Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4948

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
22-000200-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (diefstal) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000200-11

Parketnummer: 11-860351-10

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 10 januari 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1988,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 58 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent het beslag en de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juli 2010 te Zwijndrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit Autodemontagebedrijf [benadeelde B.V.] heeft weggenomen een of meerdere (in totaal zestig) katalysator(s) en/of uitlaatsyste(e)m(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Autodemontagebedrijf [benadeelde B.V.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op 17 juli 2010 om 03:14 uur komt er bij de politie een melding binnen dat twee personen door een weiland zouden lopen bij de Langeweg te Zwijndrecht. Nadien is terzake door de melder een verklaring afgelegd. Ter plaatse gekomen verbalisanten zien vervolgens om 04:02 uur ter hoogte van een autosloperij aan de Langeweg een personenauto van het merk Ford Fiesta wegrijden. Verbalisanten zien vier personen in dit voertuig. Nadat de auto enkele minuten door meerdere politieauto’s is achtervolgd en uiteindelijk bij een speeltuin in Rotterdam is klemgereden, worden de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. De vierde persoon werd niet aangetroffen. Op 28 september 2010 wordt vervolgens de medeverdachte [medeverdachte 3] aangehouden. Op de achterbank van de Ford Fiesta zijn 13 katalysatoren aangetroffen.

De verdachte en [medeverdachte 2] hebben steeds verklaard dat zij die nacht door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij [medeverdachte 2] thuis zijn opgehaald en dat deze met hen naar het autosloopbedrijf zijn gereden. De in de Ford Fiesta aangetroffen katalysatoren lagen al op de achterbank op het moment dat zij in Rotterdam in de auto stapten.

Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd tegenover de politie volgt dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte 3] in de auto van zijn moeder naar het autosloopbedrijf is gereden. Daar aangekomen hebben zij vanuit een veld een hek over de sloot gelegd en zijn zij via dit hek het terrein opgegaan. [medeverdachte 3] heeft vervolgens met een betonschaar een slot open geknipt van een kar waar dempers in lagen, welke dempers zij toen met een kruiwagen in de richting van de sloot hebben gebracht en over de sloot hebben gegooid. Hierna zijn zij weggegaan om vervolgens een uur later terug te komen, op welk moment de politie hen daar zag. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte 1] als getuige verklaard dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] er pas later in de nacht bij zijn gekomen en dat zij niet op het terrein van de sloperij zijn geweest. De in de auto aangetroffen katalysatoren waren bij het eerste bezoek aan het autosloopbedrijf door hem en [medeverdachte 3] in de auto gelegd, aldus [medeverdachte 1].

Het hof overweegt dat deze verklaring steun vindt in de eerder genoemde getuige-verklaring dat er om 03.14 uur twee mannen zijn gezien, die door een weiland liepen.

Het hof acht het op zichzelf mogelijk dat [medeverdachte 1] per auto, midden in de nacht, de afstand tussen de Langeweg te Zwijndrecht, de toenmalige verblijfplaats van de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] en weer terug naar Zwijndrecht overbrugd heeft binnen de periode gelegen tussen 03.14 en 04.02 uur. Het hof kan echter op grond van het bovenstaande niet buiten gerede twijfel vaststellen dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] betrokken waren als daders bij deze diefstal. Veeleer is aannemelijk geworden dat zij eerst betrokken raakten toen de diefstal reeds voltooid was.

De op 28 september 2010 tegenover de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] -waarover deze als getuige ter terechtzitting heeft gezegd dat hij destijds bij de politie naar waarheid heeft verklaard-, inhoudend dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] reeds ten tijde van het plegen van de diefstal betrokken waren, laat het hof buiten beschouwing. Deze verklaring vindt op genoemde punten geen steun in andere bewijsmiddelen en spoort niet met de waarneming van de getuige dat twee personen (en niet vier) om 03:14 uur in het weiland zijn gezien.

Derhalve acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat de hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde B.V.]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde B.V.] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.639,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 540,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep en daarmee tot een hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Beslag

Ten aanzien van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals hierna staat vermeld, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Schoeisel, 1 paar, kleur zwart;

- Communicatieapparatuur (telefoon), type Nokia, kleur zwart;

- Communicatieapparatuur, sim kaart.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde B.V.]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde B.V.] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. TH.W.H.E. Schmitz en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 oktober 2013.