Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4744

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
BK-12/00737 en BK-12/00738
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:19907, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. In geschil is of het handelen van de inspecteur in overeenstemming is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur respectievelijk geschreven dan wel ongeschreven (inter)nationale rechtsbeginselen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0370
V-N Vandaag 2014/316

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-12/00737 en BK-12/00738

Uitspraak van 11 december 2013

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s‑Gravenhage (thans: rechtbank Den Haag) van 13 september 2012, nummers AWB 12/4853 en AWB 12/4858, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikking.

Aanslagen, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Belanghebbende zijn voor de jaren 2008 en 2009 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.084 (hierna: aanslag 2008) respectievelijk naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.885 (hierna: aanslag 2009). Tevens is haar voor het jaar 2009 bij gelijktijdig genomen beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur met betrekking tot het jaar 2008 de aanslag gehandhaafd en met betrekking tot het jaar 2009 de helft van de belastbare inkomsten uit eigen woning aan belanghebbende toegerekend, de aanslag overigens gehandhaafd en de verzuimboete verminderd tot nihil.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.4. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. De griffier heeft een kopie daarvan aan de Inspecteur toegezonden.

2.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 oktober 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

2.6. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van belanghebbendes partner [Y] met de kenmerken BK-12/00739, BK-12/00740 en BK-12/00741. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken.

2.7. Van het ter zitting verhandelde is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft over het jaar 2008 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 33.084. De Inspecteur heeft de aanslag 2008 conform de aangifte van belanghebbende vastgesteld.

3.2. Vanwege het uitblijven van de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over 2009 ook nadat belanghebbende daartoe was aangemaand, heeft de Inspecteur de aanslag 2009 ambtshalve vastgesteld en daarbij een verzuimboete opgelegd.

3.3. De partner van belanghebbende, [Y], heeft op 1 juli 2006 een eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van koophandel met de handelsnaam ”[A]”. De eenmanszaak heeft als bedrijfsomschrijving: ”Begeleiding, advisering en coaching van mensen die opnieuw (willen) beginnen en op weg gaan bij het vinden van hun (nieuwe) bestemming. Organisatie en begeleiding van het proces waarin mensen samen met anderen bewust hun eigen reis creëren en beleven”. Meer concreet biedt [A] reizen en reisprogramma’s aan als middelen om mensen kennis te laten maken met het verschijnsel Europa en hen daarbij te betrekken.

3.4. Het Hof heeft bij uitspraak van 28 februari 2012 beslist dat de activiteiten van de partner van belanghebbende ter zake van [A] met betrekking tot de jaren 2006 en 2007 geen bron van inkomen vormen. Deze uitspraak is door de Hoge Raad bevestigd bij uitspraak van 29 maart 2013, nr. 12/01252, ECLI:NL:HR:2013:BZ5821.

3.5. Op 1 april 2008 hebben belanghebbende en zijn partner een eigen woning aangekocht.

3.6. Belanghebbende heeft tegen de aanslag 2008 bezwaar gemaakt. In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende geen gronden aangevoerd die strekken tot vermindering van de aanslag. De Inspecteur heeft in zijn brieven van 6 september 2011, 12 september 2011, 26 oktober 2011 en 12 december 2011 verzocht om de gronden aan te vullen met materiële geschilpunten of met een herziene aangifte. Aan dit verzoek heeft belanghebbende geen gevolg gegeven. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

3.7. De Inspecteur heeft de helft van het eigenwoningsaldo aan belanghebbende toegerekend - en de aanslag 2009 overigens gehandhaafd - omdat belanghebbende noch haar partner heeft gereageerd op het voorstel van de Inspecteur de voordeligste weg te kiezen door het eigenwoningsaldo aan het inkomen van belanghebbende toe te rekenen. Ter gelegenheid hiervan heeft de Inspecteur de verzuimboete verminderd tot nihil.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of het handelen van de Inspecteur in overeenstemming is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur respectievelijk geschreven dan wel ongeschreven (inter)nationale rechtsbeginselen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de wet, naar letter en geest, met de Grondwet, met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, met Universele verklaring van de rechten van de mens, met het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met moraal en fatsoen, aan schending van eigen beleidsregels en algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het verbod op willekeur, aan niet-nakoming van gemaakte afspraken, aan valse beschuldigingen, aan geschiedvervalsing, aan valsheid in geschrifte en aan doelbewuste misleiding.

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe in de van hen afkomstige stukken en ter zitting hebben aangevoerd.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar, van de aanslag 2008 en de aanslag 2009.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is geduid als ”eiseres” en de Inspecteur als ”verweerder”:

”(…)

8.

Voor het jaar 2008 heeft verweerder de aangifte van eiseres volledig gevolgd. In bezwaar gaf hetgeen eiseres aanvoerde geen aanleiding tot vermindering van de aanslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve de aanslag IB/PVV 2008 in de uitspraak op bezwaar in beginsel terecht gehandhaafd. Voor het jaar 2009 heeft verweerder, omdat eiseres geen aangifte heeft gedaan, de aanslag ambtshalve vastgesteld op basis van de aangifte loonheffing van de inhoudingsplichtige. In bezwaar heeft eiseres de hoogte van de opgelegde aanslag niet betwist. Omdat eiseres zich, ook nadat verweerder daarom had verzocht, niet akkoord heeft verklaard met toerekening aan de echtgenoot van haar deel van de belastbare inkomsten uit eigen woning, heeft verweerder, zoals bepaald in artikel 2:17, derde lid, van de Wet IB 2001, in de uitspraak op bezwaar de helft van de belastbare inkomsten uit eigen woning in mindering gebracht en de aanslag overigens gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee door verweerder in beginsel ook voor het 2009 de aanslag IB/PVV op juiste wijze en naar een juist gedrag vastgesteld.

9.

De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor al hetgeen waarvan verweerder door eiseres wordt beticht zoals hiervoor onder 6 opgenomen. Ook is niet gebleken dat verweerder in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Derhalve kunnen de grieven van eiseres niet tot het door haar gewenste gevolg leiden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen dienen te worden gehandhaafd zoals deze bij uitspraken op bezwaar zijn vastgesteld.

10.

Ter zitting heeft eiseres bepleit dat de behandeling van de zaken aangehouden dient te worden. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. De zaak die voorligt bij de Hoge Raad betreft de het beroep van de echtgenoot tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV voor 2007. Niet aannemelijk is geworden dat er samenhang is tussen die zaak en de onderhavige zaken van eiseres die zou moeten leiden tot aanhouding.

11.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

(…).”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Het Hof is overtuigd van de oprechte intenties waarmee de partner van belanghebbende [A] heeft opgericht en daarvoor activiteiten heeft ontplooid. Voorts heeft het Hof uitgebreid kennis genomen van de wederzijdse standpunten van partijen en begrijpt dat de scheefgegroeide verstandhoudingen lastig zullen kunnen worden geheeld. Nochtans heeft het Hof, evenals de rechtbank, in de gedingstukken geen aanknopingspunten kunnen vinden voor honorering van een of meer van de onder 4.2 genoemde tot de Inspecteur gerichte grieven van belanghebbende. Niet in de laatste plaats ligt aan het handelen van de Inspecteur ten grondslag het uitblijven van gevraagde en voor het vaststellen van de aanslagen essentieel benodigde informatie, waardoor de Inspecteur niet in staat was zijn voorstel het eigenwoningsaldo op de meest voordelige wijze onder de partners te verdelen ten uitvoer te brengen. Om deze informatie heeft de Inspecteur herhaald verzocht. Belanghebbende heeft naar ’s Hofs oordeel met hetgeen zij in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen dan wel, tegenover de betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur of een andere rechtsregel dan wel waaruit anderszins een motief van inhoudelijke of formele aard is te putten voor de conclusie de Inspecteur schadeplichtig te achten voor door belanghebbende vermeend geleden schade. Belanghebbende heeft, wat dit laatste betreft, het van haar te verlangen bewijs geenszins geleverd en dientengevolge kunnen de grieven van belanghebbende niet tot het door haar beoogde gevolg leiden.

7.2. Met betrekking tot de verdeling van het eigenwoningsaldo komt het Hof in hoger beroep niet tot andere overwegingen en oordelen dan de rechtbank. De voormelde overwegingen en oordelen en de gegeven eindbeslissing maakt het Hof tot de zijne. De Inspecteur heeft, bij het uitblijven van reacties van belanghebbende op zijn vragen en omdat belanghebbende en haar partner zich, ook nadat de Inspecteur daarom nog specifiek had verzocht, niet akkoord hebben verklaard met toerekening van het eigenwoningsaldo, met toepassing van artikel 2.17, derde en vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een juiste handelwijze betracht.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 11 december 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.