Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4739

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
BK-12/00878
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:23968, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Waarde garagebox.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/222
V-N 2014/13.22.26

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00878

Uitspraak d.d. 9 december 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westland, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2012, nummer AWB 12/4036, betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) is de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de garagebox), vastgesteld op € 26.000 per 1 januari 2011 (hierna: de waardepeildatum). Deze beschikking geldt voor het kalenderjaar 2012.

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2012, wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de garagebox, een aanslag opgelegd in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Westland naar een heffingsmaatstaf van € 26.000.

1.3. Het aanslagbiljet waaruit van de vorenvermelde beschikking en aanslag blijkt, is gedagtekend 29 februari 2012.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Bij in een geschrift, gedagtekend 11 mei 2012, vervatte uitspraken heeft de Inspecteur (onder meer) het bezwaar met betrekking tot de garagebox ongegrond verklaard.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht is geheven van € 42. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 115 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een reactie hierop gezonden. In zijn brief heeft hij vermeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht.

Een afschrift hiervan is toegezonden aan de Inspecteur.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 oktober 2013, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de garagebox. Het bouwjaar van de garagebox is 1968. De oppervlakte van de garagebox is 17 m2 en de inhoud is 51 m3.

3.2. Ter onderbouwing van de waardering van de garagebox heeft de Inspecteur een matrix overgelegd waarin de garagebox wordt vergeleken met een aantal vergelijkingsobjecten. De vergelijkingsobjecten zijn alle garageboxen. De matrix vertoont onder meer het volgende beeld:

object

bouwjaar

oppervlakte

inhoud

prijs per m2

[a-straat 1]

1968

17 m2

51 m3

€ 511

[b-straat 1]

1967

18 m2

54 m3

€ 556

[c-straat 1]

1986

20 m2

60 m3

€ 633

[d-straat 1]

1958

18 m2

54 m3

€ 546

Het object [b-straat 1] is verkocht op 2 augustus 2010 voor een verkoopprijs van € 30.000.

Het object [c-straat 1] is verkocht op 22 juli 2011 voor een verkoopprijs van € 38.000.

Het object [d-straat 1] is verkocht op 15 maart 2010 voor een verkoopprijs van € 29.500.

3.3.

Op 13 mei 2013 heeft een (ook) inpandige bezichtiging van de garagebox plaatsgevonden door een gemeentelijke taxateur. Deze taxateur heeft geconstateerd dat in de garagebox geen asbest aanwezig is.

3.4.

De garagebox is verkocht op 15 juli 2013 voor een verkoopprijs van € 17.500. In de leveringsakte is onder meer bepaald dat belanghebbende garandeert dat aan hem niet bekend is dat in het verkochte asbest is verwerkt.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of de Inspecteur de waarde van de garagebox op de waardepeildatum te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbenden strekt tot vermindering van de waarde naar een bedrag tussen € 17.500 en € 19.500 per de waardepeildatum en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”7. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44).

8.

Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de garagebox niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde taxatieverslag en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit het taxatieverslag en de daarbij gevoegde matrix, is de waarde van de garagebox bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met garageboxen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Met het taxatieverslag en de matrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de herleiding van de aan de garagebox toegekende waarde uit de bij de verkoop van de in het taxatieverslag genoemde vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de garagebox wat betreft onder meer inhoud, vloeroppervlakte, ligging en bouwjaar. Voorts heeft verweerder met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat de door eiser gestelde aanwezigheid van asbesthoudende materialen geen specifiek voor de garagebox waardedrukkende omstandigheid is.


9. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af. Dat de garagebox niet inpandig is opgenomen door verweerder dient, gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, voor risico van eiser te komen.

10.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de garagebox alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, wordt ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ de waarde van de garagebox bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de garagebox meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald. Terecht heeft de rechtbank voorts overwogen dat de Inspecteur aannemelijk dient te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

7.2. In hoger beroep herhaalt belanghebbende zijn voor de rechtbank ingenomen standpunten. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de Inspecteur de in het geding zijnde waarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De verkoop van de garagebox in juli 2013 is te ver gelegen van de waardepeildatum om bruikbaar te zijn voor de bepaling van de WOZ-waarde van de garagebox per die datum. Ook de waarde per 1 januari 2013 is daarvoor niet relevant. Daaraan dient derhalve voorbij te worden gegaan. Belanghebbende heeft gesteld dat de garagebox door aanwezigheid van asbesthoudend materiaal te hoog is gewaardeerd. Gelet op de constatering door de taxateur op 13 mei 2013, de vermelding in de leveringsakte dat belanghebbende niet bekend is dat in de garagebox asbest is verwerkt en het feit dat in de advertenties waarbij de garagebox te koop is aangeboden geen verwijzing naar asbest is opgenomen, is deze stelling niet aannemelijk geworden.

7.3. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden daartoe vermeld in onderdeel 8 van de uitspraak juist en maakt deze tot de zijne.

7.4. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Derhalve moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. baron van Knobelsdorff, M.C.M. van Dijk en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op

9 december 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.