële schade en

€ 278,00 (tweehonderdachtenzeventig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 964,00 (negenhonderdvierenzestig euro) bestaande uit € 686,00 (zeshonderdzesentachtig euro) materiële schade en € 278,00 (tweehonderdachtenzeventig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A. Kuijer, mr. H. van den Heuvel en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 november 2013.