Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5109

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
22-006755-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op omvangrijke wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan het beroeps-/bedrijfsmatig telen en verwerken van grote hoeveelheden hennep. Hij heeft daarbij gehandeld als deelnemer aan een criminele organisatie die het plegen van deze misdrijven tot oogmerk had.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006755-09

Parketnummers: 09-754104-08 en 09-650122-08

Datum uitspraak: 18 september 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 november 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte][verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1965,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 1 en 15 november 2010, 30 maart 2011, 6 april 2011, 26 oktober 2011, 2, 16 en 30 november 2011, 8 en 15 februari 2012, 22 mei 2012, 3 en 25 september 2012, 22 januari 2013, 1 juli 2013 en 4 september 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I onder 5 en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4, 7 en 9, en het bij dagvaarding II onder 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd hetgeen bij inleidende dagvaardingen vermeld staat.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen en die in hoger beroep nog aan de orde zijn van een doorlopende nummering voorzien. Het hof zal die nummering in dit arrest aanhouden.

1.

Zaak Middenweg

hij, in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 9 september 2008, te Anna Paulowna en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid hennepplanten en/of een hoeveelheid hennepstekken en/of delen daarvan (waaronder 90902 hennepstekken en/of 4632 hennepplanten en/of 1775 delen van hennepplanten, zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten), zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

Zaak Plukmadeseweg

hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 26 augustus 2008, te Made, gemeente Drimmelen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid hennepplanten (waaronder 75.080 hennepplanten, zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten), en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

Zaak Onderweg

hij, in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 9 september 2008, te Waddinxveen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

Zaak K10

hij, op of omstreeks 30 juli 2008 te Zoetermeer en/of Amsterdam en/of te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans op de A4 ter hoogte van de afslag Leidschendam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 10.437,9 gram henneptoppen, zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep althans een hoeveelheid hennep en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

Zaak Koraalrood

hij, in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 9 september 2008, te Zoetermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid hennepstekken en/of een hoeveelheid hennepplanten en/of henneptoppen en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

Zaak 140Sr

hij, in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 9 september 2008, te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp en/of Delft en/of Anna Paulowna en/of Waddinxveen en/of Zoetermeer en/of Made, gemeente Drimmelen en/of elders in Nederland, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of anderen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en/of verhandelen en/of verkopen en/of kopen en/of bewerken en/of verwerken van (grote) hoeveelheden hennep, als bedoeld in artikel 11 derde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

7.

Zaak Voorweg

hij, in of omstreeks de periode van 9 juni 1998 tot en met 9 september 2008 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening electriciteit en/of gas heeft weggenomen (aan Voorweg 52), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Stedin B.V. en/of Eneco, althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van het verbreken van de verzegeling aan het telwerkhuis van de electriciteitsmeter en/of de verzegeling van het telwerkhuis van de gasmeter.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie subsidiair bewijsuitsluiting

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven - betoogd dat de start van het onderzoek ten opzichte van de verdachte [verdachte] onrechtmatig is geweest nu er geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld. Het gevolg is dat de gehanteerde bijzondere opsporingsbevoegdheden vanaf 11 juni 2008 ten opzichte van de verdachte onrechtmatig zijn en het daaruit verkregen bewijs evenzo. Een en ander leidt primair tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting.

In dit verband wijst de verdediging op een tweetal artikelen in het Algemeen Dagblad van 12 februari 2011 en het OM-blad Opportuun van december 2010. In deze artikelen wordt door geïnterviewde politie- en justitiefunctionarissen gesproken over het bestaan van lijsten met personen die bij de politie in beeld zijn en gevolgd worden, kennelijk gebaseerd op de omstandigheid dat zij zich in het verleden schuldig hebben gemaakt aan (ernstige) strafbare feiten. Mogelijk stond de verdachte ook op die lijst. Tegen de personen die op de bedoelde lijst staan zijn op onrechtmatige wijze vergaande opsporingsbevoegdheden toegepast. Deze voor de strafzaak relevante informatie is bewust buiten het dossier gehouden. Dat vormt een doelbewuste en grove veronachtzaming van en inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Deze informatie is ook voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de start van het onderzoek en voor de waardering van het bewijs van belang. Ook om deze reden had deze informatie in het dossier gevoegd moeten zijn. De bewuste keuze om de informatie achter te houden is een ernstige inbreuk op de grondbeginselen van het strafrecht. Aangezien uit het dossier blijkt dat de naam van de verdachte veel eerder bekend was en hij in het onderzoek tegen Van der Laan vanaf het begin “op de korrel was”, moet het erop worden gehouden dat de verdachte reeds subject van onderzoek was nog voordat hij op 11 juni 2008 als verdachte werd aangemerkt. In dit verband wijst de verdediging op een aantal genoteerde stemherkenningen die onjuist zijn gebleken en op de omstandigheid dat gegevens van de verdachte reeds vóór 11 juni 2008 aan een informatieset waren toegevoegd.

Met betrekking tot de observaties van 11 juni 2008 stelt de verdediging dat in de diverse aanvragen om toepassing van bijzondere opsporingsmethoden wordt vermeld dat op 11 juni 2008 “spullen worden overgeladen” vanuit het voertuig in gebruik bij [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) naar het voertuig in gebruik bij [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte]), en dat de diverse BOB-bevelen kennelijk mede op deze waarneming zijn gebaseerd. Het proces-verbaal van observatie vermeldt deze waarneming echter niet. Deze blijkt uitsluitend te vinden in een door verbalisant [verbalisant] bijgehouden kort journaal. Deze waarneming heeft blijkens het proces-verbaal van observatie en de door de diverse observanten daarover afgelegde verklaringen nooit plaatsgevonden. Er is dus sprake van ofwel bewuste misleiding ofwel een “historische vergissing” waarop alle vervolgingsbeslissingen en opsporingsmiddelen alsmede de verdenking tegen de verdachte zijn gebaseerd. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid dan wel bewijsuitsluiting van al het onderzoeksmateriaal.

Er was onvoldoende verdenking tegen de verdachte om het bevel stelselmatige observatie, het bevel tot plaatsing van een peilbaken en het bevel tot afluisteren van de telefoon per 11 en 12 juni 2008 te rechtvaardigen. De hieruit gevolgde onderzoeksresultaten zijn onrechtmatig verkregen en moeten van het bewijs worden uitgesloten. Daarna resteert geen belastend bewijs zodat vrijspraak moet volgen.

Overigens zijn ook de twee inkijkoperaties die hebben plaatsgevonden op dezelfde gronden onrechtmatig, zodat ook de resultaten daarvan als onrechtmatig verkregen bewijs terzijde moeten worden gesteld.

Daarnaast heeft een onrechtmatig gebruik van een IMSI-catcher plaatsgevonden hetgeen ook tot bewijsuitsluiting moet leiden.

Het hof overweegt omtrent de hiervoor weergegeven verweren als volgt.

Het is de politie en andere opsporingsdiensten toegestaan om “ogen en oren open te zetten” en uit eigen bronnen, waaronder gegevens verkregen door toegestane controlebevoegdheden, en uit open bronnen informatie te verzamelen die dienstig kan zijn met het oog op de strafrechtspleging. Een beperking hieraan is dat daarbij geen grondrechten van burgers mogen worden geschonden, een andere beperking is dat, zolang er geen sprake is van een redelijke verdenking als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering, daarbij geen gebruik mag worden gemaakt van strafrechtelijke instrumenten.

Uit de door de verdediging genoemde artikelen en de daarover door de diverse betrokkenen bij het hof afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een zekere lijst met personen die bijzondere aandacht van de politie hadden op grond van hetgeen over hen bekend was uit, zo begrijpt het hof, eerdere onderzoeken en veroordelingen, mutaties, contacten tussen opsporingsambtenaren en die personen en dergelijke. Deze personen hadden bijzondere aandacht van de politie, los van de vraag of zij op dat moment verdachten waren in een concreet onderzoek. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen is dat geen onrechtmatig handelen van politie of justitie. Slechts wanneer zulks op zichzelf reeds aanleiding of mede aanleiding voor een concreet onderzoek naar een verdachte en het inzetten van strafrechtelijk instrumentarium op een verdachte in dat onderzoek is geweest, moet dat in een proces-verbaal worden neergelegd en aan het onderzoeksdossier van die concrete zaak worden toegevoegd. Het is dan immers voor de beoordeling van die zaak relevant.

Ten aanzien van de onderhavige zaak acht het hof het zeer wel mogelijk dat de verdachte op een lijst heeft gestaan als bedoeld in de hiervoor aangeduide interviews en de daarover door diverse betrokkenen afgelegde verklaringen. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is dat slechts relevant indien die omstandigheid op zich bepalend of mede bepalend is geweest voor de start van het onderhavige onderzoek. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.

Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof af dat de verdachte pas verdachte is geworden naar aanleiding van een op 11 juni 2008 in het kader van een op [medeverdachte 1] uitgevoerde observatie gedane waarneming (waarvan de juistheid uitdrukkelijk ter discussie is gesteld, het hof komt hier nader op terug) en daarop volgende waarnemingen op 11 en 12 juni 2008, een en ander in samenhang met gegevens uit telefoontaps en over telefoonnummers (zie proces-verbaal inzake “Verdenkingen [verdachte]” d.d. 17 december 2008 van verbalisant [verbalisant 2]). Dat neemt niet weg dat de verdachte uit eerdere onderzoeken naar hem of naar anderen al bij de politie bekend kan zijn geweest. Het hof verwijst in dit verband naar de processen-verbaal d.d. 12 februari 2012 van verbalisant Van den Berg, d.d. 9 en 10 februari 2012 van de verbalisanten nrs. 17 en 42, en d.d. 22 februari 2012 van verbalisant [verbalisant 3], gevoegd als bijlagen 1, 2 en 3 bij het proces-verbaal d.d. 9 maart 2012 van verbalisant [verbalisant 4].

Niet gebleken is dat jegens de verdachte vóór 11 juni 2008 met het oog op de onderhavige zaak bijzondere opsporingsmiddelen zijn ingezet of dat onderzoekshandelingen zijn verricht die uitdrukkelijk in een proces-verbaal hadden moeten worden neergelegd. De omstandigheid dat ter zitting van het hof gebleken is dat enkele telefoongesprekken van vóór 11 juni 2008 via stemherkenningen ten onrechte aan de verdachte zijn toegeschreven (waarvan overigens op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat zulks is geschied met de bedoeling om te misleiden) en de omstandigheid dat gegevens van de verdachte in een informatieset ten behoeve van de observatie van een of meer andere verdachten zijn opgenomen (zijnde de verdachte een contact van die verdachte/verdachten), maken dat niet anders. Het hof verwijst in dit verband naar het proces-verbaal d.d. 9 maart 2012 van verbalisant [verbalisant 4] met de daarbij gevoegde bijlagen.

Door de verdediging is uitdrukkelijk ter discussie gesteld hetgeen bij de observatie van 11 juni 2008 omstreeks 18.15 uur wel of niet is waargenomen en hoe daarover door betrokken verbalisanten in een proces-verbaal of op andere wijze is gerelateerd. Meerdere verbalisanten zijn hierover ter terechtzitting van het hof gehoord.

Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van observatie (proces-verbaalnummer 2008-06-11.B) ten aanzien van het genoemde tijdstip het volgende vermeldt:

18.15

uur

De [kentekennummer] staat geparkeerd op een terrein bij een groene loods gelegen rechts naar perceel [adres] te Delfgauw.

Twee mannen staan op het terrein, een van deze wordt herkend als [verdachte], geboren [geboorteplaats] te ’s-Gravenhage, wonende [adres] te Zoetermeer. Hierna te noemen [verdachte].

Signalement van de andere man: blanke man gekleed in een zwart shirt. Hierna te noemen NN2.

[verdachte] en NN2 lopen heen en weer tussen de groene loods en de [kentekennummer].

Deze observatie was gericht op [medeverdachte 1]. Na de waarnemingen als weergegeven is de observatie voortgezet op [verdachte].

Uit hetgeen door de diverse betrokken leden van het observatieteam is verklaard leidt het hof af dat de feitelijke gang van zaken steeds is dat zij hun waarnemingen mededelen aan één van de leden van het observatieteam die belast is met de contacten met het tactische team en dat deze aan het tactisch team doorgeeft wat aan hem als waarnemingen van de observanten is meegedeeld. Na de observatie wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt dat door alle leden van het observatieteam wordt ondertekend.

Aan de zijde van het tactisch team worden, zo begrijpt het hof uit de verklaring van verbalisant [verbalisant], de mededelingen van de kant van het observatieteam meteen met behulp van een computer neergelegd in een kort journaal. Dit korte journaal is een intern stuk van de politie. In het korte journaal staat, zo blijkt uit het proces-verbaal d.d. 9 maart 2012 van verbalisant [verbalisant 4], met betrekking tot de hiervoor omschreven waarnemingen van het observatieteam het volgende vermeld:

18.21

Worden spullen overgeladen van de Dodge in een busje. OT kan nog niet zien wat. Kent. [kentekennummer 2] Nissan, bestuurder lijkt op [verdachte].

Kenteken staat op een bedrijf in Utrecht, waarschijnlijk een autoverhuurbedrijf.

[medeverdachte 1] sms naar huis wat ze eten.

([medeverdachte 1] laten gaan en [verdachte] opgepikt)

OT gaat achter de Nissan aan met [verdachte].

Het is duidelijk dat de notitie in het korte journaal niet overeenkomt met hetgeen in het observatieverslag is gerelateerd. De vraag is vervolgens hoe het verschil moet worden verklaard.

Naar het oordeel van het hof zijn verschillende mogelijkheden denkbaar.

De eerste, en door de verdediging onderschreven, mogelijkheid is dat de waarneming van het “overladen” niet is gedaan en ook op geen enkele manier aan het tactisch team is meegedeeld, maar door verbalisant [verbalisant] ofwel bij vergissing in het korte journaal is opgenomen ofwel is verzonnen om optreden jegens de verdachte mogelijk te maken of activiteiten met betrekking tot de verdachte “af te dekken”.

De andere mogelijkheid is dat de in het korte journaal weergegeven waarneming wel is gedaan en is doorgegeven aan het tactisch team, maar uiteindelijk niet in het proces-verbaal van observatie is opgenomen.

De betrokken observanten 17, 42 en 88 zijn hierover ter terechtzitting van het hof gehoord. Zij hebben uitgelegd wat bij observaties de gebruikelijke gang van zaken is ten aanzien van de vastlegging van waarnemingen in het achteraf op te maken proces-verbaal van de observatie. Hun mededelingen komen er op neer dat wat door een of meer observanten wordt waargenomen, ook als zodanig in het proces-verbaal wordt neergelegd, zodat, wanneer iets niet in het proces-verbaal is neergelegd, moet worden aangenomen dat dat dan ook niet is waargenomen. De observanten 17 en 88 hebben desgevraagd meegedeeld geen concrete herinneringen aan de onderhavige observatie te hebben. Zij hebben dus weergegeven wat te doen gebruikelijk is. Uit de verklaring van observant 42 leidt het hof af dat dit ook voor deze observant geldt.

Dat de door [verbalisant] in het korte journaal gemaakte notitie op een vergissing berust, acht het hof niet aannemelijk, nu, mede gelet op de bewoordingen in de notitie, niet is te zien waaruit die vergissing zou hebben kunnen bestaan.

Dat de notitie opzettelijk in strijd met de waarheid is gemaakt, dus bewust met het doel om te misleiden, acht het hof, bij gebrek aan een concrete aanwijzing daarvoor, evenmin aannemelijk.

Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat de waarneming pas achteraf geconstrueerd is en in het korte journaal is opgenomen (tussengevoegd), dient die (veronder)stelling gepasseerd te worden. Immers, reeds op 13 juni 2008 zijn door verbalisant [verbalisant 2] processen-verbaal opgemaakt ten behoeve van een aanvraag bevel onderzoek telecommunicatie en een aanvraag bevel stelselmatige observatie betreffende de verdachte. Deze processen-verbaal vermelden uitdrukkelijk de door verbalisant [verbalisant] in het korte journaal genoteerde waarneming. Het op 23 juni 2008 gedateerde proces-verbaal van observatie was toen nog niet gemaakt. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat [verbalisant] de bedoelde notitie niet tijdens de observatie van 11 juni 2008 in het korte journaal heeft gemaakt.

Niet gebleken is van enige geheime of niet toegelaten actie jegens de verdachte die verborgen moest blijven of “afgedekt” moest worden, nog daargelaten of de beweerdelijke waarneming daaraan zou hebben kunnen bijdragen. Niet te voorzien was immers wat de verdachte na het verlaten van de plek waar geobserveerd was zou gaan doen, zodat ook de later op de bewuste dag en de volgende dag gedane waarnemingen, die ook aan de verdenking jegens de verdachte hebben bijgedragen, niet te voorspellen waren.

Naar het oordeel van het hof kan niet met zekerheid vastgesteld worden hoe de bewuste notitie in het korte journaal terecht is gekomen. De betrokken observanten hebben immers geen concrete herinnering aan de betreffende observatie en kunnen slechts uitleggen wat de gebruikelijke gang van zaken was. Deze geschetste gebruikelijke gang van zaken komt het hof alleszins geloofwaardig voor. Voor verbalisant [verbalisant] geldt in wezen hetzelfde: als de mededeling niet gedaan zou zijn, zou deze ook niet door hem in het journaal genoteerd zijn, aldus [verbalisant]. Het hof ziet niet waarom deze uitleg van [verbalisant] geen geloof zou verdienen.

Alles overziende acht het hof het meest aannemelijke scenario dat tijdens de observatie door observanten mededelingen van waarnemingen zijn gedaan die geen zekere waarnemingen waren maar wel als zodanig zijn begrepen door de contactpersoon, niet zijnde één van de observanten die de feitelijke waarnemingen hebben gedaan, en die vervolgens zijn doorgegeven en genoteerd in het korte journaal. Vermeld is immers dat men nog niet kan zien wat er wordt overgeladen. Zeer denkbaar is dat de observanten een en ander niet in het uiteindelijke proces-verbaal van observatie hebben opgenomen omdat de waarnemingen niet duidelijk en stellig genoeg waren en dus niet te verantwoorden. Intussen is de aan [verbalisant] doorgegeven mededeling genoteerd en als het ware een eigen leven gaan leiden. Voor de aanname dat er wel degelijk iets gezegd is dat begrepen is als overladen, is naar het oordeel van het hof steun te vinden in de vaststelling dat men de observatie op Van der Laan meteen heeft losgelaten en de observatie op de verdachte heeft voortgezet. Als er in het geheel niets is doorgegeven aan de contactpersoon en via deze aan [verbalisant] dat als belastend voor de verdachte kon worden uitgelegd, is dat onverklaarbaar.

Overigens merkt het hof op dat het voortzetten van de observatie op de verdachte geen stelselmatige observatie was waarvoor een bevel vereist was. Indien observanten met een stelselmatige observatie bezig zijn en zij het, om wat voor reden dan ook, in het belang van het onderzoek geraden achten om deze af te breken en een andere observatie te verrichten, zijn zij daarin vrij, zolang die nieuwe observatie geen stelselmatig karakter krijgt zodat een bevel is vereist. Dit laatste is in casu echter niet het geval geweest. Het voortzetten van de observatie op de verdachte was dus zonder meer geoorloofd, ook al werden de veronderstelde waarnemingen die de directe aanleiding waren later niet bevestigd.

Resteert de vraag of het opnemen van de door [verbalisant] gemaakte notitie in de genoemde aanvraag processen-verbaal, welke notitie later niet bevestigd werd in het proces-verbaal van observatie, betekent dat de naar aanleiding van die processen-verbaal gegeven bevelen ten onrechte of zelfs onrechtmatig zijn gegeven.

Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. De door [verbalisant] gemaakte notitie is niet op een onrechtmatige of onbegrijpelijke wijze tot stand gekomen. De waarnemingen door de observanten na de gewraakte waarneming zijn rechtmatig gedaan. De gewraakte waarneming is slechts een onderdeel van de feiten en omstandigheden waarop de aanvragen voor de genoemde bevelen gebaseerd was en niet valt in te zien dat weglating van de betreffende passage ertoe zou hebben geleid dat de diverse door de verdediging genoemde BOB-bevelen niet zouden zijn afgegeven.

Tenslotte de inzet van de IMSI-catcher. Het hof onderschrijft niet het standpunt van de verdediging dat op onrechtmatige wijze gebruik is gemaakt van een IMSI-catcher. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. De inzet ervan heeft plaatsgevonden op basis van een op 24 juni 2008 door de officier van justitie afgegeven bevel ex artikel 126nb Wetboek van Strafvordering. Ingevolge deze bepaling zijn de criteria voor de inzet van de IMSI-catcher direct gerelateerd aan die voor de in artikel 126m Wetboek van Strafvordering gegeven bijzondere opsporingsbevoegdheid. Op grond van laatstgenoemde bepaling gelden het vereiste dat sprake moet zijn van een misdrijf waarvoor ingevolge artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegestaan en het vereiste dat het misdrijf, gezien zijn aard of samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Aan deze vereisten is in de onderhavige zaak voldaan. De verdachte werd ervan verdacht dat hij zich met anderen bezig hield met het telen, verhandelen en vervoeren van hennep(producten). Artikel 3 jo 11 Opiumwet betreft een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. De feiten waarvan de verdachte verdacht werd leveren naar het oordeel van het hof, gelet op het gevaar dat deze veroorzaken voor de volksgezondheid en het georganiseerd verband waarin die feiten vermoedelijk werden gepleegd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. De inzet van de IMSI-catcher is gelet op het voorgaande niet onrechtmatig.

Op grond van al het bovenstaande concludeert het hof dat niet is gebleken van gronden voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, noch van gronden voor bewijsuitsluiting als verzocht. Hetgeen de verdediging hiertoe heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De terzake gevoerde verweren worden verworpen.

Bewijsoverwegingen en bespreking overige verweren

A.

Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Vidgen heeft de verdediging gesteld dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Kortheidshalve verwijst het hof naar hetgeen in dit verband in de pleitnota van de verdediging naar voren is gebracht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De Hoge Raad heeft de door de verdediging bedoelde Vidgen-jurisprudentie (EHRM 10 juli 2012, NJ 2012,649) als volgt in het Nederlandse straf(proces)stelsel geïmplementeerd (HR 29 januari 2013, LJN BX5539).

Ingeval de op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, heeft de verdachte niet het bij art. 6 lid 3 aanhef en onder d EVRM voorziene recht kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens voorafgaand aan de terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring. De verdediging heeft dan niet in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen.

Die (bij de politie afgelegde) verklaring kan toch voor het bewijs worden gebezigd indien de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring van de getuige die door de verdachte zijn betwist.

Uit de voormelde beslissing van het EHRM kan, in lijn met andere uitspraken van het EHRM, worden afgeleid dat de omstandigheid dat de verdachte het hiervoor bedoelde ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen omdat die getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen niet in de weg staat aan het gebruik van die eerdere verklaring voor het bewijs indien aan de verdachte een behoorlijke en effectieve compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige. De wijze waarop een zodanige compensatie zal kunnen worden geëffectueerd hangt af van de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de Hoge Raad (HR 19 maart 2013, LJN BZ4480) is de eis dat aan de verdachte compensatie moet worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging slechts van toepassing in gevallen waarin voldoende steunbewijs ontbreekt.

Naar het oordeel van het hof moet met de hiervoor bedoelde omstandigheid dat de ter terechtzitting verschenen getuige heeft geweigerd vragen te beantwoorden worden gelijkgesteld de omstandigheid dat zulks zich heeft voorgedaan ten overstaan van de rechter- of raadsheer-commissaris.

Voor de onderhavige zaak geldt dat [medeverdachte 2] ter terechtzitting van de rechtbank van 2 november 2009, waar hij als getuige werd gehoord, zich heeft beroepen op zijn verschoningsrecht en dat hij in de fase van het hoger beroep zich bij de rechter-commissaris eveneens op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en niet heeft verklaard. De verdediging heeft het hiervoor omschreven ondervragingsrecht dus niet kunnen uitoefenen.

Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval echter sprake van voldoende steunbewijs in de hiervoor bedoelde zin en kunnen de door [medeverdachte 2] bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs worden gebezigd.

Immers, in zijn verklaring bij de politie op 10 september 2008 verklaart [medeverdachte 2] dat de verdachte vanaf april/mei 2008 een aantal keren op de “Noordkop” in Breezand is geweest (bewijsmiddel 12). Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 2 november 2009, inhoudende dat hij wel eens bij de locatie aan de Middenweg is geweest (bewijsmiddel 24). Blijkens de bewijsmiddelen gaat het om dezelfde locatie.

Tijdens het afleggen van zijn verklaring bij de politie op 11 september 2008 is [medeverdachte 2] veelvuldig geconfronteerd met getapte telefoongesprekken en sms-berichten (bewijsmiddel 16). De verklaring van [medeverdachte 2] over die gesprekken en berichten wordt ondersteund door de uitwerkingen van de getapte telefoongesprekken en sms-berichten (bewijsmiddelen 17 tot en met 22).

B.

Voorts is door de verdediging bepleit dat de observatie op 11 juni 2008 onrechtmatig is geweest. Op gronden die door het hof zijn weergegeven bij de bespreking van het verweer inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat de observatie niet onrechtmatig is. Dit verweer wordt mitsdien verworpen.

C.

Ook is door de verdediging het standpunt ingenomen dat er op 26 augustus 2008 onrechtmatig is binnengetreden in de loods aan de Plukmadeseweg te Made.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op 11 juni 2008 zijn er observatiewerkzaamheden verricht waarbij het navolgende is waargenomen. De verdachte rijdt in een voertuig met het kenteken [kentekennummer 3]. Later die dag wordt hij ook gezien als de bestuurder van het voertuig met het kenteken [kentekennummer 4]. De passagier is een toen nog onbekende man die later bleek te zijn de medeverdachte [medeverdachte 4]. Om 20:36 uur wordt gezien dat laatstgenoemd voertuig wordt geparkeerd bij een garagebox in Leidschendam. De garagebox wordt om 21:17 uur door de verdachte geopend. De verdachte en [medeverdachte 4] laden vanuit de garagebox 37 zwarte vaten, 1 grijs vat met zwart deksel en 1 felblauw vat met zwart deksel in het voertuig met het kenteken [kentekennummer 4]. Vervolgens rijdt de auto met beide mannen naar Made, waar de auto wordt gezien terwijl deze in een loods links van perceel [adres] staat.

Voorts zijn er op 28 juni 2008 met behulp van een thermische camera videobeelden gemaakt van de locatie [adres] te Drimmelen. Er werd als bijzonderheid waargenomen dat aan de achterzijde van de loods 2 grijze plekken te zien zijn.

Ook is van belang dat tijdens observaties op 17 en 20 juni en 8 juli 2008 is waargenomen dat de verdachte de bestuurder was van (verschillende) voertuigen. Die voertuigen werden gebruikt om een aantal personen van en naar de Laakkade te Den Haag te brengen en/of naar een loods aan de Onderweg te Waddinxveen (Dossier Onderweg AH/15/58-62).

Op 14 juli 2008 is op de Laakweg te Den Haag door een surveillance-eenheid van politie Haaglanden een controle uitgevoerd op een bestelauto, voorzien van het kenteken bestreden beschikking[kentekennummer 5]. Hierbij is waargenomen dat er 3 personen bij het voertuig stonden, genaamd [medeverdachte 5], [medeverdachte 11] en [medeverdachte 13] en dat zich in de laadruimte 23 vrouwen bevonden (Dossier Onderweg AH/15/58-62). Eén van de vrouwen droeg een tas met kleding met een sterke henneplucht (Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 december 2008, betreffende verdenkingen [medeverdachte 5]).

Op diezelfde dag is de telecommunicatie van de verdachte getapt. Hij ontving een sms’je inhoudende dat hij weg moest blijven bij de opstapplek (Dossier Onderweg AH/15/72). Vervolgens voerde de verdachte een telefoongesprek waarin hij werd geïnformeerd over het feit dat er één politieauto stond en dat alles is afgevoerd door de politie, te weten de vrachtauto, [medeverdachte 5], [medeverdachte 11] en de 25 man die in de vrachtauto zaten (Dossier Onderweg AH/15/73-74).

Door de politie Midden en West Brabant is gerelateerd dat op 6 augustus 2008 informatie binnenkwam uit een niet nader te noemen opsporingsonderzoek elders in Nederland, inhoudende dat in een loods op het adres [adres] te Made, gemeente Drimmelen, mogelijk een hennepkwekerij in bedrijf zou zijn.

Door de politie Haaglanden is besloten om op 26 augustus 2008 in samenwerking met politie Midden en West Brabant de loods/het kassencomplex, gevestigd aan de [adres] te Made, gemeente Drimmelen, te betreden.

Voornoemde omstandigheden, te weten de gerezen verdenking ten aanzien van de verdachte dat hij zich bezig hield met het vervoer van personen van en naar een (andere) loods waarin vermoedelijk hennep werd verwerkt, alsmede de waarneming dat de verdachte met een aantal vaten naar de Plukmadeseweg te Made is gereden, in combinatie met de resultaten van het onderzoek met de thermische camera, leveren naar het oordeel van het hof voldoende grond op voor een redelijk vermoeden dat in die loods/het kassencomplex een strafbaar feit in de zin van de Opiumwet werd gepleegd. Dit vermoeden bestond op het moment van binnentreden van de loods aan de [adres] te Made op 26 augustus 2008, zodat gelet op het bepaalde in artikel 9 Opiumwet de loods mocht worden betreden. In de loods werd vervolgens niemand aangetroffen, waarna men via een toegang het kassencomplex is ingegaan. Aldaar werd de medeverdachte [medeverdachte 14] aangetroffen. Deze gaf vervolgens toestemming om een afgesloten gedeelte van het kassencomplex te betreden. In dit afgesloten gedeelte bevond zich een hennepkwekerij.

Nu er, gelet op het voorgaande, in het licht van het bepaalde in artikel 9 van de Opiumwet voldoende gronden waren om de loods en het afgesloten gedeelte van het kassencomplex te betreden en de medeverdachte [medeverdachte 14] bovendien voor het betreden van dit gedeelte toestemming heeft gegeven, is er geen sprake van een onrechtmatige binnentreding in de loods en het kassencomplex en wordt het verweer verworpen.

D.

Ten slotte is door de raadsman van de verdachte bepleit dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 11], gelet op zijn psychiatrisch toestandbeeld, als niet betrouwbaar buiten het bewijs gelaten dienen te worden.

Het hof volgt de verdediging hierin niet. Het hof wil aannemen dat de huidige geestelijke toestand van [medeverdachte 11] veel te wensen over laat, maar vindt in het voorliggende dossier geen aanwijzing dat daarvan ten tijde van de politieverhoren (juli – oktober 2008) ook al sprake was, zodanig dat reeds om die reden de door [medeverdachte 11] afgelegde verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Ook de door [medeverdachte 11] afgelegde verklaringen zelf geven geen aanwijzing in de door de verdediging bedoelde richting.

E.

Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de verdachte in een relatief korte tijd (ongeveer een half jaar) in georganiseerd verband en gelijktijdig actief betrokken is geweest bij meerdere locaties waar hennep werd geteeld en bewerkt, de conclusie rechtvaardigt dat hij dit heeft gedaan in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf.

F.

Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat door de verdachte en anderen, onder wie [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 11], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] in georganiseerd verband grote hoeveelheden hennep zijn geteeld en verwerkt. Dit gebeurde op verschillende locaties, in wisselende combinaties. Daarbij had de verdachte een prominente rol; hij was betrokken bij alle locaties waar hennep werd geteeld dan wel bewerkt of verwerkt. Binnen de organisatie was er sprake van een onderlinge taakverdeling. Bij zijn werkzaamheden verkeerde de verdachte regelmatig in gezelschap van [medeverdachte 4]. Beiden hadden met de andere betrokken personen contact over de te verwerken hennep en beiden zorgden er voor dat de anderen betaald kregen.

Ook [medeverdachte 5] (de zoon van [medeverdachte 4]) heeft zijn aandeel gehad, bestaande uit het vervoeren van personeel van en naar de locatie aan de Onderweg te Waddinxveen en het ophalen van de verwerkte hennep. Op diezelfde locatie is de medeverdachte [medeverdachte 11] betrokken geweest bij het verwerken van hennep als knipper, maar ook als degene die toezicht moest houden op de andere knippers. Ook kreeg hij de taak om zakken met hennep dicht te strijken en te zorgen dat deze koel stonden.

Zowel de medeverdachte [medeverdachte 2] als de medeverdachte [medeverdachte 7] zijn aangehouden in het kassencomplex aan de [adres] te Anna Paulowna, alwaar een omvangrijke hennepstekkenkwekerij is aangetroffen. [medeverdachte 7] was de huurder van het betreffende kassencomplex. Hij hield zich bezig met het bijhouden van het aantal stekken dat werd geleverd, het aantal uren dat door het personeel werd gewerkt en het geven van aanwijzingen aan het personeel.

[medeverdachte 2] is bij de hennepstekkenkwekerij in Made betrokken geraakt omdat de verdachte iemand met “groene vingers” nodig had. Aan [medeverdachte 2] werd steeds door de verdachte de opdracht gegeven om een bepaalde hoeveel hennepstekken te leveren. [medeverdachte 2] regelde voorts knippers nadat de verdachte aan hem kenbaar had gemaakt dat hij die nodig had. De verdachte en/of [medeverdachte 4] betaalde(n) [medeverdachte 2] en van dat geld moest hij ook het personeel betalen.

Gelet op het vorenstaande, de schaal waarop en de professionaliteit waarmee werd geopereerd, de bewezenverklaarde periode en de bestendige betrokkenheid van diverse personen is er naar het oordeel van het hof sprake geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven in de uitoefening van een beroep of bedrijf tot oogmerk had.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Zaak Middenweg

hij, in de periode van 1 april 2008 tot en met 14 augustus 2008, te Anna Paulowna tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld een hoeveelheid hennep (waaronder ongeveer 90902 hennepstekken en 4632 hennepplanten, zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten), zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

en

hij op 14 augustus 2008, te Anna Paulowna tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hennep 1775 delen van hennepplanten, zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten), zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

2.

Zaak Plukmadeseweg

hij, in de periode van 1 april 2008 tot en met 26 augustus 2008, te Made, gemeente Drimmelen tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft geteeld een hoeveelheid hennep (waaronder 75.080 hennepplanten, zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten), en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

3.

Zaak Onderweg

hij, in de periode van 1 juni 2008 tot en met 9 september 2008, te Waddinxveen, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft bewerkt en/of verwerkt (grote) hoeveelheden hennep en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

4.

Zaak K10

hij, op 30 juli 2008 te Zoetermeer en/of te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans op de A4 ter hoogte van de afslag Leidschendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft vervoerd, 10.437,9 gram henneptoppen, zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

Zaak Koraalrood

hij, op 30 juli 2008, te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hennepstekken en/of een hoeveelheid hennepplanten en/of henneptoppen en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

6.

Zaak 140Sr

hij, in de periode van 1 maart 2008 tot en met 9 september 2008, te Anna Paulowna en Waddinxveen en Zoetermeer en Made, gemeente Drimmelen en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en [medeverdachte 2] en medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 11] en anderen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en/of verhandelen en/of verkopen en/of bewerken en/of verwerken van (grote) hoeveelheden hennep, als bedoeld in artikel 11 derde en/of vijfde lid van de Opiumwet

7.

Zaak Voorweg

hij, in de periode van 9 juni 1998 tot en met 9 september 2008 te Zoetermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening electriciteit heeft weggenomen (aan Voorweg 52), geheel of ten dele toebehorende aan Stedin B.V. en/of Eneco, het weg te nemen goed onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van het verbreken van de verzegeling aan het telwerkhuis van de electriciteitsmeter.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bijlage bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel;

en

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel;

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde:

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op omvangrijke wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan het beroeps-/bedrijfsmatig telen en verwerken van grote hoeveelheden hennep. Hij heeft daarbij gehandeld als deelnemer aan een criminele organisatie die het plegen van deze misdrijven tot oogmerk had. Dergelijke misdrijven dragen bij aan de instandhouding en groei van de handel in en het gebruik van softdrugs, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd. De verdachte heeft zich enkel laten leiden door geldelijk gewin.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 juni 2013 is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

De advocaat-generaal heeft met betrekking tot het tijdsverloop gesteld dat de verdediging hier zelf grote invloed op heeft gehad, nu er sinds april 2011 veel aandacht is besteed aan wensen van de zijde van de verdediging om getuigen te horen.

Het hof stelt het navolgende vast. Op 19 november 2009 is door de rechtbank vonnis gewezen. Het hof wijst 3 jaar en 10 maanden later arrest, hetgeen is aan te merken als een aanzienlijke schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Gelet op de verwikkelingen in de loop van de behandeling van de zaak zijn de verzoeken van de verdediging niet onredelijk geweest. Derhalve is het hof – anders dan de advocaat-generaal- van oordeel dat de schending van de redelijke termijn niet is toe te rekenen aan de verdediging.

In beginsel acht het hof een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur passend. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om die straf te matigen, in die zin dat in plaats van een op zich passende straf van 42 maanden gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden zal worden opgelegd. Rekening houdend met de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling betekent dit een effectief lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57, 63, 140, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. S.A.J. van ’t Hul en mr. D. Jalink, in bijzijn van de griffier mr. R. van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2013.

Mr. Jalink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.