Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4789

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
200.123.926/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Wet conflictenrecht erfopvolging en Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging. Gewone verblijfplaats van erflater ten tijde van zijn overlijden in Frankrijk. Geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die tot uitzondering nopen. Op de nalatenschap is Frans recht van toepassing. Toepasselijk recht op de afwikkeling van de nalatenschap. Aansluiten bij regelgeving en opvatting Frans internationaal privaatrecht. Nader onderzoek nodig naar de erkenning naar Frans recht van het testamentair bewind als waarvan hier sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.123.926/01

Rekestnummer rechtbank : 12-80924

arrest van 19 november 2013

inzake

[de zoon],

wonende te [woonplaats], Duitsland,

appellant,

ten tijde van de indiening van het beroepschrift als minderjarige vertegenwoordigd door zijn moeder,

[naam moeder],

in haar hoedanigheid van diens wettelijk vertegenwoordiger,

wonende te[woonplaats], Duitsland,

advocaat mr. S.J. Kerbusch te Amsterdam.

tegen

1.

mr [naam], notaris,

wonende te [woonplaats],

2.

[de vrouw],

wonende te[woonplaats], Ierland,

geïntimeerden.

Verder verloop van het hoger beroep

1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn beschikking van 13 maart 2013, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

2.

Bij die beschikking is bevolen dat de verzoeken, zoals hier breder omschreven, zullen worden behandeld met inachtneming van de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Het hof zal overeenkomstig die regels zijn arrest wijzen.

3.

In zijn appelschrift heeft appellant, hierna te noemen [de zoon], twee grieven aangevoerd, zijn verzoek aangevuld en voorwaardelijk aangevuld en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat Frans erfrecht van toepassing is op de vererving van de nalatenschap van de erflater;

te verklaren voor recht dat Frans recht van toepassing is op de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater.

Voorts verzoekt de erfgenaam, bij aanvullend verzoek:

de inhoud van het testament, met name op het punt van het testamentair bewind, op nader aan te vullen gronden, te toetsen aan Frans recht en te verklaren voor recht in hoeverre dit testamentaire bewind geldig is;

Als voorwaardelijk verzoek verzoekt de erfgenaam:

te bepalen dat de bewindvoerder wordt ontslagen en een andere, nader te noemen, bewindvoerder te benoemen, kosten rechtens.

4.

Het arrest is uiteindelijk bepaald op heden.

Feiten

5.

Tegen de door de kantonrechter in de beschikking waarvan beroep vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof daarvan zal uitgaan.

6.

Voorts zal het hof uitgaan van de feiten zoals die zijn opgenomen in een rapport van de Stichting Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage (hierna ook te noemen: het IJI) van 5 september 2012, nu deze niet zijn weersproken.

7.

Op grond van de schriftelijke stukken in eerste aanleg en het aldaar en in appel verhandelde, komt het hof tot de volgende vaststelling van feiten:

a. op 13 april 2011 is te [plaatsnaam] (Frankrijk), zijn woonplaats, overleden [de vader] (hierna ook te noemen: de erflater), van Nederlandse nationaliteit;

b. bij ten overstaan van een Nederlandse notaris verleden uiterste wilsbeschikking van 3 november 2000 heeft erflater – voor zover hier van belang – als volgt beschikt:

III. A. Ik benoem mijn zoon, [de zoon], (...) tot mijn enige en universele erfgenaam van mijn gehele nalatenschap, zulks met het recht van plaatsvervulling conform het versterf-erfrecht; echter – indien mijn voormelde zoon na mij komt te overlijden en geen afstammelingen nalaat – onder de last al hetgeen hij bij zijn overlijden van mijn nalatenschap onvervreemd en onverteerd zal overlaten, uit te keren aan mevrouw [de vrouw], geboren op[datum] (...).

IV. Ik stel over al hetgeen mijn zoon [de zoon] uit mijn nalatenschap verkrijgt een bewind in (...)

Beoordeling van het hoger beroep

Grief I

8.

Met de eerste grief richt [de zoon] zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat op de nalatenschap van erflater Nederlands recht toepasselijk is. Hij beroept zich daarbij op een rapport van de Stichting Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage (hierna ook te noemen: het IJI) van 5 september 2012.

9.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Op grond van het ten tijde erflaters overlijden – 13 april 2011 – toepasselijke artikel 1 Wet conflictenrecht erfopvolging (hierna ook WCErf) wordt het op deze nalatenschap toepasselijke recht bepaald aan de hand het op 1 augustus 1989 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging (Trb. 1994, 49) (hierna ook HEV).

10.

Artikel 3 lid 2, eerste zin, HEV – dat als verdrag niet in werking is getreden, maar wel in de Nederlandse regelgeving is geïncorporeerd – geeft als hoofdregel dat de erfopvolging wordt beheerst door het recht van de Staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij in die Staat gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden zijn verblijfplaats had.

11.

Met betrekking tot het begrip ‘gewone verblijfplaats’ verwijst het hof naar de Rapport Explicatif opgenomen in de Actes et Documents de Seizième session (1990), p. 548, waarin is vermeld:

La résidence habituelle est essentiellement l'endroit auquel appartient le de cujus. Une personne ne peut avoir qu'une résidence habituelle, parce que c'est le centre de sa vie, le lieu auquel elle est le plus intimement associée par son style de vie. Pour déterminer quel est ce lieu, sa famille et ses liens personnels sont des éléments particulièrement importants.

L'intention semble jouer un rôle plus discret comme élément de la résidence habituelle qu'elle ne le fait traditionnellement à propos du domicile; c'est pourquoi les juristes habitués à travailler avec le domicile comme facteur de rattachement hésitent à lui trouver un équivalent dans la «résidence habituelle», mais acceptent celleci pour finir comme solution de remplacement possible. La résidence habituelle est une présence physique régulière, d'une certaine durée, et une association nettement plus forte que la résidence «ordinaire», dont le de cujus peut posséder une ou plusieurs. Toutefois, les espoirs et les plans manifestes du de cujus sont aussi des éléments que peut légitimement prendre en considération celui qui est appelé à déterminer l'Etat de résidence habituelle.

12.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de criteria om vast te stellen welke de ‘gewone verblijfplaats’ van erflater is, gelegen zijn in feiten en omstandigheden die het leven van de persoon van die erflater betreffen, voorafgaande en ten tijde van diens overlijden. Naast de hiervoor onder de feiten reeds vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat uit de in het geding gebrachte stukken en het verhandelde bij de mondelinge behandeling in de verzoekschriftprocedure, voordat ’s hofs beschikking van 13 maart 2013 werd gegeven, voldoende aannemelijk is geworden dat

a. erflater in 2001 metterwoon naar Frankrijk is verhuisd;

b. erflater tot aan zijn overlijden feitelijk in Frankrijk woonachtig is geweest;

c. erflater voor zijn vertrek naar Frankrijk zijn woning in Nederland heeft verkocht en zijn meubels heeft weggedaan;

d. erflater in Frankrijk zijn intrek heeft genomen in een tuinhuis dat behoorde bij een villa en aldaar zelf zijn nutsvoorzieningen heeft betaald;

13.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof, na toetsing daarvan aan de hiervoor opgesomde toelichting in de Rapport Explicatif met betrekking tot het begrip ‘gewone verblijfplaats’, van oordeel dat de laatste gewone verblijfplaats van erflater ten tijde van zijn overlijden zich in Frankrijk bevond. Bovendien is gebleken dat erflater gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden in Frankrijk zijn verblijfplaats had.

14.

Dit een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat op grond van artikel 1 WCErf in verbinding met artikel 3 lid 2, eerste zin, HEV in beginsel Frans recht erflaters erfopvolging beheerst. Dit is anders indien ‘kennelijk’ sprake is van de in artikel 3 lid 2, tweede zin, HEV genoemde ‘uitzonderlijke omstandigheden’, dat wil zeggen dat sprake moet zijn van omstandigheden die buiten het verwachtingspatroon vallen en die ‘kennelijk’ dienen te zijn.

15.

Van ‘uitzonderlijke omstandigheden’ op grond waarvan van deze regel zou moeten worden afgeweken is het hof niet gebleken. In het bijzonder vloeit dat niet – ook niet in onderlinge samenhang bezien – voort uit:

a. het maken ten overstaan van een Nederlandse notaris op 3 november 2000 van een uiterste wilsbeschikking met de instelling van een bewind, terwijl erflater alstoen in Nederland woonachtig was;

b. het aanhouden van bankrekeningen in Nederland gedurende erflaters verblijf in Frankrijk;

c. het stallen van twee oldtimers in Nederland gedurende erflaters verblijf in Frankrijk;

d. het geboren zijn van de erfgenaam in Nederland;

e. het niet in Nederland woonachtig zijn van de erfgenaam, noch van diens wettelijk vertegenwoordiger gedurende de minderjarigheid van de erflater;

f. het niet woonachtig zijn van de bewindvoerder in Frankrijk;

g. de inschrijving van een Nederlandse notaris in verband met deze nalatenschap in een Nederlands boedelregister.

16.

Mitsdien dient de bestreden beschikking te worden vernietigd voor zover daarin is geoordeeld dat op de nalatenschap van erflater Nederlands recht toepasselijk is.

Grief II

17.

De erflater richt zich met zijn tweede grief tegen de overweging van de bestreden beschikking dat op de afwikkeling van de nalatenschap van erflater Nederlands recht van toepassing is.

18.

De Nederlandse wet regelt niet welk recht toepasselijk is op de vereffening van een nalatenschap, indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft. Het hof heeft hiervoor reeds geoordeeld dat erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Frankrijk had. Gelet op het bepaalde in artikel 10:149 BW – dat het per 1 januari 2012 vervallen, nagenoeg gelijkluidende artikel 4 lid 1 WCErf vervangt – en de Toelichting op deze bepaling (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32 137, nr 3, p. 79 inhoudende:

De Staatscommissie heeft, onder verwijzing naar HR 22 februari 2008, NJ 2008, 125, in herinnering gebracht dat deze regel niet aangeeft welk recht van toepassing is indien de erflater zijn gewone verblijfplaats in het buitenland had en heeft de vraag opgeworpen of het wenselijk zou zijn hiervoor thans een wettelijke regel te treffen. Naar aanleiding hiervan moge ik vooreerst verwijzen naar de parlementaire geschiedenis van de Wet conflictenrecht erfopvolging (Verslag van een schriftelijk overleg, TK 1995–1996, 23 857, nr. 7H, p. 9), waarin als oplossing is aangereikt dat de Nederlandse notaris zich aansluit bij de door de autoriteiten van de laatste gewone verblijfplaats gehanteerde regel van internationaal privaatrecht.

Het komt mij voor dat deze oplossing bruikbaar is, mits zij aldus wordt begrepen dat zij voorziet in een enkel renvoi en niet in doorverwijzing.

is het hof voorts van oordeel dat op de vereffening van erflaters nalatenschap zal moeten worden aangesloten bij de regelgeving en opvattingen in het Frans internationaal privaatrecht. Mitsdien dient de bestreden beschikking ook te worden vernietigd voor zover daarin is overwogen – en mogelijk beslist – dat op de vereffening van erflaters nalatenschap Nederlands recht toepasselijk is.

19.

Ten aanzien van het Franse internationaal privaatrecht inzake de vereffening vermeldt het rapport van het IJI:

(…) dat naar Frans internationaal privaatrecht in deze zaak de vererving van de nalatenschap, die alleen uit roerende bestanddelen bestaat, alsmede de afwikkeling van de nalatenschap door het Franse recht wordt beheerst, als het recht van de laatste woonplaats van erflater.

Het hof zal daar dan ook vanuit uitgaan, daarbij de term ‘afwikkeling’ begrijpend als ‘vereffening’.

Beoordeling van het aanvullend verzoek, lees: aanvullende vordering

20.

Bij wege van aanvullend verzoek – het hof begrijpt nu: aanvullende vordering – is gevorderd dat het hof de inhoud van de uiterste wilsbeschikking, met name op het punt van het testamentair bewind, op nader aan te vullen gronden, zal toetsen aan Frans recht en voor recht zal verklaren in hoeverre dit testamentaire bewind geldig is. Aldus is sprake van een vermeerdering van eis. Van een bezwaar aan de zijde van geïntimeerden is het hof niet gebleken. Het hof is voorts niet van oordeel dat deze vermeerdering van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

21.

In zijn meergenoemd rapport van 5 september 2012 heeft het IJI omtrent de erkenning van het bewind in het Franse recht opgemerkt:

Samengevat, het Franse recht kent de bescherming van het vermogen van een minderjarige uitgeoefend door een derde en ook de bescherming van het vermogen van een meerderjarige. In beide gevallen lijkt het er op dat een dergelijke bescherming onder omstandigheden buiten de rechter om kan worden tot stand gebracht, bijvoorbeeld in een authentieke akte, als een testament. In hoeverre een regeling als het beschermingsbewind zoals opgenomen in het testament van erflater – waarbij een bewind wordt ingesteld gedurende de minderjarigheid die doorloopt na het bereiken van de meerderjarigheid tot de zoon 30 jaar oud is – hiermee overeenkomst, hebben wij aan de hand van de beschikbare literatuur vooralsnog niet kunnen achterhalen.

22.

Alvorens op de vermeerderde eis te beslissen is het naar het oordeel van het hof wenselijk dat een nader onderzoek door een deskundige naar de erkenning naar Frans recht van het testamentaire bewind als waarvan hier sprake is, dient plaats te vinden. Alhoewel het voor de hand lijkt te liggen dat in dit kader een zodanig onderzoek zal worden uitgevoerd door het IJI, stelt het hof ieder van partijen in de gelegenheid zich omtrent de persoon van de deskundige bij akte ter rolle uit te laten.

Het voorwaardelijk verzoek

23.

Het voorwaardelijk verzoek is naar zijn aard niet begrepen in het bevel voortzetting volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, zoals vervat in de beschikking van 13 maart 2013, nu een verzoek strekkende tot ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van een ander tot bewindvoerder bij verzoekschrift dient te geschieden. Mitsdien heeft het hof op dat verzoek heden bij afzonderlijke beschikking beslist.

Conclusie

24.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking geheel vernietigen en, opnieuw beslissende, de (onvoorwaardelijk) gevorderde verklaringen van recht ten aanzien van het op erflaters nalatenschap toepasselijke recht en ten aanzien van het op de vereffening daarvan toepasselijke recht uitspreken.

25.

Ten aanzien van de vermeerderde eis strekkende tot het uitspreken van een verklaring van recht met betrekking tot de erkenning van het bewind naar Frans recht, zal het hof de behandeling aanhouden ten einde elk van partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten zoals hiervoor in rechtsoverweging 22 aangegeven.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

- vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beslissende:

- verklaart voor recht dat de nalatenschap van erflater wordt beheerst door Frans recht;

- verklaart voor recht dat de vereffening van de nalatenschap van erflater wordt beheerst door Frans recht;

- verwijst het geding, voor zover thans nog aanhangig, naar de rol voor uitlating zoals hiervoor in rechtsoverweging 22 breder omschreven;

- verwijst voor de beslissing op het voorwaardelijk verzoek naar ’s hofs op heden daarop afzonderlijk gewezen beschikking;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Stille, Labohm en Burgerhart, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2013.