Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5110

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
22-000701-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde (met voorbedachten rade en opzettelijk iemand van het leven beroven) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000701-12

Parketnummers: 10-730328-11 en

99-000029-51

Datum uitspraak: 1 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 februari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1980,

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 4 april 2013 en 18 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de verdachte ter zake van het onder 2 impliciet primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet primair en onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent een tweetal vorderingen van benadeelde partijen als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Tot slot is bij vonnis in eerste aanleg de onder parketnummer 99-000029-51 geregistreerde vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht, toegewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

In artikel 15f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat tegen de beslissing van de rechtbank op de vordering bedoeld in artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht geen rechtsmiddel openstaat.

Het hof constateert dat de wetgever – anders dan ten aanzien van de vordering bedoeld in artikel 15h Wetboek van Strafrecht - niet heeft voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep voor de situatie waarin over de vordering bedoeld in artikel 15d en over het strafbare feit terzake waarvan in de vordering ernstige bezwaren aanwezig worden geacht, gelijktijdig wordt beslist. Dit heeft tot gevolg dat, ongeacht de beslissing over dit strafbare feit, geen hoger beroep openstaat tegen de beslissing op bedoelde vordering.

Uit het bovenstaande moet volgen dat de veroordeelde niet-ontvankelijk is in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de beslissing op de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 19 augustus 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, vanaf korte afstand met een vuurwapen (een) kogel(s) heeft afgevuurd in de richting van die [benadeelde partij 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 19 augustus 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, vanaf korte afstand met een vuurwapen (een) kogel(s) heeft afgevuurd in de richting van die [benadeelde partij 2], waarbij die [benadeelde partij 2] in het linker been werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De waardering van het bewijsmateriaal

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe heeft hij – kortgezegd – onder meer aangevoerd dat de verklaringen van aangever [benadeelde partij 1] als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig terzijde moeten worden gelaten, dat alle verklaringen met betrekking tot de identiteit van de schutter te herleiden zijn tot één bron, te weten voormelde aangever, en dat overtuigend steunbewijs ontbreekt.

Het hof overweegt als volgt.

Het lijdt voor het hof geen twijfel dat er op 19 augustus 2011 te Rotterdam door één persoon met een vuurwapen kogels zijn afgevuurd op [benadeelde partij 1] (hierna te noemen: [benadeelde partij 1]) en/of [benadeelde partij 2] (hierna te noemen: [benadeelde partij 2]), dat [benadeelde partij 2] door één van deze kogels in zijn been is geraakt en dat de schutter vervolgens is verdwenen in een auto van het type Opel Astra.

De vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of verdachte de schutter is geweest.

De verdachte zelf heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 oktober 2013 ontkend de tenlastegelegde feiten te hebben begaan.

Dat zijn alibi, dat hij op 19 augustus 2011 rond het tijdstip van de schietpartij aan het eten was in een Italiaans restaurant op de Maasboulevard te Rotterdam door de ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 oktober 2013 gehoorde getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die volgens de verdachte die avond met hem in het restaurant waren, niet is bevestigd doet daaraan niet af, nu dit alibi daardoor evenmin is ontkracht.

Uit verschillende zich in het dossier bevindende verklaringen komt naar voren dat de verdachte en aangever [benadeelde partij 1] in het verleden een conflict hebben gehad over drugs en dat de verdachte [benadeelde partij 1] toen met een mes in zijn hals heeft gestoken.

Aangever [benadeelde partij 1] heeft op 19 en 20 augustus 2011 bij de politie verklaard dat hij op 19 augustus 2011 de verdachte zag rijden en dat het op de Schiedamseweg te Rotterdam tot een aanvaring tussen hen is gekomen. Na deze aanvaring is [benadeelde partij 1] doorgereden naar het huis van zijn ouders waarbij de verdachte hem zou zijn gevolgd in diens Opel Astra met kenteken [kentekennummer]. [benadeelde partij 1] is het huis binnen gerend om een mes te pakken en is vervolgens achter zijn vader (het hof begrijpt: [benadeelde partij 2]) aan weer naar buiten gegaan. Buiten zou een confrontatie met de verdachte hebben plaatsgevonden, waarbij laatstgenoemde tweemaal met een vuurwapen in zijn richting zou hebben geschoten en daarna eenmaal op zijn vader zou hebben geschoten. De verdachte zou daarna weer in zijn auto zijn gestapt en weg zijn gereden. In zijn verklaring van 5 december 2011 bij de politie is [benadeelde partij 1] erbij gebleven dat de verdachte de schutter was.

Aangever [benadeelde partij 2] heeft op 19 en 23 augustus 2011 tegenover de politie verklaard dat er op hem geschoten is door [verdachte]. [verdachte] zou eerst tweemaal hebben geschoten in de richting van zijn zoon [benadeelde partij 1] en daarna éénmaal op hem, waarbij hij in zijn been is geraakt. [benadeelde partij 2] wist dat zijn zoon ruzie had met [verdachte] en dat dit ging over drugs.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 oktober 2013 is [benadeelde partij 2] als getuige gehoord en heeft hij, geconfronteerd met de in de zittingszaal aanwezige verdachte, op vragen van het hof aarzelend geantwoord en uiteindelijk verklaard dat hij de verdachte niet met zekerheid herkent als de schutter. Hij heeft voorts verklaard dat hij de schutter op 19 augustus 2011 voor het eerst zag en dat hij de naam [verdachte] kende omdat zijn zoon die naam had genoemd en hem had verteld dat hij ruzie had met deze persoon. Het hof acht, gelet op de verklaring van [benadeelde partij 2] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d.

18 oktober 2013, niet aannemelijk dat [benadeelde partij 2], zoals hij tegenover de politie heeft verklaard, in de schutter dadelijk de verdachte heeft herkend en gaat ervan uit dat hij de verdachte heeft aangeduid als schutter omdat hij diens naam gehoord had van zijn zoon.

Getuige [getuige 4], de moeder van [benadeelde partij 1] en de echtgenote van [benadeelde partij 2], heeft op 19 augustus 2011 bij de politie verklaard dat zij [verdachte] heeft zien schieten in de richting van haar man en dat zij zeker weet dat die persoon [verdachte] is omdat haar zoon al eerder problemen met hem heeft gehad. Na het schieten heeft zij [verdachte] zien instappen aan de bestuurderszijde van een auto. Zij heeft ook iemand zien zitten op de bijrijdersplaats. Op 28 november 2011 heeft de getuige een nadere verklaring afgelegd, inhoudende dat ze de schutter niet kende en dat haar zoons [getuige 5] (het hof begrijpt: [getuige 5]) en [benadeelde partij 1] haar later vertelden dat de schutter [verdachte] heet.

Getuige [getuige 5], de broer van [benadeelde partij 1], heeft op 23 augustus 2011 bij de politie verklaard dat hij met [benadeelde partij 1] en [getuige 6], een vriend (het hof begrijpt: [getuige 6]), onderweg was naar huis en dat [getuige 6] of zijn broer [benadeelde partij 1] – hij weet niet meer zeker wie – als eerste op de Schiedamseweg [verdachte] zag rijden in een zwarte Opel Astra. Met deze [verdachte] zou een aanvaring hebben plaatsgevonden, waarna ze naar huis zijn gereden. [verdachte] zou hen zijn gevolgd naar huis, waarna [verdachte] uiteindelijk zou hebben geschoten.

Uit de politieverklaring van [getuige 6], afgelegd op 19 augustus 2011, blijkt dat hij de jongen die hij samen met [benadeelde partij 1] en diens broertje tegenkwam op de Schiedamseweg, niet herkende en dat hij wel zag dat [benadeelde partij 1] hem herkende.

Gelet op een en ander moet naar het oordeel van het hof bij de waardering van de verklaring van [getuige 5] rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat [getuige 5] van [benadeelde partij 1] heeft gehoord dat degene die zij op de Schiedamseweg tegenkwamen [verdachte] was en dat [getuige 5] in de schutter degene heeft herkend van wie hij aannam dat dit [verdachte] was omdat [benadeelde partij 1] hem dat had gezegd.

Tot slot heeft de getuige [getuige 7] op 25 oktober 2011 bij de politie verklaard dat hij heeft gehoord dat de schutter een Marokkaanse jongen was die ze [bijnaam] noemen. Hij zegt dat te hebben gehoord van zijn buren, de familie [buren]. Aan de getuige is een foto getoond van de verdachte. Hij herkent de persoon die op de foto staat als [verdachte].

Nu uit het dossier niet blijkt op welke wijze de familie [buren] wetenschap heeft verkregen van de identiteit van de schutter, blijft naar het oordeel van het hof de mogelijkheid open dat deze wetenschap haar oorsprong vindt in een mededeling van [benadeelde partij 1].

Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat alle verklaringen waarin de verdachte wordt aangewezen als de schutter, uiteindelijk afkomstig zijn uit één bron, te weten aangever [benadeelde partij 1].

De getuige [getuige 8] heeft op 19 augustus 2011 tegenover de politie verklaard dat hij een man in een Opel Astra heeft zien stappen, maar heeft geen duidelijk signalement kunnen geven van deze persoon.

De getuige [getuige 9] heeft tegenover de politie verklaard dat hij enkel heeft gezien dat de schutter een lichtgetinte huid had, maar dat hij het gezicht van de schutter niet heeft kunnen zien en dat hij zich geen bijzondere uiterlijke kenmerken van de schutter kan herinneren. Bovendien heeft deze getuige verklaard dat hij de schutter uit en in een Opel Astra zag stappen aan de passagierskant, terwijl andere getuigen hebben verklaard dat de schutter aan de bestuurderskant van een Opel Astra instapte en dat er geen sprake was van een bijrijder.

Het hof overweegt dat bovengenoemde getuigenverklaringen geen helderheid verschaffen over de identiteit van de schutter.

Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2011 blijkt dat er twee dagen na de schietpartij een Opel Astra met kenteken [kentekennummer] is aangetroffen. Deze auto komt qua merk, type en kenteken overeen met de auto waarin de schutter volgens verscheidene getuigenverklaringen is ontkomen. In deze auto wordt blijkens een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2011 een aantal papiertjes aangetroffen met daarop telefoonnummers. Nader onderzoek wijst uit dat zich op één van de papiertjes een dactyloscopisch spoor bevindt, welk spoor een positieve “hit” oplevert met een vingerafdruk van de verdachte.

Gelet echter op het tijdstip van aantreffen van dit spoor, te weten twee dagen na de schietpartij, en de plaats waar dit spoor is aangetroffen, in een door voornoemde getuige [getuige 7] gehuurde auto, op een briefje waarvan niet bekend is hoe en op welk moment dit in de auto terecht is gekomen, vormt dit spoor naar het oordeel van het hof onvoldoende aanvullend bewijs om aan de verklaring van [benadeelde partij 1] de overtuiging te ontlenen dat de verdachte de schutter is.

Het hof neemt bij het voorgaande in aanmerking dat de aangever [benadeelde partij 1] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 oktober 2013 op het hof een dwarse en onwelwillende indruk heeft gemaakt. Geconfronteerd met die indruk heeft de aangever verklaard dat hij met zijn leven verder wil. Het hof ziet niet in waarom die op zich heel redelijke wens zou moeten leiden tot de door het hof waargenomen houding. Op de vraag of het ook mogelijk is dat iemand anders dan de verdachte de schutter is geweest, heeft de aangever vervolgens niet –zoals op grond van zijn eerdere verklaringen in onderlinge samenhang bezien in de rede zou hebben gelegen- dadelijk ontkennend geantwoord, doch gereageerd met het laten vallen van een lange stilte en vervolgens opgemerkt dat hij “in dat geval spoken moet hebben gezien”. Naar het oordeel van het hof heeft de getuige in weerwil van diens beëdiging als zodanig met deze houding en verklaring afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen tot dan toe.

Alles overwegende en in de kern concluderend dat alleen [benadeelde partij 1], die met de verdachte een conflictueuze verhouding heeft, hem uit eigen wetenschap als schutter heeft herkend en aangewezen, terwijl steunbewijs ontbreekt, is er naar het oordeel van het hof sprake van gerede twijfel omtrent de identiteit van de schutter. Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.600,-, te vermeerderen met wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, dient een kostenveroordeling achterwege te blijven.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 4.772,99, te vermeerderen met wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, dient een kostenveroordeling achterwege te blijven.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de beslissing op de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. R.M. Bouritius en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. V.A.M. Willemsen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 november 2013.