Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4943

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
22-005267-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee personen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan één van die personen, door midden op straat met een vuurwapen te schieten in de richting van diens lichaam. Deze persoon is door het schot in zijn teen geraakt.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005267-12

Parketnummers: 09-757823-12 en 09-900794-10 (tul)

Datum uitspraak: 27 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 november 2012 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortejaar] 1990,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, gevangenis Bankenbosch te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 november 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering tot ten uitvoerlegging van de bij vonnis van 17 december 2010, met parketnummer 09-900794-10, voorwaardelijk opgelegde straf, als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:


hij op of omstreeks 31 maart 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] van het leven te beroven althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet met kalm beraad en rustig overleg

- met een vuurwapen (vanaf een korte afstand) een of meer kogels af te vuren op het lichaam en/of in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of

- die [benadeelde partij 2] vast te pakken en/of een vuurwapen tegen de buik, althans het lichaam van die [benadeelde partij 2] te drukken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:


hij op of omstreeks 31 maart 2012 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Parallelweg en/of de Koninginnestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of

- het maken van slaande bewegingen in de richting van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of

- het slaan met een baksteen, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] en/of

- het met een vuurwapen afvuren van een of meer kogels op en/of in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of

- het drukken van een vuurwapen tegen de buik van die [benadeelde partij 2], waarbij hij, verdachte, met het vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op die [benadeelde partij 1], en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een verwonding aan de (rechter)voet) voor die [benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op 31 maart 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met een vuurwapen (vanaf een korte afstand) een kogel af te vuren in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1].

2:


hij op 31 maart 2012 te 's-Gravenhage met een ander, op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit

- het slaan en stompen van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het openlijk en in vereniging plegen van geweld, nu het geweld niet in vereniging is gepleegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Eerder die avond was er, voorafgaand aan de film, in de bioscoop een woordenwisseling tussen de medeverdachte (de broer van verdachte) en [benadeelde partij 2]. Nadat de film was afgelopen hebben de verdachte en zijn broer, gewacht totdat de film van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] ook was afgelopen. Vervolgens is er een schermutseling ontstaan waarbij de spanning al behoorlijk opliep en over en weer werd geduwd en getrokken. De verdachte, zijn broer, [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] moesten door een beveiliger uit elkaar worden gehaald. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zijn daarop in een taxi vertrokken. De verdachte en zijn broer zijn in een auto weggereden.

Vervolgens zagen de verdachte en zijn medeverdachte op de Parallelweg [benadeelde partij 2] uit de taxi stappen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn daarop kort na elkaar ook uit de auto gestapt en op [benadeelde partij 2] afgelopen. Daarbij is door verdachte en/of zijn broer ook geschreeuwd. Vervolgens is er een vechtpartij ontstaan. Niet is komen vast te staan wie daadwerkelijk de eerste klap heeft uitgedeeld, nu de partijen hier tegenstrijdig over verklaren.

Beide aangevers hebben verklaard dat het een flinke vechtpartij is geweest tussen enerzijds [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en anderzijds de verdachte en zijn broer. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij heeft geslagen. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hijzelf meer met aangever [benadeelde partij 1] in gevecht was en zijn broer meer met aangever [benadeelde partij 2]. Naar het oordeel van het hof hebben de verdachte en zijn broer onder deze omstandigheden beide een significante, wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld dat in vereniging is gepleegd. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota het verweer gevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweer(exces). De raadsman heeft gesteld dat de broer van de verdachte, [medeverdachte], zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [medeverdachte] op zijn hoofd werd geslagen met een baksteen, een fatale afloop voor hem dreigend was, en de verdachte zich genoodzaakt zag om naar de auto te lopen om daaruit een pistool te pakken. Met dat pistool heeft hij vervolgens twee maal geschoten waarbij [benadeelde partij 1] in zijn teen is geraakt.

Het hof verwerpt het verweer, nu de feiten en omstandigheden zoals de raadsman die aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn. Het hof heeft daartoe acht geslagen op de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden.

Verdachte en [medeverdachte] verklaren eerst enige weken na het incident dat [medeverdachte] werd geslagen met een baksteen. [medeverdachte] zegt dat hij daarbij 7 tot 9 keer met de baksteen is geslagen. [getuige 2], de toenmalige vriendin van verdachte, heeft ook verklaard dat zij iemand met een steen zag slaan, doch eerst enige maanden later bij de rechter-commissaris.

Beide aangevers, noch de getuige [benadeelde partij 2] verklaren dat verdachtes broer met een steen zou zijn geslagen. Het hof merkt hierbij op dat ook [getuige] in haar eerste verklaring bij de politie, afgelegd twee dagen naar het incident, er geen melding van maakt dat [medeverdachte] met een steen zou zijn geslagen.

Nu de verklaringen van beide partijen omtrent het al dan niet slaan van [medeverdachte] met een baksteen lijnrecht tegenover elkaar staan, heeft het hof voorts acht geslagen op de volgende omstandigheden, alsmede op het letsel van [medeverdachte].

Nadat de verdachte met het vuurwapen heeft geschoten is [medeverdachte] zelf opgestaan, naar de auto gerend en is aan de bestuurderszijde van de auto gaan zitten. Toen ook de verdachte en [getuige] in de auto waren gestapt, zijn zij weggereden. [medeverdachte] was daarbij de bestuurder van de auto. Zij zijn daarop naar een hotel gereden. [medeverdachte] is niet naar een arts of ziekenhuis geweest waardoor er geen medische informatie omtrent zijn gezondheidstoestand van kort na het feit beschikbaar is.

Het hotelpersoneel heeft voorts geen letsel bij [medeverdachte] waargenomen, en evenmin zijn bloedsporen in de hotelkamer aangetroffen. [getuige] heeft voorts verklaard dat het in het zicht van de hotelcamera ondersteunen van verdachtes broer een “toneelstukje” was.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de stelling van de verdachte dat [medeverdachte] met een baksteen op zijn hoofd werd geslagen niet aannemelijk is geworden. [medeverdachte] was zelf nog in staat om weg te rennen en de auto te besturen. Ook zagen de verdachte en [medeverdachte] zelf kennelijk niet de noodzaak van het inroepen van medische hulp in nu zij naar een hotel zijn gereden. Deze omstandigheden, alsmede het gegeven dat niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte] daadwerkelijk bij het door hem omschreven geweld passend letsel heeft opgelopen, brengen het hof tot het oordeel dat het ongeloofwaardig moet worden geacht dat dat [medeverdachte] inderdaad (meermalen) met een baksteen tegen het hoofd is geslagen, zoals door de verdachte, [medeverdachte] en pas in een later stadium door [getuige] is gesteld.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat hij heeft geschoten in de richting van [benadeelde partij 1] omdat [benadeelde partij 1] op hem af kwam lopen en de verdachte hem op afstand wilde houden. Het hof constateert allereerst dat deze stelling verder geen onderbouwing vindt in het dossier of hetgeen in het kader van het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Verder doet naar het oordeel van het hof ook het gegeven dat verdachte eerst ter terechtzitting in hoger beroep deze stelling naar voren brengt, terwijl hij eerder anders verklaarde, afbreuk aan zijn geloofwaardigheid. Naar het oordeel van het hof is derhalve (ook) dit laatste door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk geworden.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Ook is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uit sluit.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 (gekwalificeerd als poging tot het toebrengen zwaar lichamelijk letsel) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee personen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan één van die personen, door midden op straat met een vuurwapen te schieten in de richting van diens lichaam. Deze persoon is door het schot in zijn teen geraakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. De verdachte heeft door met een wapen te schieten zelfs een zeer agressieve confrontatie niet geschuwd. Een feit als het onderhavige versterkt in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat. In het licht van het toenemend vuurwapengebruik dient tegen een dergelijk handelen, dat volstrekt onaanvaardbaar is, streng te worden opgetreden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu het dossier eerst op 6 september 2013 bij het hof is binnengekomen, hetgeen niet binnen de termijn van 6 maanden na het instellen van het hoger beroep op 6 november 2012 is geweest. Het hof is echter van oordeel dat die geringe overschrijding voldoende wordt gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep, en volstaat derhalve met de constatering daarvan.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 17 december 2010 onder parketnummer 09-900794-10 is, voor zover thans van belang, de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, met het bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 17 december 2010, onder parketnummer 09-900794-10, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. A. Kuijer en mr. H. van den Heuvel, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 november 2013.

Mr. A. Kuijer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.