Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5078

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2013
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
BK-12/00702
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4327, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:963, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verzwegen vermogen op Amerikaanse effectenrekeningen. Redelijke voortvarendheid. Immateriële schadevergoeding. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/212
V-N 2014/12.1.2
FutD 2014-0272 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/593 met annotatie van Mr. W.F.E.M. Egelie
NTFR 2014/1098 met annotatie van mr. I.R. J. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00702

Uitspraak d.d. 17 juli 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Rijnmond, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2012, nummer AWB 11/949, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is bij wijze van vaststellingsovereenkomst voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd voor een te betalen bedrag van € 65.680 inclusief heffingsrente.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2010 heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld.

De Inspecteur heeft nadien bij een tweede uitspraak op bezwaar van 28 januari 2011, de navorderingsaanslag verminderd met een bedrag van € 1.271 aan ingehouden en nog niet verrekende dividendbelasting. Het bedrag van de navorderingsaanslag is vastgesteld op

€ 64.409, inclusief heffingsrente.

1.4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag, zoals deze na de ambtshalve vermindering van 28 januari 2011 is vastgesteld, gehandhaafd en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Voorts heeft de rechtbank de Inspecteur veroordeeld de proceskosten ten bedrage van € 437 en het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan haar te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Het Hof heeft op 15 april 2013 van de zijde van belanghebbende een nader stuk ontvangen waarvan een afschrift naar de Inspecteur is verzonden.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

24 april 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank onder 1 tot en met 4 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

” 1.  Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. Op 29 december 2009 heeft de Belastingdienst/[Q], een door eiseres ondertekende “Verklaring Vrijwillige verbetering Buitenlands vermogen” (hierna: de inkeerverklaring) ontvangen. In de inkeerverklaring heeft eiseres onder meer verklaard dat zij in 1993 en in 1998 een effectenrekening in de Verenigde Staten heeft geopend en dat het saldo op de in 1993 geopende rekening in 2009 ongeveer $ 258.467 en op de in 1998 geopende rekening ongeveer $ 142.615 bedroeg. Verder heeft eiseres in de inkeerverklaring melding gemaakt van aandelen Lloyds-TSB International Money Fund, verworven in 1992, met een waarde in 2009 van ongeveer € 13.923. In haar aangiften over de voorafgaande jaren heeft eiseres de inkomens- en vermogensbestanddelen van voormelde effecten(rekeningen) niet aangegeven.

2.

Bij brief van 13 januari 2010 heeft verweerder eiseres verzocht om vóór

3 februari 2010 nadere informatie, specificaties en afschriften van haar buitenlandse vermogensbestanddelen te verstrekken. Op verzoek van eiseres heeft verweerder tot

23 februari 2010 uitstel verleend voor het aanleveren van de verzochte informatie en bescheiden. Op 23 februari 2010 heeft verweerder een reactie van eiseres met afschriften van haar Amerikaanse effectenrekeningen en haar aandelen Lloyds-TSB International Money Fund ontvangen. Bij brief van 31 mei 2010 heeft verweerder een nadere vragenbrief aan eiseres verzonden omtrent het saldo van haar Amerikaanse effectenrekeningen. Eiseres heeft hierop bij brief van 12 juni 2010 gereageerd.

3.

Bij brief van 23 juni 2010 heeft verweerder een vaststellingsovereenkomst naar eiseres gezonden. In deze overeenkomst zijn de correcties voor de inkomstenbelasting over de jaren 1998 tot en met 2008, de correcties voor de vermogensbelasting over de jaren 1999 en 2000 en de over die jaren verschuldigde heffingsrente, opgenomen. Voorts is daarin opgenomen dat partijen er de voorkeur aan geven dat de verschuldigde bedragen tezamen worden opgenomen in één navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2005. Op 9 juli 2010 heeft verweerder de door eiseres ondertekende vaststellingsovereenkomst retour ontvangen. Vervolgens is met dagtekening 29 juli 2010 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

4.

Tot de gedingstukken behoren onder meer een aantal schermprints uit het Renseignementen Informatie Systeem van de belastingdienst (hierna: RIS) ten name van eiseres. Hierop staan diverse Amerikaanse inkomsten (dividenden, inkomsten uit onroerend goed, vermogenswinsten en interest) over de belastingjaren 2003 tot en met 2008 van twee Amerikaanse financiële instellingen vermeld. Voormelde inkomsten variëren van € 53 ($ 7) tot € 7.731 ($ 9.619). Op de prints staat voorts vermeld als “Datum raadpleegbaar” 5 november 2008 of 8 juli 2009.”

3.2.

Voorts zijn in hoger beroep nog de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan:

3.2.1.

In de vaststellingsovereenkomst, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort, is vermeld dat belanghebbende zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt om in bezwaar en beroep te komen tegen de op te leggen navorderingsaanslag. Het bezwaar/beroep kan geen betrekking hebben op de omvang van de correctiebedragen enkelvoudige belasting en/of de vorm waarin de heffing heeft plaatsgevonden (een navorderingsaanslag inkomstenbelasting box 3), maar kan wel betrekking hebben op de bevoegdheid van de Inspecteur om op basis van artikel 16, vierde lid van de Algemene wet rijksbelastingen (hierna: Awr) na te vorderen over een periode van 12 jaren in plaats van de periode van 5 jaren op basis van artikel 16, lid 3 Awr.

3.2.2.

Tot de gedingstukken behoren drie schermprints van het Renseignementen Informatie Systeem (RIS) van de Belastingdienst met de benaming ‘Renseignementen Informatie Systeem, Matrix’. Op deze afschriften is voor de jaren 1998 tot en met 2000, bij het onderdeel ‘Berichtenstroom’ niets vermeld. Voor de jaren 2001 en 2002 is ‘WOZ 2007’ vermeld.

3.2.3.

Tot de gedingstukken behoren ook zeven schermafdrukken van het RIS met als naam ‘Renseignementen Informatie Systeem, Detail’ die betrekking hebben op de jaren 2003 en 2004. Op de schermafdrukken zijn onder meer de naam, geboortedatum en adres van belanghebbende vermeld. Bij ‘Datum raadpleegbaar”, is op de schermafdrukken 5 november 2008 vermeld. Bij het onderdeel ‘Bruto bedrag euro’ is voor het jaar 2003 het bedrag € 798 vermeld en voor het jaar 2004 de bedragen: € 718, € 75, € 1.584, € 479, € 3.153 en € 264.

3.2.4.

Belanghebbende had in de jaren 1998 tot en met 2008 twee effectenrekeningen bij de in de Verenigde Staten gevestigde National Financial Services LLC en National Investor Services Corporation. Op deze twee effectenrekeningen heeft belanghebbende gedurende onderhavige jaren dividenden en rente ontvangen.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is de vraag of de navorderingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd hetgeen belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Het geschil heeft betrekking op de navordering met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid van de Awr en spitst zich toe op de vraag of (i) het voortvarendheidscriterium van toepassing is en zo ja, of (ii) de navorderingsaanslag voldoende voortvarend is opgelegd.

Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding.

Partijen zijn het eens dat de navorderingsaanslag voor elk jaar waarover is nagevorderd geldt als een afzonderlijke navorderingsaanslag en dat de navordering voor de jaren 1998 tot en met 2004 met toepassing van de verlengde navorderingstermijn is geschied.

4.2. Belanghebbende stelt zich - zakelijk weergegeven - op de volgende standpunten:

( i) Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag is het voortvarendheidcriterium zoals is geconcretiseerd in de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010: BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120 van toepassing. Belanghebbende houdt passieve (portfolio) beleggingen in de VS en deze vallen anders dan de Inspecteur betoogt geheel buiten het bereik van de standstill-bepaling, artikel 64, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

(ii) De Amerikaanse belastingautoriteiten verschaffen verdragspartners jaarlijks informatie over dividenden en rente. De RIS-formulieren laten zien dat de Belastingdienst op

5 december 2007 renseignementen van de Amerikaanse effectenrekening betreffende de jaren 2003 en 2004 heeft ontvangen en dat deze voor de Inspecteur vanaf 5 november 2008 raadpleegbaar waren. Aangezien het Amerikaanse renseigneringssysteem al lang bestaat, moet ook voor de overige jaren die in geschil zijn renseignementen zijn gedaan.

De Inspecteur heeft na het ontvangen van deze aanwijzingen stil gezeten en heeft pas op

13 januari 2010 naar aanleiding van de inkeerverklaring van belanghebbende actie ondernomen. De Inspecteur heeft niet voortvarend gehandeld en daarom vervalt zijn bevoegdheid tot navordering met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid van de Awr. De aanslag moet worden vernietigd voor wat betreft de jaren 1998 tot en met 2004.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding stelt belanghebbende dat de stukken, die zij bij de rechtbank heeft ingebracht, zijn opgesteld door haar gemachtigde.

4.3. De Inspecteur stelt zich - eveneens zakelijk weergegeven - op de volgende standpunten:

( i) de standstill-bepaling is van toepassing hetgeen met zich meebrengt dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, die reeds op 31 december 1993 bestond, onverkort geldt. Het voortvarendheidcriterium is dus niet van toepassing. Hierbij verwijst hij naar de uitspraken van de rechtbank Breda van 4 juli 2012ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7634 en 31 augustus 2012 (ECLI:NL:RBBRE:2012: BX9502). In de uitspraak van 4 juli 2012 is geoordeeld dat het aanhouden van een bank- en of effectenrekening aangemerkt wordt als financiële dienstverlening in de zin van artikel 64, eerste lid VWEU;

(ii) Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (r.o 2.1.2. van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010: BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120 ) leidt hij af dat de toetsing van de voortvarendheid zich met name toespitst op de periode na het moment waarop “de aanwijzing van het bestaan van de spaartegoeden” zich openbaart. Op 28 december 2009 is de Inspecteur door middel van de inkeerverklaring in kennis gesteld van het feit dat belanghebbende een effectenportefeuille had in het buitenland, op 13 januari 2010 is een heffingsonderzoek ingesteld en de navorderingsaanslag is op 29 juli 2010 opgelegd. Als aanvangstijdstip voor de voortvarendheidstoets geldt 28 december 2009 en niet eerder; bij het opleggen van de navorderingsaanslag heeft de Inspecteur voortvarend gehandeld. De renseignementen zijn op 5 november 2008 opgenomen in het RIS. Hij bestrijdt dat de Belastingdienst over de eerdere jaren informatie over de rekeningen beschikte. Er bestond geen verplichting tot uitwisseling van informatie tussen de Verenigde Staten en Nederland.

De proceskostenvergoeding is eerder tot een te hoog bedrag dan tot een te laag bedrag vastgesteld.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben aangevoerd, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag met een bedrag van € 50.203.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”7.  De nagevorderde inkomstenbelasting over de jaren 1998 tot en met 2004 en de nagevorderde vermogensbelasting over de jaren 1999 en 2000 zijn, naar tussen partijen kennelijk niet in geschil is, door verweerder nagevorderd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn. De over de jaren 2005 tot en met 2008 nagevorderde inkomstenbelasting is binnen de reguliere vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de Awr, nagevorderd.

8.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, LJN: BI8987, geoordeeld dat de verlengde navorderingstermijn in beginsel een verboden beperking van zowel het vrij verrichten van diensten als het vrije verkeer van kapitaal vormt. Deze beperking wordt echter in beginsel gerechtvaardigd door de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en als noodzaak in het kader van de bestrijding van belastingfraude. Bij het antwoord op de vraag of de verlengde navorderingstermijn niet verder gaat dan noodzakelijk onderscheidt het Hof van Justitie twee situaties. Indien de belastingautoriteiten geen aanwijzingen hadden over het bestaan van in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen, is de verlengde navorderingstermijn niet onevenredig. Indien de belastingautoriteiten wel beschikken over aanwijzingen over een in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor een verlenging van de navorderingstermijn die er niet specifiek toe strekt de belastingautoriteiten in staat te stellen op nuttige wijze gebruik te maken van regelingen voor wederzijdse bijstand tussen lidstaten, en die in werking treedt zodra de betrokken belastbare bestanddelen in een andere lidstaat zijn ondergebracht.

9.

Naar aanleiding van voormeld arrest van het Hof van Justitie heeft de Hoge Raad in de arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 respectievelijk LJN: BJ9120, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens
(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.
Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden. Voormelde regels hebben ook te gelden indien het gaat om aanwijzingen van het bestaan van in een andere lidstaat opgekomen inkomsten die niet voortvloeien uit spaartegoeden (vgl. Hoge Raad van 7 mei 2010, nrs. 41 550bis en 42 511bis, LJN: BM3301 respectievelijk LJN: BM3304).

10.

Eiseres heeft onder verwijzing naar genoemde arresten van de Hoge Raad gesteld dat verweerder in dit geval geen gebruik mocht maken van de verlengde navorderingstermijn, nu ook in verhouding tot de Verenigde Staten als derde land sprake is van een verboden beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer en verweerder niet voldoende voortvarend is geweest met het opleggen van de navorderingsaanslag. Verweerder beschikte namelijk al ruim voor de ontvangst van de inkeerverklaring over aanwijzingen van het bestaan van de twee Amerikaanse effectenrekeningen op naam van eiseres. In december 2007 heeft de Amerikaanse bevoegde autoriteit kennelijk immers al aan het Ministerie van Financiën inlichtingen over de Amerikaanse effectenrekeningen van eiseres over het jaar 2005 verstrekt en op 5 november 2008 waren deze gegevens blijkens de door verweerder verstrekte schermprints voor de belastingdienst in het RIS raadpleegbaar. Verweerder had dus, aldus eiseres, in ieder geval vanaf 5 november 2008, zo niet reeds vanaf december 2007, met redelijke voortvarendheid inlichtingen moeten inwinnen en navorderingsaanslagen moeten voorbereiden en vaststellen aan de hand van de gegevens die ter beschikking stonden. Nu hij dit heeft nagelaten dient volgens eiseres voor het aandeel van elk van de jaren 1998 tot en met 2004 de navorderingsaanslag dan ook te worden vernietigd.

11.

De vrijheid van kapitaalverkeer geldt op grond van artikel 56 van het EG-Verdrag (thans artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)) in beginsel ook met betrekking tot derde landen. De zogenoemde standstill-bepaling van artikel 57, eerste lid, van het EG-Verdrag (thans artikel 64, eerste lid, van het VWEU) maakt evenwel een uitzondering voor op 31 december 1993 uit hoofde van het nationale recht bestaande beperkingen inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. Naar het oordeel van de rechtbank kan het aanhouden van een effectenrekening, anders dan eiseres heeft betoogd, worden begrepen onder het begrip “financiële dienstverlening”, zodat het aanhouden van banktegoeden, dan wel het aanhouden van een effectenrekening in een derde land onder de standstill-bepaling valt. De rechtbank overweegt daartoe dat het openen van een bank-, dan wel effectenrekening, als ook het beheer van die rekening een handeling van financiële aard is. Nu de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Awr is ingevoerd bij de Wet van 22 mei 1991 is sprake is van een op 31 december 1993 bestaande belemmering. Aldus staat artikel 56 van het EG-Verdrag niet aan toepassing van de verlengde navorderingstermijn in de weg. Het beroep van eiseres faalt in zoverre.

12.

De stelling van eiseres dat, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van

14 december 1995, Sanz de Lera e.a., gevoegde zaken C-163/94, C-165/94 en C-250/94, LJN: AC3936, de belemmerende bepaling van artikel 16, vierde lid, van de Awr te ruim is geformuleerd om door artikel 57, eerste lid, van het EG-Verdrag te kunnen worden gesauveerd, in die zin dat het de navordering betreft van te weinig geheven belasting van alle in het buitenland gehouden of opgekomen bestanddelen en niet enkel van de in het buitenland gehouden of opgekomen bestanddelen in verband met directe investeringen, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten, faalt eveneens. Niet van belang is dat de bepaling van artikel 16, vierde lid, van de Awr mede kapitaalverkeer (kan) tref(t)(fen) waarvoor de standstill-bepaling van artikel 57, eerste lid, van het EG-Verdrag niet geldt (vgl. Hoge Raad van 14 april 2006,

nr. 41 815, LJN: AV0834 en Hoge Raad van 16 april 2010, nr. 08/03753, LJN: BK6025).

13.

Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank aan de beoordeling van de vraag of verweerder de in geding zijnde navorderingsaanslag voor zover deze betrekking heeft op de nagevorderde inkomstenbelasting over de jaren 1998 tot en met 2004 en de vermogensbelasting over de jaren 1999 en 2000 met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld, met inachtneming van het moment waarop verweerder voor het eerst aanwijzingen heeft verkregen over het bestaan van de twee Amerikaanse effectenrekeningen van eiseres, niet meer toe.

14.

Tot slot merkt de rechtbank nog op dat de door verweerder genomen “tweede” uitspraak op bezwaar van 28 januari 2011 niet kan worden aangemerkt als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, tweede lid, van de Awb beroep kan worden ingesteld. Immers het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van een uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt (vgl. Hoge Raad 20 januari 2012, nr. 10/02678, LJN: BT1516). De rechtbank merkt derhalve voormelde uitspraak van 28 januari 2011 aan als een zogenoemde ambtshalve vermindering. Nu de navorderingsaanslag na de uitspraak op bezwaar van

20 december 2010 alsnog is verminderd, is het beroep in zoverre gegrond.

Proceskosten en schadevergoeding

15.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. De kosten van het bezwaar komen, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 en artikel 7:15 van de Awb, niet voor vergoeding in aanmerking, nu in de bezwaarfase niet om een dergelijke vergoeding is verzocht. Voorts valt noch uit het beroepschrift noch uit de conclusie van repliek op te maken dat deze door de gemachtigde van eiseres zijn opgesteld, aangezien deze stukken door eiseres zijn ondertekend en ingediend.

16.

Voor een immateriële schadevergoeding, zoals door eiseres ter zitting is verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding, nu sinds de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder (26 augustus 2010) en de datum van de onderhavige uitspraak nog geen twee jaar is verstreken en derhalve van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087, geen sprake is.”

Beoordeling van het hoger beroep

Is de standstill-bepaling van toepassing?

7.1. Primair dient de vraag beantwoord te worden of de regeling van artikel 16, lid 4, Awr omtrent de verlengde navorderingstermijn, welke regeling reeds bestond op 31 december 1993, een beperking is die Nederland reeds mag handhaven in het verkeer met derde landen op grond van het bepaalde in 64, eerste lid van het VWEU (artikel 57 EG; de standstill-bepaling). Het Hof is van oordeel dat dit niet het geval is.

7.2.1. Het Hof van Justitie EG heeft in het arrest Sanz de Lera van 14 december 1995,

C-163/94, C-165/94 en C-250/94, LJN: AC3936 geoordeeld met betrekking tot een voorloper van de huidige bepaling (artikel 73 C, lid 1, EG-Verdrag):

” 31 Voorts moet worden onderzocht, of een nationale regeling als de in geding zijnde onder artikel 73 C, lid 1, van het Verdrag valt. Dit artikel bepaalt: "Het bepaalde in artikel 73 B doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van nationaal of gemeenschapsrecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen ° met inbegrip van investeringen in onroerende goederen °, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten."

-32 In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt, dat een regeling als de in geding zijnde van toepassing is op de uitvoer van geldstukken, bankbiljetten of cheques aan toonder.

-33 De materiële uitvoer van betaalmiddelen kan evenwel op zich niet worden beschouwd als kapitaalverkeer in verband met directe investeringen ° met inbegrip van investeringen in onroerende goederen °, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

-34 Deze vaststelling wordt overigens bevestigd door de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361, die de transfers van betaalmiddelen indeelt in de rubriek "In- en uitvoer van vermogenswaarden" (rubriek XII), terwijl de in artikel 73 C, lid 1, van het Verdrag genoemde verrichtingen in andere rubrieken van deze nomenclatuur zijn opgenomen.

-35 Bovendien is een regeling als de in geding zijnde algemeen van toepassing op elke uitvoer van geldstukken, bankbiljetten of cheques aan toonder, daaronder begrepen uitvoer die geen verband houdt met directe investeringen in derde landen ° met inbegrip van investeringen in onroerende goederen °, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

-36 Blijkens het voorgaande valt een nationale regeling als de onderhavige niet onder artikel 73 C, lid 1, van het Verdrag. ”

7.2.2.Ten opzichte van de regeling vervat in artikel 16, lid 4, Awr waarbij de termijn voor navordering wordt verlengd, dient in acht te worden genomen dat deze regeling ziet op elke vorm van kapitaalverkeer die wordt genoemd in de nomenclatuur, bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG, en derhalve in veel ruimere mate het kapitaalverkeer beperkt dan gelet op de categorieën van kapitaalverkeer genoemd in artikel 64 WVEU mogelijk is. Mitsdien is sprake van een algemeen van toepassing zijnde regeling in de zin van het arrest Sanz de Lera die niet valt onder artikel 64 VWEU.

7.3. Uit het vorenoverwoge volgt dat dient te worden onderzocht of in het onderhavige geval de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid is opgelegd.

Is de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid opgelegd?

7.4. De navordering ziet op de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1998 tot en met 2008, en de vermogensbelasting voor de jaren 1999 en 2000. De vraag of voortvarend is gehandeld door de Inspecteur is slechts relevant voor de jaren 1998 tot en met 2004 aangezien voor deze jaren is nagevorderd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid Awr is opgelegd.

7.5. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur op 5 december 2007 dan wel op 5 november 2008 renseignementen ter beschikking had waaruit blijkt dat belanghebbende in de Verenigde Staten in de jaren 2003 en 2004 over vermogensbestanddelen beschikte die niet zijn aangegeven. Ook voor de eerdere jaren had de Belastingdienst over renseignementen moeten beschikken omdat het Amerikaanse automatische renseigneringssysteem dateert van ver voor de inwerkingtreding van het huidige belastingverdrag in 1992. Belanghebbende concludeert dat de navordering over de jaren 1998 tot en met 2004 niet in stand kan blijven omdat de Inspecteur te lang heeft gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag.

7.6.1. Uit de tot de gedingstukken behorende schermprints van het RIS leidt het Hof af dat de renseignementen voor de jaren 2003 en 2004, op 5 november van het jaar 2008 in het RIS beschikbaar waren en door de Inspecteur konden worden geraadpleegd. Het vorenstaande is door de Inspecteur ter zitting bevestigd. Hij heeft voorts ter zitting verklaard dat bij het opleggen van een aanslag voor een bepaald jaar enkel de renseignementen met betrekking tot dat jaar worden geraadpleegd en beoordeeld. Het Hof is van oordeel dat de renseignementen gelden als een aanwijzing dat belanghebbende vermogensbestanddelen in het buitenland aanhoudt. De renseignementen hadden duidelijk betrekking op belanghebbende en daarbij gaven de vermelde bedragen en hun specificatie aanleiding tot nader onderzoek. De Inspecteur had daarom binnen een redelijke termijn na de maand november 2008, actie moeten ondernemen. Dat het werkproces van de Belastingdienst niet zodanig is ingericht dat de renseignementen binnen redelijke termijn worden geraadpleegd dient voor rekening en risico van de Belastingdienst te komen.

7.6.2. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de conclusie dat reeds het tijdsverloop tussen 5 november 2008 en de eerste brief van de Inspecteur van 13 januari te 2010 te lang is om nog te kunnen spreken van voortvarend handelen van de Inspecteur. Hierdoor is de bevoegdheid om voor deze jaren met toepassing van de verlengde navorderingstermijn na te vorderen vervallen. De navordering voor de jaren 2003 en 2004 van respectievelijk € 6.633 en € 6.714 (totaalbedrag: € 13.347) kan derhalve niet in stand blijven.

7.7. De Inspecteur heeft de stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst ook voor de jaren 1998 tot en met 2002 over renseignementen beschikte, weersproken en heeft aangevoerd dat de Amerikaanse belastingautoriteiten niet verplicht waren om informatie uit te wisselen met de Nederlandse belastingautoriteiten. Het Hof is van oordeel dat het enkele feit dat het Amerikaanse renseigeneringsysteem in die jaren bestond niet de conclusie rechtvaardigt dat daadwerkelijk op belanghebbende betrekking hebbende informatie is verstrekt aan de Nederlandse belastingautoriteiten. Hiervoor pleiten ook de onder 3.2.2 vermelde schermprints van het RIS, waaruit niet kan worden afgeleid dat ook voor de onderhavige jaren een berichtenstroom over de effectenrekeningen is geweest. Het Hof acht gelet op de feiten en omstandigheden derhalve niet aannemelijk dat de Inspecteur reeds vóór de indiening van de inkeerverklaring, over vorenbedoelde informatie beschikte. De beschikbare informatie over de jaren 2003 en 2004 zouden de Inspecteur bij tijdige raadpleging ook overigens niet genoopt hebben tot nader onderzoek naar eerdere jaren. Uit de over de jaren 2003 en 2004 in RIS beschikbare informatie valt daarover immers niets af te leiden.

7.8. Uit het vorenstaande volgt dat voor de beoordeling of de Inspecteur voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van de navordering voor de jaren 1998 tot en met 2002, de datum van de inkeerverklaring, 29 december 2009 als aanvangsdatum geldt. Na de inkeerverklaring heeft de Inspecteur bij brief van 13 januari 2010 een heffingsonderzoek ingesteld dat uiteindelijk heeft geresulteerd in de navorderingsaanslag met als dagtekening 29 juli 2010. Het Hof is van oordeel dat de vaststaande feiten die in de rechtsoverwegingen 2 en 3 van de Rechtbank zijn vermeld en die door het Hof integraal zijn overgenomen, de conclusie rechtvaardigen dat de Inspecteur voor de jaren 1998 tot en met 2002 de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld. De navordering vermogensbelasting voor de jaren 1999 en 2000 en de navordering inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1998 tot en met 2002 blijven derhalve in stand.

Immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding

7.9. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 16 met juistheid beslist dat aan belanghebbende geen immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van een redelijke termijn voor de bezwaarfase en de eerste aanlegfase wordt toegekend. Het Hof verenigt zich met dit oordeel en maakt de daartoe gebezigde gronden tot de zijne. Tussen de indiening van het hoger-beroepschrift tegen de voormelde uitspraak van de rechtbank 24 augustus 2012 en deze uitspraak van het Hof is de normtermijn van twee jaar niet overschreden, zodat belanghebbende ook voor deze fase van de procedure geen recht kan doen gelden op immateriële schadevergoeding.

7.10.1. Belanghebbende is in de procedure bij de rechtbank vertegenwoordigd door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. De rechtbank heeft echter geen proceskostenvergoeding toegekend voor het beroepschrift en de conclusie van repliek omdat deze stukken door belanghebbende zelf zijn ondertekend. De inhoud van de stukken hebben betrekking heeft op specifieke en complexe fiscale materie, zodat het Hof aannemelijk acht dat zij ook zijn opgesteld door de beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Het vorenstaande geldt eveneens voor het hoger-beroepschrift. Belanghebbende komt voor vorengenoemde stukken derhalve ook in aanmerking voor een forfaitaire kostenvergoeding.

7.10.2. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende voor de stukken geen kosten heeft gemaakt doch heeft deze stelling niet onderbouwd. Derhalve faalt deze stelling bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ten aanzien van de kosten van het bezwaarschrift heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat zij niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Proceskosten en griffierecht

8.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt de kosten, op de voet van deze bepaling in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op in totaal € 3.540 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in beroep: 3 punten à € 472 x 1,5 en in hoger beroep: 2 punten à

€ 472 x 1,5. Voor een hogere vergoeding van proceskosten acht het Hof geen termen aanwezig. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die een hogere vergoeding, laat staan een vergoeding van de integrale kosten, rechtvaardigen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag tot op een bedrag van € 51.062 (€ 64.409 minus

€ 13.347);

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.540.

  • -

    gelast de Inspecteur het betaalde griffierecht van € 115 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 17 juli 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.