Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5108

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
22-005424-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft ervoor gezorgd dat zijn leerplichtige dochter niet naar school ging.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,- (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005424-11

Parketnummer: 10-950666-11

Datum uitspraak: 17 september 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 17 november 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1969,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 september 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in de maand juni 2011, in ieder geval op 21 juni 2011 te Rotterdam, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere genaamd [benadeelde partij], geboren [geboortejaar] 2006, althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school in de zin van artikel 1 van genoemde wet was ingeschreven, zulks terwijl die jongere op 1 april 2011 de leeftijd van vijf jaar had bereikt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een ander oordeel komt.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte aangevoerd dat – in de kern weergegeven – de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde omdat hij op juiste gronden heeft verklaard dat hij overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs van alle nabijgelegen scholen. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte om die reden een terecht beroep heeft gedaan op artikel 5, aanhef onder b, van de Leerplichtwet 1969, en dat hij dient te worden vrijgesteld van de verplichting om zijn dochter in te schrijven bij een school of instelling. Voorts geldt volgens de raadsman de mogelijkheid van een vrijstelling niet alleen voor groepen, maar ook voor individuele gevallen en ook indien de ouder niet zelf tot een erkende geloofsgemeenschap of levensbeschouwelijke groepering behoort. Daarnaast betwist verdachte dat objectivisme geen fundamentele oriëntatie op basis van een welbepaalde levensovertuiging is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of op juiste gronden een beroep is gedaan op genoemde vrijstelling zijn de volgende artikelen van de Leerplichtwet 1969 van belang.

Op grond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 kunnen ouders worden vrijgesteld van de verplichting hun kind in te schrijven op een school, indien zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen overwegende bedenkingen hebben.

Op grond van artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dient de ouder een kennisgeving, inhoudende tevens een verklaring dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs dat op een redelijke afstand is gelegen, van het beroep op vrijstelling aan de gemeente waar de jongere in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, te sturen.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 juli 2010, LJN BL6719, onder meer overwogen dat onder ‘richting’ in de zin van artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 kan worden verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Voorts heeft de Hoge Raad in genoemd arrest bepaald dat indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5 aanhef en onder b van de Leerplichtwet 1969, de rechter dient te onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt. De Hoge Raad overweegt dat onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs niet zijn begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. Voorts dient degene die zich op de vrijstelling beroept duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen die zich binnen een redelijke afstand van zijn woning bevinden.

De dochter van verdachte is geboren op [geboortejaar] 2006. Zij was per 1 april 2010 leerplichtig. De verdachte heeft op 2 februari 2010 de hiervoor genoemde kennisgeving aan de gemeente gezonden. De leerplichtambtenaar heeft de verdachte geantwoord dat zijn beroep op vrijstelling niet op juiste gronden is gedaan en heeft voorts de verdachte geadviseerd zijn dochter alsnog in te schrijven op een school.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de verdachte en zijn raadsman aangevoerd dat de verdachte een objectivistische levensovertuiging heeft en dat hij zijn kinderen overeenkomstig die overtuiging wil opvoeden.

De overwegende bedenkingen van de verdachte tegen openbaar onderwijs zijn erin gelegen dat openbare scholen door hun neutraliteit niet voorzien in onderwijs waarbij – overeenkomstig het objectivisme – wordt uitgegaan van de individuele vrijheid en het strikte gebruik van de menselijke rede. De neutraliteit van openbare scholen is onvoldoende om het objectivistisch gedachtegoed te waarborgen; voor verdachte is die neutraliteit zelfs abject. De verdachte wenst dat zijn levensvisie wordt uitgedragen op school. Objectivisme gaat ervan uit dat je zelf de centrale persoon in je leven bent en dat jouw geluk het allerbelangrijkst is. Vanuit dat geluk kun je dingen voor anderen doen. Je hoeft niet iets voor anderen te doen tenzij dat voor je eigen geluk is. Je bepaalt je eigen leven. De verdachte wil niet dat zijn dochter wordt blootgesteld aan andere levensvisies. Daarbij komt een objectivist over het algemeen niet wordt getolereerd. De neutraliteit van openbare scholen kan niet waarborgen dat objectivisme wordt getolereerd. Overgelegd door verdachte is een geschrift getiteld: “uit Ayn Rand’s Philosophy in a nutshell”, waarin is te lezen dat het uitgangspunt van het objectivisme is dat begrip van de waarheid en de werkelijkheid alleen kan worden verkregen uit feiten en de werkelijkheid zelf; de moraal van het objectivisme is het behartigen van rationeel eigenbelang.

De overwegende bedenkingen van verdachte tegen christelijk onderwijs zijn er in gelegen dat het zelfstandig denkvermogen en de individuele vrijheid ondergeschikt zijn gemaakt aan een heilig boek. Onderwijs op religieuze grondslag ondermijnt volgens het objectivisme het streven naar geluk van de autonome, zich door de rede leiden latende mens.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat uit de structuur van de Leerplichtwet 1969 en de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet blijkt dat de wetgever slechts op zeer beperkte gronden vrijstelling van de verplichting tot inschrijving op een school voor een minderjarig kind mogelijk heeft willen maken. Om die reden is in het oorspronkelijk voorgestelde artikel 5 huisonderwijs als vrijstellingsgrond geschrapt. De in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 opgenomen vrijstellingsgrond is in het leven geroepen met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren (Kamerstukken II 1897/98, 160, nr. 3, p. 4). De jurisprudentie van de Hoge Raad volgt deze lijn van de wetgever (o.a. HR 6 juli 2010, LJN BL6719). In deze context bezien moeten het begrip ‘richting’ in artikel 5, aanhef en onder b van de Leerplichtwet 1969 en de daaraan gegeven definitie zoals hiervoor geformuleerd strikt worden uitgelegd. Zo bezien is het naar het oordeel van het hof niet de bedoeling van de wetgever geweest een levensvisie als het objectivisme aan te merken als een richting in de zin van een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. De menselijke rede, de feiten en de werkelijkheid zijn immers algemeen aanvaard als de kenbronnen van wetenschap en dus ook van onderwijs, terwijl ook in het recht het behartigen van het legitieme eigenbelang een aanvaard rechtsbeginsel is. In zoverre is de eigenheid van het objectivisme dat reeds vaste voet heeft gekregen in de wetenschap, het onderwijs en het recht, voor het hof niet duidelijk geworden, terwijl evenmin duidelijk is waarom het objectivisme op gespannen voet zou staan met de neutraliteit van het openbaar onderwijs, dat de vrijheid van opvattingen waarborgt. Daarnaast staat het de verdachte vrij om zijn dochter na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met zijn opvattingen.

Gelet hierop komt de verdachte geen beroep toe op een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de bedenkingen van de verdachte geen overwegende bezwaren betreffen tegen de richting van de scholen en instellingen in de nabije omgeving. Aan de verdachte komt derhalve geen beroep toe op vrijstelling van de verplichting om zijn dochter in te schrijven bij een school of instelling. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de maand juni 2011 te Rotterdam, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere genaamd [benadeelde partij], geboren [geboortejaar] 2006, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school in de zin van artikel 1 van genoemde wet was ingeschreven, zulks terwijl die jongere op 1 april 2011 de leeftijd van vijf jaar had bereikt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft ervoor gezorgd dat zijn leerplichtige dochter niet naar school ging. Aldus heeft de verdachte haar verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van haar zoon miskend.

Bij de strafbepaling heeft het hof in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met het feit dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2013, niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte voor zover op grond van de processtukken bekend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,- (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. A.P. van der Linden, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 september 2013.

Mr. A.P. van der Linden en mr. M.J. de Haan-Boerdijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.