Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4808

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
BK-13-0033 en BK-13-00034
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belanghebbende is rekeninghouder (geweest) van een VLB-rekening. Slechts belanghebbende komt als rekeninghouder van de rekening in aanmerking. Omkering bewijslast. Sprake van een redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1960
V-N Vandaag 2014/1689

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-13/00033 en BK-13/00034

Uitspraak d.d. 18 december 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Haaglanden, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans Rechtbank Den Haag) van 29 november 2012, nummers AWB 12/467 en AWB 12/468, betreffende na te melden navorderingsaanslagen.

Aanslagen, beschikkingen en bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft op 15 oktober 2009 aan belanghebbende over het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.119 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 619.314. Op 9 oktober 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende over het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.643 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 640.657. Tevens is bij het opleggen van de aanslagen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 28 december 2011 heeft de Inspecteur de aanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van € 121 voor de behandeling van beide zaken. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 september 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.3. Ter zitting zijn de zaken van belanghebbende met de kenmerknummers BK -13/00033 en BK-13/00034 gezamenlijk behandeld. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in de ene zaak geldt eveneens als aangevoerd en overgelegd in de andere zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof van de Inspecteur op 3 december 2013 nog een brief met bijlage ontvangen. Het Hof heeft in die brief en de bijlage geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en rekent de brief en bijlage niet tot de gedingstukken.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

”2. Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen fotokopieën verstrekt aan de FIOD-ECD Team Internationaal, welke bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De belastingdienst heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het project Bank Zonder Naam. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Van Lanschot Bankiers (Luxemburg) SA te Luxemburg (hierna: VLB), waarvan de gegevens waren vermeld op vorengenoemde fotokopieën (hierna: de renseignementen). Het project Bank Zonder Naam is in maart 2007 van start gegaan.

3.

Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende de rekeningen bij de VLB. De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi van bankrekeningen en effectenportefeuilles per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 zijn in Nederlandse guldens. Voorts bevatten de renseignementen tevens een adressenlijst. De renseignementen van 5 september 1996 (Bijlage B.1) en 28 november 1996 (Bijlage B.2) luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Bijlage B.1:

“[VLB] Date: 9/05/96 (…)

Racine Name CCY Current Accounts Deposits Bonds

[nummer] [X] NLG 100.91

Shares/Options Inv.funds Total

.00 .00 253,899.58

Bijlage B.2:

Racine Name CCY Current Accounts Deposits Bonds

[nummer] [X] NLG 686.58 53,429.46

Shares/Options Inv.funds Total

49,750 154,567.04 258,433.08

4.

Verweerder heeft eiseres bij brief van 7 maart 2007 verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van haar in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Verweerder heeft eiseres daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) inzake omkering van de bewijslast. Als bijlage bij deze brief zijn een tweetal formulieren gevoegd, te weten een formulier "Verklaring” in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" en een formulier "Opgaaf In het buitenland aangehouden bankrekening(en)". In die formulieren wordt van eiseres gevraagd om -onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandsebanken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen zij rekeninghouder is geweest.

5.

Nadat een reactie van de zijde van eiseres uitbleef, heeft verweerder op 16 maart 2007, onder verwijzing naar vorengenoemde vragenbrief van 7 maart 2007, een herinneringsbrief aan eiseres gestuurd.

6.

In antwoord op het verzoek om informatie van verweerder heeft de schoonzoon van eiseres bij brief van 26 maart 2007 verklaard dat is gebleken dat wijlen de echtgenoot van eiseres een pensioeninvestering had bij de Gemeentekredietbank (later Dexia bank) in België.

7.

Op het op 28 maart 2007 ingevulde en ondertekende formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” heeft eiseres uitsluitend de rekening bij de Gemeentekredietbank in België ingevuld.

8.

Bij brief van 2 april 2007 heeft verweerder eiseres verzocht nadere gegevens en inlichtingen te verstrekken omtrent de rekeningen bij de Gemeentekredietbank en VLB.

9.

Op het op 10 april 2007 ingevulde en ondertekende formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en) heeft eiseres uitsluitend de rekening bij Dexia Bank in België (voorheen de Gemeentekredietbank) vermeld.

10.

Met dagtekening 10 april 2007 heeft verweerder een brief van de gemachtigde ontvangen, waarin hij verweerder verzoekt aan te geven over welke informatie hij beschikt die aanleiding geeft te veronderstellen dat eiseres beschikt of heeft beschikt over een buitenlandse bankrekening, waarvan geen melding is gemaakt in de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting.

11.

Bij brief van 22 december 2008 heeft verweerder eiseres verzocht om aanvullende informatie over de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 en 2007. In deze brief wordt uitdrukkelijk gevraagd naar de rekening bij VLB.

12.

Bij brief van 26 januari 2009 heeft eiseres nadere informatie verstrekt over de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voer de jaren 2006 en 2007. Voor “Sparen en beleggen”wordt verwezen naar de brieven van de gemachtigde.

13.

Bij brief van 17 september 2009 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het feit dat hij af zal wijken van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 en 2007.

14.

Met dagtekening 15 oktober 2009 respectievelijk 9 oktober 2009 zijn de onderhavige aanslagen aan eiseres opgelegd.

15.

Op 10 november 2009 heeft de gemachtigde pro forma bezwaar gemaakt tegen de onderhavige aanslagen. Hij heeft daarbij verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden.

16.

Verweerder heeft bij brief van 6 januari 2011 verzocht om binnen vier weken na dagtekening van deze brief de gronden van het bezwaarschrift in te dienen.

17.

Met dagtekening 27 januari 2011 heeft eiseres haar bezwaren gemotiveerd.

18.

Bij brief van 8 maart 2011 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn voornemen om de bezwaren af te wijzen.

19.

Nadat een reactie van eiseres en haar gemachtigde uitbleef, heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar van 28 december 2011 de bezwaren afgewezen. ”

3.2.

Het Hof gaat voorts uit van de navolgende feiten.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 het aangegeven inkomen uit sparen en beleggen van € 292.320 verhoogd met € 326.993 tot € 619.314 en bij de aanslag voor het jaar 2007 het aangegeven inkomen uit sparen en beleggen van € 291.347 verhoogd met € 349.308 tot € 640.657.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de aanslagen en beschikkingen inzake de heffingsrente juist heeft vastgesteld, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

Identificatie

Het is niet uit te sluiten dat de rekening wordt gehouden door een naar het buitenland geëmigreerde Nederlander van wie de naam met die van belanghebbende overeenkomt en met wie de Belastingdienst geen relatie onderhoudt. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de stelling van belanghebbende verworpen dat de Inspecteur het BVR-register had moeten raadplegen, waarin Nederlanders die woonachtig zijn in het buitenland zijn opgenomen, teneinde te onderzoeken of daarin geen personen vermeld staan met dezelfde namen die op de rekeningstandenlijsten voorkomen.

Betrouwbaarheid en authenticiteit van de rekeningstandenlijsten

De rechtbank had de Inspecteur moeten gelasten de integrale rekeningstandenlijsten over te leggen teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen in voldoende mate de betrouwbaarheid en de authenticiteit te kunnen beoordelen.

Het fair play beginsel

De Inspecteur heeft niet voldaan aan de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer van 15 juni 2010, waarbij de Inspecteur gelast wordt om de door belanghebbende verzochte stukken in het geding te brengen. De namen van individuele belastingambtenaren en het niet geanonimiseerde memo inzake de zogeheten meewerkers hadden moeten worden verstrekt. De Inspecteur is te kwader trouw, doordat hij bewust dit memo niet verstrekt. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat deze stukken niet nodig zijn voor de beoordeling van het onderhavige geschil.

Uit eerder voor de rechtbank Leeuwarden gevoerde procedures betreffende hetzelfde onderwerp blijkt uit ambtsedige verklaringen van bij het project BZN betrokken belastingambtenaren dat er stukken zijn waar belanghebbende het bestaan niet van heeft vermoed en die de Inspecteur niet aan belanghebbende heeft verstrekt.

Deze stukken wil belanghebbende ook overgelegd zien. Het gaat om onder meer een e-mail van 20 november 2006, waarin wordt verzocht om de verzending van de vragenbrief aan belanghebbenden op te schorten, verslagen van kick-off bijeenkomsten, en het verslag van het nadere onderzoek naar belanghebbendes identificatie van 21 november 2006 (geheten memo identificatie) en verslagen van de positieve nadere identificatie en stukken over vermeende afpersing. Belanghebbende wil met die stukken aantonen dat er geen rekening is aangehouden dan wel dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

Het renseignement is niet afkomstig van de VLB-bank en kan niet als bewijs gelden dat sprake is geweest van een rekening. Vastgesteld moet kunnen worden of in 40 percent van de gevallen is meegedeeld dat geen rekening is aangehouden, want dan is de identificatie onjuist geweest.

Bewijs

Gesteld al dat belanghebbende terecht geïdentificeerd zou zijn als houder van de rekening, dan heeft de Inspecteur daarmee niet bewezen dat belanghebbende in de in het geding zijnde jaren houder van de rekening is geweest. De omstandigheid dat het vermogen niet is toegenomen staat er niet aan in de weg dat het vermogen zoals dat er volgens de rekeningstanden was in 1996 tot nihil kan zijn afgenomen in de thans in het geding zijnde belastingjaren. De Inspecteur is er niet in geslaagd te bewijzen dat belanghebbende en niemand anders de rechthebbende op het bij de VLB-bank aangehouden vermogen was en inkomsten daaruit genoot.

Hoogte aanslagen

De door de Inspecteur gehanteerde vermogensgroei van 23,5 percent per jaar is te hoog. De schatting van de inkomsten respectievelijk vermogens is niet redelijk en is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel, alsmede met het verbod op willekeur als beginsel van behoorlijk bestuur geschied. De door de Inspecteur gehanteerde berekening van de aanslagen is willekeurig en onbetrouwbaar en de uitkomst van de schatting is onredelijk. Het voor de berekening van de inkomsten gehanteerde percentage van

6

is te hoog. In overeenstemming met uitspraken van het gerechtshof Amsterdam dient te worden uitgegaan van 5 percent.

Actualisering redelijke schatting

Van de 325 personen van wie de Inspecteur de gegevens heeft gebruikt voor zijn schatting zijn er veel die alsnog hebben bekend en bij wie de vermogensgroei naar beneden is bijgesteld. De Inspecteur beschikt over meer gegevens en had zijn schatting moeten bijstellen.

Boete

De Inspecteur heeft niet bewezen dat het beboetbare feit is begaan. Voor de aanvang van de redelijke termijn is het tijdstip van belang waarop de Inspecteur de eerste vragenbrief heeft verzonden.

Bronheffing

De Inspecteur heeft ten onrechte geen rekening gehouden met een bronheffing in het buitenland.

4.3.

De Inspecteur houdt de juistheid van de door hem opgelegde aanslagen staande.

4.4.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 292.320 en de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2007 tot een naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 291.347 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikkingen inzake de heffingsrente en subsidiair tot naar door het Hof vast te stellen belastbare inkomens, rekening houdend met een rendement van 6 percent per jaar. Voorts strekt het hoger beroep tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

De op de zaken betrekking hebbende stukken

24.

De rechtbank stelt voorop dat een enkelvoudige geheimhoudingskamer van deze rechtbank op 15 juni 2010 in een aantal vergelijkbare Vl.B-zaken op de voet van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een tussenuitspraak heeft gedaan' inzake de op de VLB-zaken betrekking hebbende stukken en het beroep van verweerder op geheimhouding daarvan (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LIN: BM8231). De in de tussenuitspraak gegeven uitgangspunten en oordelen hebben naar het oordeel van de rechtbank ook voorde onderhavige zaken te gelden.

25.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Meer specifiek voert eiseres aan dat verweerder niet volledig heeft voldaan aan de tussenuitspraak van 15 juni 2010, omdat verweerder in afwijking van die uitspraak niet de in het draaiboek Bank Zonder Naam opgenomen namen van individuele belastingambtenaren heeft verstrekt, niet het ongeanonimiseerde memo inzake zogeheten meewerkers in eerdere rekeningprojecten heeft ingebracht en geen printjes uit het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties van de Belastingdienst (hierna: BVR­systeem) heeft overgelegd.

26.

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet volledig heeft voldaan aan de tussenuitspraak van 15 juni 2010. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. De rechtbank ziet er in dit geval van af om aan de weigering van verweerder om de betreffende namen van individuele belastingambtenaren in te brengen gevolgen te verbinden. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank thans beschikt, heeft de rechtbank de betreffende namen voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat eiseres door de weigering van verweerder om de betreffende namen te verstrekken in haar procesbelangen is geschaad.

27.

Het geanonimiseerde memo inzake zogeheten meewerkers in eerdere rekeningprojecten is door verweerder ingebracht. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiseres dat dit memo ten onrechte in geanonimiseerde vorm is ingebracht aangezien hierop al is beslist door de hiervoor genoemde geheimhoudingskamer van deze rechtbank. In de tussenuitspraak van 15 juni 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat de in dat stuk genoemde namen en sofinummers en de in het stuk genoemde rekeningnummers mogen worden geanonimiseerd.

28.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met de bij het verweerschrift gevoegde bijlagen alle relevante stukken voor de cijfermatige onderbouwing van de redelijke schatting overgelegd. Hetzelfde heeft te gelden voor de gegevens met betrekking tot de identificatie. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder wel printjes uit het BVR­systeem overgelegd.

29.

Ter zitting heeft eiseres haar stelling dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, aangevuld en in dat kader aangevoerd dat verweerder de volgende stukken in het geding dient te brengen:

1.

Agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het Project Bank Zonder Naam.

2.

Agendapunten en bijbehorende verslagen betrekking hebbende op de kick-off bijeenkomsten gehouden op 16 en 17 november 2006.

3.

De e-mail van 20 november 2006 waarin verzocht wordt de verzending van de vragen brief aan belanghebbende op te schorten.

4: Het verslag van 21 november 2006 inzake de wijze van identificatie.

5.

De brief van 5 december 2006 waarin de belastingregio's worden geïnformeerd over het verzenden van de vragenbrief aan belanghebbende.

6.

Agendapunten en bijbehorende verslagen van alle bijeenkomsten gehouden door de betrokken belastingregio's in het kader van de afpersingskwestie.

7.

Verslag van de positieve uitkomsten van de extra identificatiecheck en chi­kwadraattoets.

8.

Stukken inzake de vermeende afpersing van de onderhavige bankinstelling.

30.Verweerder heeft de e-mails van 20 november.2006 en 5 december 2006, waarin alleen

de namen van individuele belastingambtenaren zijn geanonimiseerd, overgelegd. Voorts

heeft verweerder ambtsedige verklaringen overgelegd van drie projectleiders van het project

Bank Zonder Naam. Het betreft de volgende verklaringen:

- een ambtsedige verklaring van [A], opgemaakt op 20 september 2011;

- een ambtsedige verklaring van [B], opgemaakt op 20 september 2011;

- een ambtsedige verklaring van [C], opgemaakt op 20 juli 2011.

31.

Gelet op de door verweerder in het geding gebrachte e-mails en verklaringen is de rechtbank van oordeel dat verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de weigering van verweerder om de betreffende namen in de e-mails in te brengen gevolgen te verbinden. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk geworden dat eiseres door de weigering van verweerder om de betreffende namen te verstrekken in haar procesbelangen is geschaad. Voor wat betreft de overige door eiseres verzochte stukken geldt dat het verzoek van eiseres te algemeen is gesteld. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat van de betreffende bijeenkomsten verslagen voorhanden zijn.

32.

Ter zitting heeft eiseres voorts nog aangevoerd dat verweerder niet alle aangiftebiljetten voor de onderhavige jaren heeft ingebracht. De rechtbank verwerpt ook deze stelling, wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Verweerder heeft kopieën van de ingediende aangiftebiljetten als bijlage 2 bij het verweerschrift in het geding gebracht.

Renseignementen

33.

Verweerder heeft zijn standpunt dat eiseres houder is (geweest) van een bankrekening bij de VLB gebaseerd op de in de renseignementen opgenomen gegevens, zijnde de gegevens die waren begrepen in de gestolen fotokopieën, zoals die door de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 aan de FIOD-ECD Team Internationaal zijn verstrekt.

34.

De stelling van eiseres dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, omdat zowel de Belgische- als de Nederlandse autoriteiten de onder 2 genoemde Richtlijn hebben geschonden doordat zij de Luxemburgse 'autoriteiten niet hebben verzocht of de gegevens opgenomen in de gestolen fotokopieën voor fiscale doeleinden mochten worden gebruikt, faalt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Richtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten en dat belastingplichtigen, zoals eiseres, daaraan geen rechten kunnen ontlenen (vgl. Hof van Justitie 27 september 2007, C-184/05, BNB 2008/13 (Twoh International BV)). Bovendien is de Richtlijn niet van toepassing op door een lidstaat (België) aan een derde lidstaat (Nederland) doorgegeven inlichtingen die weliswaar afkomstig zijn uit een andere lidstaat (Luxemburg), maar niet aan de doorgevende staat zijn verstrekt door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat (vgl. Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN: BMOI37). Nu vaststaat dat België de aan Nederland doorgegeven inlichtingen niet op basis van de Richtlijn van Luxemburg maar op andere wijze heeft ontvangen, is de Richtlijn in het onderhavige geval niet van toepassing. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank gezien het vorenstaande geen aanleiding.

35.

Voorts mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank de gegevens in de gestolen fotokopieën als bewijsmiddel gebruiken. De rechtbank acht daarbij van belang qat de Nederlandse fiscus in het bezit van de gestolen fotokopieën is gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van de Richtlijn aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt. Indien al kan worden aangenomen dat de fotokopieën op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, dan zijn de gegevens door de Nederlandse fiscus naar het oordeel van de rechtbank niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van de VLB en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de in die gegevens vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43050, LJN: BA8179).

36.

De rechtbank ziet. voorts, gelet op de toelichting die is ontvangen van de Belgische autoriteiten bij de brief van 18 februari 2005 (hierna: de Nota) en hetgeen verweerder daartoe overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding om aan de aard en herkomst van de in de renseignementen opgenomen gegevens, als ook de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan, te twijfelen. Bovendien valt ook uit de informatie die van de meewerkende VLB­spaarders is verkregen niet af te leiden dat er sprake zou zijn van onjuiste of onbetrouwbare informatie. Derhalve dient naar het oordeel van de rechtbank van de juistheid van de in de renseignementen opgenomen gegevens te worden uitgegaan. Hetgeen eiseres overigens op dit punt heeft aangevoerd, kan evenmin aan voormeld oordeel afdoen. Aan de enkele, blote stelling van eiseres dat de VLB na voorlegging van de renseignementen heeft ontkend dat deze afkomstig zijn uit de interne administratie van de VLB. gaat de rechtbank voorbij, nu eiseres haar stelling niet nader met bewijsstukken heeft onderbouwd.

Identificatie

37.

De rechtbank stelt voorop, gelet op de ontkenning daarvan door eiseres, dat op verweerder de bewijslast rust dat eiseres houder is (geweest) van een bankrekening bij de VLB. Verweerder heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de renseignementen vergeleken met de gegevens in het BVR.systeem. Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Uit de door verweerder ingebrachte scherrmprints van de in het BVR­systeem opgenomen personen blijkt dat er slechts één persoon voorkomt met de achternaam [Achternaam X] en de voorletters [voorletters]. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze uitkomst te twijfelen. Gelet op de combinatie van de achternaam en de voorletters van eiseres en op de omstandigheid dat in het BVR-systeem maar één persoon voorkomt met die. combinatie van achternaam en voorletters, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiseres rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen vermelde rekening met nummer [nummer]. Dat eiseres gehuwd is geweest met de heer [Y] en dat zij nog steeds de naam [Y]-[X] voert, zoals de gemachtigde ter zitting heeft gesteld, doet aan het voorgaande niet af.

Omkering en verzwaring bewijslast

38.

Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) en dat eiseres evenmin de vereiste aangiften heeft gedaan. Op grond van artikel 25, derde lid, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr (tekst vanaf 2008), heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

39.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 37 is overwogen, moet heter voor worden gehouden dat eiseres in de onderhavige jaren houder was van de in de renseignementen vermelde VLB-rekening met. nummer [nummer]. Niet in geschil is dat de saldi en-inkomsten van die rekening niet in de aangiften van eiseres zijn aangegeven. Gelet op de hoogte van de saldi van de VLB-rekening van eiseres, zoals vermeld in de renseignementen, acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag aan belasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat eiseres dat wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft eiseres niet de vereiste aangiften gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 27e van de Awr de bewijslast dient te worden omgekeerd.

40.

Nu de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangiften reeds is omgekeerd, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of de bewijslast ook moet worden omgekeerd op de grond dat eiseres niet aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan.

41.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank gehouden de beroepen, ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr, ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, waarbij het op de weg van eiseres ligt om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven.

42.

Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken opbezwaar onjuist zijn. De enkele, blote stelling van eiseres dat zij de VLB heeft aangeschreven om een bewijs te krijgen dat zij geen rekeninghouder bij die bank is (geweest) en dat een reactie van de VLB is uitgebleven, is daarvoor onvoldoende.

Redelijke schatting

43.

Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomensbestanddelen. Verweerder heeft de door hem gecorrigeerde inkomensbestanddelen nader toegelicht in het verweerschrift onder punt 6.4.2. Hieruit komt naar voren dat verweerder zijn schatting heeft gebaseerd op de gemiddelde vermogenstoename van de saldi van alle rekeninghouders bij de VLB die op alle drie de data waarover de belastingdienst informatie uit België heeft ontvangen (21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996), één of meerdere rekeningen in Nederlandse valuta hadden. Het gaat daarbij om de saldi van in totaal 325 geïdentificeerde personen. Uit de vergelijking van het totaal van die saldi kwam een vermogenstoename naar voren van respectievelijk 23,55% (21 december 1994 tot 5 september 1996) en 23,66% (21 december 1994 tot 28, november 1996) op jaarbasis. Verweerder is in zijn schatting, naar hij ter zitting heeft gesteld, uitgegaan van het saldo van de VLB rekening van eiseres per 28 november 1996 (ƒ 258.433) en heeft daarop een jaarlijkse vermogenstoename van 23,5% toegepast, die is berekend vanuit het laatst bekende saldo.

44.

Alhoewel aan de berekeningswijze van verweerder een zekere grofheid niet kan worden ontzegd, is die berekeningswijze op zichzelf bezien niet zodanig willekeurig en onbetrouwbaar dat de daaruit voortvloeiende schatting als onredelijk ter zijde moet worden geschoven. Bovendien heeft eiseres, als houder van de VLB-rekening in de positie verkerend om over gegevens daarvan te beschikken dan wel beschikking te krijgen, niets aangevoerd om de onredelijkheid van de schatting met argumenten te bestrijden. Eiseres heeft in dit verband nog gesteld dat verweerder ten onrechte geen berekening van de correcties heeft overgelegd. De rechtbank verwerpt deze stelling van eiseres, nu de berekening van de correcties uit de stukken is af te leiden.

Heffingsrente

45.

Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat hij de in rekening gebrachte heffingsrenten conform de wettelijke bepalingen en niet te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder op grond van het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel voor de onderhavige aanslagen over een kortere periode heffingsrente mag berekenen dan hij heeft gedaan. De jurisprudentie waarnaar eiseres verwijst (HR 28 maart 2001, nr. 35968, LJN: AB0764 en HR 25 september 2009, nr. 07/13362, LJN: BJ8524), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze jurisprudentie ziet op geval/en waarbij aangifte wordt gedaan en de aanslag conform de aangifte wordt opgelegd, middels een voorlopige aanslag dan wel een reguliere (primitieve) aanslag, en juist niet op gevallen als de onderhavige waarbij correcties op de aangifte(n) aan de orde zijn.

Immateriële schadevergoeding

46.

Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat sprake is van eigen schuld en dat eiseres daarom geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank verwerpt deze stelling van verweerder. De hier aan de orde zijnde schadevergoedingsplicht vindt zijn grond in de schending van het rechtszekerheidsbeginsel door het bestuursorgaan en/of de rechter. Het is de trage besluitvorming door bestuursorgaan en/of de rechter die leidt tot die schending en, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie bij de belastingplichtige wordt geacht op te roepen. Ook als sprake is van eigen schuld laat zulks onverlet dat de belastingplichtige recht heeft op beslechting vim het geschil binnen een redelijke termijn. De mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van de belastingplichtige ten grondslag liggen aan dat geschil is niet van belang bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 23 augustus 2012, nr. 04/01848, LJN: BX5668).

47.

Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt, dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke·termijn, behoudens bijzondere omstandigheden dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (HR 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: B05046, LJN: B05080 en LJN: B05087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: A09006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

48.

In het hiervoor vermelde arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel twee jaar is. Volgens dit arrest is de redelijkheid van de duur van berechting van een zaak onder meer afhankelijk van de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

49.

Het (pro forma) bezwaarschrift voor de jaren 2006 en 2007 is bij verweerder binnengekomen op 11 november 2009. Het bezwaarschrift is gemotiveerd op 27 januari 2011. Verweerder heeft met dagtekening 28 december 2011 voor beide jaren uitspraak op bezwaar gedaan. Het (pro-forma) beroepschrift betreffende de bewuste jaren is op 19 januari 2012 bij de rechtbank ingekomen. In deze uitspraak, gedagtekend 29 november 2012, wordt voor beide jaren uitspraak gedaan door de rechtbank.

50.

Tussen de indiening van het pro-forma bezwaarschrift en de motivering daarvan zit een periode van ruim één jaar en twee maanden. Deze termijn komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van eiseres. Dit brengt mee dat voor de aanvang van de redelijke termijn in dit geval moet worden uitgegaan van de datum waarop het bezwaar is gemotiveerd, te weten 27 januari 2011. Vanaf de motivering van het bezwaarschrift op 27 januari 2011 tot de uitspraak van de rechtbank op 29 november 2012 zijn één jaar en tien maanden verstreken. Van een overschrijding van de redelijke termijn is in het onderhavige geval derhalve geen sprake.

51.

Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als hieronder vermeld.

Proceskosten

52.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. ”

Beoordeling van het hoger beroep

De op de zaak betrekking hebbende stukken

7.1.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 24 tot en met 32 omtrent de op de zaak betrekking hebbende stukken en maakt dat tot het zijne.

7.1.2. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de namen, telefoon- en faxnummers en de adressen van belastingambtenaren een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de Inspecteur om de onderhavige aanslagen op te leggen, noch bij de onderbouwing van die aanslagen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank (hierna: de geheimhoudingskamer) heeft in de tussenuitspraak van 15 juni 2010, nummers AWB 08/8451, 08/8453, 08/8454, 09/6650, 09/6651, 09/6653 t/m 09/6657, 09/6660 t/m 09/6665 IB/PVV ECLI:NL:RBSGR: 2010:BM8231 inzake de op de VLB-zaken betrekking hebbende stukken en het beroep van de Inspecteur op artikel 8:29 van de Awb beslist dat het belang van de privacy van deze gegevens van groter belang is dan het belang van een belanghebbende bij de kennisneming van deze gegevens. De rechtbank heeft deze beslissing in de uitspraak van 29 november 2012 terecht gevolgd.

7.1.3. De geheimhoudingskamer heeft in de eerder genoemde uitspraak geoordeeld dat bijlage E bij de brief van de Inspecteur van 24 augustus 2009 - bevattende de gegevens van meewerkers in eerdere rekeningprojecten en het onderhavige rekeningproject - een op de zaak betrekking hebbend stuk is dat geanonimiseerd van naam, sofinummer en rekeningnummer aan belanghebbende dient te worden verstrekt. De Inspecteur heeft gesteld dat in plaats van dit stuk, door partijen omschreven als memo, in bijlage bij de onderhavige verweerschriften alle gegevens uit het memo zijn opgenomen behalve de hiervoor genoemde te anonimiseren gegevens. Het Hof acht de afweging die de rechtbank heeft gemaakt, gelet op het privacy-aspect van bekendmaking van namen, sofinummers en rekeningnummers en het belang van belanghebbende, redelijk. De rechtbank heeft derhalve terecht afgezien van het verbinden van gevolgen aan het niet overleggen van het memo.

7.1.4. Omtrent de bijlagen B1, B2 en B6 bij de Nota: de rekeningstandenlijsten.

De Inspecteur heeft als bijlage bij het verweerschrift voor de rechtbank in geanonimiseerde vorm de rekeningstandenlijsten verstrekt, alsmede de pagina van het renseignement waarop de naam van belanghebbende is vermeld. Ter zake van de namen van de rekeninghouders en de rekeningnummers die in de overgelegde bijlagen zijn geanonimiseerd, doet de Inspecteur een beroep op artikel 8:29 Awb. Als gewichtige redenen voor de geheimhouding heeft de Inspecteur genoemd de bescherming van persoonsgegevens van derden en controlestrategische overwegingen.

De geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat de privacy van de betreffende rekeninghouders en controlestrategische overwegingen zich verzetten tegen openbaarmaking van de namen van de rekeninghouders en van de rekeningnummers. Zoals de Inspecteur terecht heeft aangevoerd, zouden potentiële belastingplichtigen die nog niet zijn geïdentificeerd aan de hand van deze gegevens kunnen nagaan of zij voorkomen op de lijsten en aan de hand daarvan kunnen afwegen of zij moeten of willen inkeren. Het door belanghebbende gestelde belang bij kennisneming van de ongeanonimiseerde gegevens weegt naar het oordeel van de rechtbank hier niet tegen op. Wat betreft de namen van de rekeninghouders en rekeningnummers doet de Inspecteur terecht een beroep op artikel 8:29 van de Awb.

Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij kort inzage wenst in deze gegevens om de authenticiteit en betrouwbaarheid te kunnen beoordelen. De gegevens zijn in geanonimiseerde vorm verstrekt en belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de authenticiteit en/of betrouwbaarheid. Het Hof volgt de door de geheimhoudingskamer gemaakte afweging.

7.1.5. Met betrekking tot de door belanghebbende overigens vermelde stukken oordeelt het Hof als volgt.

Agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het Project Bank Zonder Naam zijn zonder nadere aanduiding te algemeen van aard omschreven om te kunnen worden aangemerkt als een of meerdere stukken die op de zaak van belanghebbende betrekking hebben.

Ten aanzien van agendapunten en verslagen van kick-off bijeenkomsten is het Hof van oordeel dat deze in een te ver verwijderd verband staan met de beslissing om aanslagen op te leggen om relevant te kunnen zijn voor de zaak van belanghebbende.

De Inspecteur heeft verklaard dat geen stukken aanwezig zijn betreffende de vermeende afpersing van de bankinstelling. De gedingstukken wijzen niet in de richting van de aanwezigheid van dergelijke stukken.

Het memo van 24 november 2006 inzake de identificatie met gegevens van belastingplichtigen die in een ander rekeningproject openheid van zaken hebben gegeven, is door de geheimhoudingskamer onder de geheimhouding geplaatst. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft daarvoor redengevend geoordeeld dat de Belastingdienst een gerechtvaardigd belang heeft bij een effectieve controle en controlestrategie. Het algemene publieke belang van een adequaat functionerende Belastingdienst heeft de rechtbank van groter gewicht geacht dan het individuele belang van belanghebbende bij het verkrijgen van de in het memo opgenomen aanvullende informatie. Het Hof is van oordeel dat dit terecht is gebeurd. De identificatie van belanghebbende is uitvoerig omschreven in het verweerschrift en in bijlage 11 bij het verweerschrift voor de rechtbank. Niet blijkt dat identificatie afhankelijk was van de identificatie van belastingplichtigen die in een ander rekeningproject openheid van zaken hebben gegeven.

De Inspecteur heeft gesteld dat geen verslag is gemaakt van een extra identificatiecheck en/of chikwadraattoets op de renseignementen naar aanleiding van een verzoek van de projectleider van 20 december 2006; die is uitgevoerd op de eenheden zelf. Op de betreffende belastingeenheden is nog eens de juistheid van de gegevens van de belanghebbenden met nummer, sofinummer, rekeningnummer en adres nagegaan. Het Hof ziet geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.

7.1.6. De Inspecteur heeft in beroep alsnog de e-mailberichten van 20 november 2006 en 5 december 2006 overgelegd.

7.1.7. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat kopieën van originele aangiftebiljetten hadden moeten worden overgelegd. De aangiftegegevens zijn vermeld op de overgelegde schermuitdraaien onder de noemer aangeleverde gegevens. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende zelf niet op eenvoudige wijze een kopie van de destijds ingeleverde biljetten kon overleggen.

Identificatie

7.2.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in overweging 37 van haar uitspraak ten aanzien van de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder van VLB met rekening [nummer] en maakt deze tot de zijne. Het BVR-systeem wordt gevoed met de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie. Ook degenen die in Nederland hebben gewoond en naar het buitenland zijn geëmigreerd, komen daar in voor. Het Hof verwerpt daarom de stelling van belanghebbende dat het mogelijk is dat een in het buitenland woonachtig persoon met dezelfde naam als belanghebbende de rekening hield. Uit het proces-verbaal van ambtshandeling blijkt dat de identificatie zorgvuldig tot stand is gekomen. De identificatie is tot stand gekomen aan de hand van een renseignement dat behoorde tot de uitgewisselde inlichtingen tussen België en Nederland. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden uit het dossier naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat dit bestand door toedoen van de Belgische overheid is verkregen door middel van onrechtmatig gebruik van bevoegdheden. De omstandigheid dat de gegevens van de privépersoon die ze in handen heeft gekregen en die de overheid bij een huiszoeking heeft verkregen, afkomstig zijn uit diefstal of een ander strafbaar feit als bijvoorbeeld afpersing door die persoon gepleegd, levert geen onrechtmatig handelen door de Inspecteur op.

Er is geen enkele aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van de gegevens van Van Lanschot en ook anderszins bestonden voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN BA 8179).

7.2.2. Voor zover belanghebbende met een beroep op de Richtlijn van de Raad van de Europese gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (hierna: Bijstandsrichtlijn) heeft bedoeld te stellen dat de Nederlandse en Belgische overheid de informatie van Van Lanschot heeft verkregen met schending van de soevereiniteit van de Staat Luxemburg, faalt die stelling eveneens. De Bijstandsrichtlijn is uitsluitend gericht tot de lidstaten, en belastingplichtigen, zoals belanghebbende, kunnen daaraan geen rechten ontlenen. In de onderhavige zaken is verder geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland, maar van het overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. De Bijstandsrichtlijn mist derhalve toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137).

7.2.3. Gelet op deze unieke identificatie is vastgesteld dat slechts belanghebbende als rekeninghouder van de rekening met nummer [nummer] in aanmerking komt. Deze rekening bestond in ieder geval uit een rekening-courant en een beleggingsrekening met deposits, shares en/of, options of investment funds.

7.2.4. Belanghebbende heeft geen reden aangevoerd waarom zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Belastingdienst om informatie te verstrekken. De enige informatie die is verstrekt betreft een brief van Van Lanschot van 1 februari 2011, welke brief op de zitting in hoger beroep is overgelegd. Blijkens deze brief is aan de gemachtigde van belanghebbende met betrekking tot ”rekening [nummer] [X]” informatie verstrekt. Openheid van zaken heeft belanghebbende in de procedure voor het Hof niet gegeven. Uit de brief komt naar voren dat belanghebbende een rekening bij Van Lanschot had die in 1999 is gesloten. De bijlagen die blijkens de tekst van de brief bij deze brief door Van Lanschot waren gevoegd zijn niet overgelegd. Belanghebbende had deze in een eerder jaar, toen de Belastingdienst informatie bij belanghebbende opvroeg, en ook in de onderhavige procedure in bezwaar en beroep kunnen verstrekken.

7.2.5. Van consumptieve bestedingen van het aanzienlijke saldo van de rekening in 1996 blijkt niets, en ook niet in de jaren nadien. Van overbrenging van kapitaal naar Nederland blijkt niet uit de aangiften en ook niet uit andere stukken. De Inspecteur heeft gesteld en met de door hem overgelegde aangiftegegevens aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in haar aangiften geen renten of saldi van een of meer buitenlandse bankrekeningen heeft vermeld. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur zijn stelling slechts kan bewijzen door de aangiftebiljetten in het geding te brengen, is niet juist. Ook de door de Inspecteur in het onderhavige geding overgelegde gegevens kunnen daartoe dienen en geven naar het oordeel van het Hof voldoende onderbouwing voor de juistheid van zijn stelling. Voorts is het van algemene bekendheid dat de biljetten over de jaren steeds een vraag hadden of er buitenlandse rekeningen waren en/of vermogensbestanddelen. Het lag vervolgens op de weg van belanghebbende om hierover informatie te verstrekken. De tekst van de overgelegde brief sluit niet uit dat belanghebbende na het in de brief genoemde tijdstip een andere rekening had onder een ander nummer bij een (andere) bank in Luxemburg en geeft geen inzicht in de vraag wat er met het saldo op de eerstgenoemde rekening is gebeurd. Het Hof komt tot het oordeel dat aannemelijk is dat het tegoed bij Van Lanschot ook na 1996 in stand is gebleven, hetzij bij Van Lanschot, hetzij op een andere (buitenlandse) bankrekening, en dat dit niet tot het aangegeven rendement voor de inkomstenbelasting is gaan behoren. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen vormen om hierover anders te oordelen.

Bewijslastverdeling

7.3.1. De Inspecteur heeft belanghebbende gevraagd gegevens en inlichtingen te verschaffen over de door haar in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij is belanghebbende erop gewezen dat zij verplicht is die gegevens en inlichtingen te verstrekken en dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

7.3.2. Vaststaat dat in het kader van de vaststelling van de aanslagen geen door de Inspecteur verlangde gegevens of inlichtingen over enige op naam van belanghebbende staande in het buitenland aangehouden bankrekening zijn verstrekt, terwijl belanghebbende reeds buiten eigen toedoen als houder van die buitenlandse rekening was geïdentificeerd, de Inspecteur van die gegevens en inlichtingen derhalve het bestaan mocht aannemen en voldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende over die gegevens en inlichtingen beschikte of kon beschikken, maar niet de moeite heeft genomen om de door haar verkregen inlichtingen van Van Lanschot aan de Inspecteur ter beschikking te stellen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.2.1 tot en met 7.2.4 is overwogen, heeft belanghebbende niet voldaan aan haar verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr. Hieruit volgt dat het Hof de beroepen met betrekking tot de geheven belasting over de onderhavige jaren op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b, van de Awr ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn.

7.3.3. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dloeit voort uit de gemiddelde vermogenstoename inclusief stortingen, afboekingen, rente, dividend en beleggingsresultaat van 325 rekeninghouders die een of meerdere rekeningen hadden bij Van Lanschot op de data in 1996 waarop belanghebbende ook een rekening aanhield. Hierbij heeft de Inspecteur het percentage gerekend over het gehele jaar en niet over een gedeelte groter dan een jaar zoals belanghebbende stelt. De stelling dat de vermogenstoename exclusief stortingen is genomen, is niet in overeenstemming met de feiten aangezien is uitgegaan van saldi en niet van afzonderlijke mutaties op de rekeningen. De gevolgde methode is, vergeleken met het door de Hoge Raad getoetste model, dus toelaatbaar.

7.4.6. Voor het percentage van zes ter berekening van het fictieve rendement tot het jaar 2001, is de Inspecteur uitgegaan van het fictieve rendement dat van toepassing is op het in buitenlandse beleggingsinstellingen aangehouden vermogen (artikel 29a Wet op de inkomstenbelasting 1964). Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de wettelijke rente over de jaren 1995 tot en met 2000 gemiddeld ten minste ook dit percentage bedroeg, terwijl overige rente-indicaties hiervan niet sterk afweken, alsmede met de omstandigheid dat obligaties in het algemeen langere tijd worden aangehouden tegen het oorspronkelijke (hogere) percentage en dat over feitelijke dividendinkomsten geen eenduidige uitspraken kunnen worden gedaan. Het Hof acht dit een redelijk uitgangspunt. De stelling van belanghebbende dat het rentepercentage op 5 zou moeten worden gesteld, omdat het gemiddelde rendement op vermogen dat voor 90 percent bestaat uit spaartegoeden en obligaties voor de jaren 1997 tot en met 2000 onderscheidenlijk 5,33, 4,75, 4,19 en 4,92 percent bedraagt, verwerpt het Hof. Belanghebbende heeft noch voor de stelling dat haar vermogen voor 90 percent uit spaartegoeden en obligaties bestaat, noch voor de gestelde rentepercentages enig bewijs bijgedragen, zodat die stellingen niet aannemelijk zijn geworden.

7.4.7. Belanghebbende heeft tegenover het in 7.4.1 tot en met 7.4.6 overwogene niet doen blijken dat de correcties van de Inspecteur te hoog zijn vastgesteld.

De door belanghebbende overgelegde brief van Van Lanschot te Luxemburg geeft geen overzicht van het verloop van de bankrekening van belanghebbende bij Van Lanschot. De tekst van de brief van 1 februari 2011 biedt geen weerlegging van de door Inspecteur gemaakte schattingen.

Belanghebbende ziet eraan voorbij dat de omkering van de bewijslast de aanslagen in hun geheel betreft en zij de onjuistheid van de schatting moet doen blijken. De Inspecteur heeft gesteld dat het fysiek onmogelijk is om de gegevens van de meewerkers en ontkenners te verzamelen omdat deze in dossiers over het gehele land verspreid zijn en niet duidelijk is of de vermogensgroei van meewerkers gelijk is aan die van ontkenners. De weigeraars kunnen ook geweigerd hebben informatie te verstrekken omdat zij meer rekeningen in het buitenland bezitten. Het Hof houdt deze redengeving voor juist. Het is aan belanghebbende om te doen blijken dat de schatting van de Inspecteur onjuist is. Haar stelling dat de schatting geactualiseerd dient te worden aan de hand van nieuwe gegevens die in de loop van de procedures bij de diverse belastingplichtigen bekend zijn geworden, is tegenover de redengeving van de Inspecteur te algemeen van aard. Belanghebbende had gegevens over het concrete verloop van de rekening kunnen overleggen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Het is eveneens aan belanghebbende gegevens te verstrekken op grond waarvan aangenomen kan worden dat op een door haar in het buitenland aangehouden spaarproduct bronheffing is ingehouden. Belanghebbende heeft zulke gegevens niet verstrekt.

Boetes

7.5. De Inspecteur heeft bij de thans in het geding zijnde aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2006 en 2007 geen boete opgelegd. De stellingen die belanghebbende over het opleggen van boetes heeft ingenomen, behoeven derhalve geen behandeling.

Slot

7.6. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Proceskosten

8.

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.W. baron van Knobelsdorff, H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 18 december 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.