Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4927

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
200.039.790
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen of niet. kriterium; beoordeling van de situatie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a en 253n
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 26 juni 2013

Zaaknummer : 200.039.790/01

Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 06-84539

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.D.A. Geleijns te ’s-Gravenhage.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Z-H Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Op 21 juli 2010 heeft het hof een beschikking gegeven waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking is mevrouw drs. B. de Vries tot deskundige benoemd in het kader van een ouderschapsonderzoek.

Bij brief van 2 september 2011 heeft mevrouw De Vries, voornoemd, het hof verzocht de zaak aan te houden, teneinde de ouders in staat te stellen hun geschilpunten in gezamenlijk overleg verder te beslechten.

Op 2 augustus 2012 heeft bij het hof een regiezitting onder leiding van de raadsheer-commissaris plaatsgevonden om een vergelijk tussen partijen te beproeven en de processuele vervolgstappen met de deskundige en de advocaten van partijen te bespreken. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden.

Na de regiezitting zijn bij het hof de navolgende stukken ingekomen:

Van de zijde van de moeder:

- een brief van 12 maart 2013 met bijlagen, ingekomen op 13 maart 2013.

Van de zijde van de vader:

- een brief van 15 maart 2013, ingekomen op 15 maart 2013.

- een brief van 14 mei 2013 ingekomen op 14 mei 2013.

De raad heeft bij brief van 3 mei 2013, ingekomen bij het hof op 3 mei 2013, laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

De mondelinge behandeling van de zaak is op 24 mei 2013 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. J.A. van Keulen, kantoorgenoot van haar advocaat.

De vader is voorts bijgestaan door mevrouw F. Burnham, tolk in de Engelse taal.

De minderjarigen [naam] en [naam] zijn in raadkamer gehoord.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Horen minderjarigen

1.

Het hof stelt voorop dat [naam] en [naam] in hoger beroep in raadkamer afzonderlijk zijn gehoord. Het hof heeft ter terechtzitting verslag gedaan van het verhoor van de minderjarigen. Gelet hierop hoeft de stelling van de vader dat in eerste aanleg, ten aanzien van het horen van de minderjarigen, het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden, geen verdere bespreking. Voor zover er als sprake is van schending van het beginsel van hoor- en wederhoor, is dit gebrek in hoger beroep geheeld.

2.

Het hof overweegt voorts als volgt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat in de tussenbeschikkingen van 18 juni 2007, 5 november 2007 en 20 februari 2008 in een aantal stappen is vastgesteld dat partijen op grond van de indertijd met betrekking [naam] overeengekomen “parental responsibility agreement’ het gezamenlijk gezag hebben over [naam] en dat alleen de moeder het gezag heeft over [naam]. Partijen zijn daartegen niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

3.

De rechtbank heeft het gezamenlijk van partijen over [naam] beëindigd en de moeder belast met het gezag over [naam]. Het verzoek van de vader om hem tezamen met de moeder te belasten met het gezag over [naam], is door de rechtbank afgewezen.

4.

De vader verzoekt in zijn appelschrift de bestreden beschikking te vernietigen, behoudens voor zover dit betreft de bepaling dat de parental responsibility agreement met betrekking tot [naam] gelijk wordt gesteld met het gezamenlijk uitoefening van het ouderlijk over [naam] naar Nederlands recht en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader om hem gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [naam] alsnog toe te wijzen en het verzoek van de moeder om alleen belast te worden met het eenhoofdig gezag en daarmee het gezamenlijk gezag van partijen over [naam] te beëindigen, alsnog af te wijzen.

5.

De moeder bestrijdt in haar verweerschrift het beroep van de vader en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het appel van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6.

De vader handhaaft zijn stelling dat gezamenlijk gezag in het belang van [naam] en [naam] is. Hij betwist dat [naam] en [naam] een onaanvaardbaar risico lopen klem of verloren te raken tussen de ouders als zij gezamenlijk met het ouderlijk gezag over hen zijn belast. De vader persisteert dan ook bij zijn verzoeken.

7.

De moeder handhaaft haar stelling dat de basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt, nu de ouders niet in staat zijn tot een behoorlijke communicatie. Bovendien ontbreekt het de vader volgens de moeder aan een redelijk inzicht in de invloed van zijn handelen op het welzijn van de minderjarigen.

8.

Het hof overweegt als volgt. Thans is aan de orde de vraag of de rechtbank terecht het gezamenlijk gezag van de ouders over [naam] heeft beëindigd en het gezag over [naam] alleen bij de moeder heeft gelaten.

Beëindiging gezamenlijk gezag over [naam]

9.

Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.

10.

Het criterium om het gezamenlijk gezag te beëindigen is, ingevolge artikel 1:253n, tweede lid, BW, gelijk aan de criteria, opgenomen in artikel 1:251a, eerste lid onder a. en b. BW. De rechter kan op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

11.

Blijkens artikel 1:253n BW zal allereerst beoordeeld moeten worden of voldaan is aan de voorwaarde dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor een gezagswijziging. De verzoekende ouder zal de wijziging van omstandigheden moeten aanvoeren. Vervolgens dient de beoordeling plaats te vinden aan de hand van de hiervoor onder rechtsoverweging 10 vermelde criteria.

12.

Anders dan de vader betoogt, is het hof van oordeel dat de rechtbank de moeder terecht heeft ontvangen in haar verzoek om te bepalen dat zij voortaan alleen belast zal zijn met het ouderlijk gezag over [naam]. Het hof stelt daarbij voorop dat het verzoek van de moeder naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld. Dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als door de moeder in eerste aanleg gesteld (namelijk de beëindiging van de samenwoning tussen partijen), staat vast. Daarmee is echter niet gezegd dat een wijziging van het gezag als door de moeder gevraagd op die grond gerechtvaardigd is.

13.

Het hof zal hierna onder rechtsoverweging 16 ingaan op de vraag of bij voortzetting van het gezamenlijk gezag over [naam] gesproken kan worden van omstandigheden waarin te verwachten valt dat hij klem of verloren raakt, dan wel dat het op andere gronden noodzakelijk is het gezamenlijk gezag over hem te beëindigen.

Gezag over [naam]

14.

Ingevolge artikel 1:253c, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag over het kind te belasten. Krachtens het tweede lid van voormeld wetsartikel wordt het verzoek, indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

15.

Het hof zal hierna beoordelen of gezamenlijk gezag van de vader en de moeder in het belang van zowel [naam] als van [naam] wenselijk is.

Gezamenlijk gezag over [naam] en [naam]

16.

Gezamenlijk uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren, kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Andere redenen kunnen evenwel een wijziging van het gezag noodzakelijk maken.

17.

Inmiddels is er geruime tijd verstreken sinds de bestreden beschikking. Niet is gebleken dat de minderjarigen in de afgelopen periode klem zijn geraakt in de verhouding tussen de ouders. Integendeel, zowel uit het kinderverhoor als uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarigen zich alle twee goed ontwikkelen en goed in hun vel zitten. [naam] en [naam] houden van beide ouders veel en hebben ook voor beide ouders respect. Hun beeld van de ouders is positief. Dat is een compliment aan beide ouders. Hoewel de communicatie tussen partijen nog niet optimaal verloopt, zijn partijen wel in staat gebleken om belangrijke aangelegenheden aangaande de kinderen (zoals ten aanzien van de omgangsregeling, die volgens beide ouders goed verloopt) met elkaar te regelen. Er is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake van zodanige communicatieproblemen tussen de vader en de moeder dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de [naam] en [naam] klem of verloren zullen raken tussen de ouders indien dezen het gezag gezamenlijk uitoefenen. Bovendien zien beide ouders in dat er nog het een en ander valt te verbeteren aan hun onderlinge communicatie en het hof acht beide ouders in staat daarin hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. Gelet op de hiervoor genoemde positieve ontwikkelingen, is er naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat, zoals de moeder stelt, de gezamenlijke uitoefening van het gezag over [naam] en [naam] de rust die er thans bestaat, zal vestoren. Bovendien is het hof niet gebleken dat de vader geen inzicht heeft in hetgeen de belangen van [naam] en [naam] vergen. Het is het hof evenmin gebleken dat het anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat de moeder alleen met het ouderlijk gezag over hen belast is.

Conclusie

18.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de ouders in staat zullen zijn aan het gezamenlijk gezag een invulling te geven die niet belastend zal zijn voor [naam] en [naam]. Het hof acht de ouders derhalve in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening.

19.

Het hof zal dan ook het inleidende verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over [naam] te beëindigen, alsnog afwijzen. Het verzoek van de vader om hem tezamen met de moeder met het gezag over [naam] te belasten, wijst het hof toe. Dit leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

20.

Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht vergt, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

23.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat het ouderlijk gezag over [naam] voortaan alleen door de moeder wordt uitgeoefend, alsmede voor zover daarbij is afgewezen het verzoek van de vader om hem tezamen met de moeder te belasten met het gezag over [naam], en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de moeder te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over [naam], geboren [in] 1996 te [geboorteplaats], wordt beëindigd en dat het ouderlijk gezag alleen wordt toegekend aan de moeder;

bepaalt dat het gezag over [naam], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats], voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Den Haag;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Ydema, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2013.

Verbetering beschikking

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 28 augustus 2013

Zaaknummer : 200.039.790/01

Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 06-84539

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.D.A. Geleijns te ’s-Gravenhage.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Z-H Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP EN VASTSTAANDE FEITEN

Op 26 juni 2013 heeft het hof in deze zaak een beschikking gegeven.

De advocaat van de vader, mr. Van Haga, heeft bij V-formulier van 2 juli 2013 verzocht de beschikking te verbeteren. Daartoe wordt aangevoerd dat sprake is van een kennelijke verschrijving omdat in de beschikking op pagina 1 als achternaam van de man staat vermeld ‘[naam]’, terwijl dit ‘[naam]’ moet zijn. Voorts staat in het dictum van de beschikking de achternaam ‘[naam]’ vermeld, terwijl dit ‘[naam]’ moet zijn.

Bij brief van 31 juli 2013 heeft het hof de moeder in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hiervoor weergegeven verbetering van de beschikking.

Bij V-formulier van 5 augustus 2013 heeft de advocaat van de moeder, mr. Geleijns, aan het hof kenbaar gemaakt daartegen geen bezwaar te hebben. Mr. Geleijns heeft als bijlage bij dit formulier de grosse van de beschikking van 26 juni 2013 aan het hof doen toekomen.

Bij V-formulier van 1 augustus 2013 heeft mr. Van Haga de grosse van de beschikking van 26 juni 2013 aan het hof terug gestuurd.

BEOORDELING

Naar het oordeel van het hof is sprake van een fout die redelijkerwijs voor partijen en derden kenbaar was en die zich leent voor eenvoudig herstel.

Het hof zal daarom het verzoek tot verbetering toewijzen en overgaan tot verbetering van de beschikking.

BESLISSING

Het hof:

verbetert voormelde fouten in de op 26 juni 2013 in deze zaak uitgesproken beschikking, in die zin dat de achternaam van de vader als volgt komt te luiden:

[naam]

en dat in het dictum de achternaam van de minderjarigen: [naam] en [naam] als volgt komt te luiden:

[naam]

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Ydema, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2013.