Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4713

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
22-001836-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De destijds twintigjarige verdachte, die net een maand tevoren zijn rijbewijs had verworven, heeft in de nachtelijke uren met een veel hogere snelheid dan de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gereden, heeft kort daarna een stuurbeweging naar links gemaakt en is daarbij op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer gaan rijden. Daar is hij met een snelheid van ongeveer 114 kilometer per uur frontaal tegen een hem tegemoetkomende auto gebotst. Ten gevolge daarvan zijn twee inzittenden (een echtpaar) om het leven gekomen en zijn hun drie kinderen op de achterbank ieder zwaar gewond geraakt.

Het hof heeft uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep bepaald de indruk gekregen dat de verdachte oprecht berouw heeft van zijn handelen en de gevolgen die hij teweeg heeft gebracht en daaronder zeer gebukt gaat.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van verkeersdelicten, te weten joyriding, rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs.

30 maanden gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001836-13

Parketnummer: 10-661260-12

Datum uitspraak: 16 december 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de PI Rijnmond – Gevangenis
De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

2 december 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan hem opgelegd een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2012 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Burgemeester van Dijklaan, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid voor motorvoertuigen gold van 50 km/uur,
- (met een zeer hoge snelheid) een andere personenauto is gaan inhalen en/of een stuurbeweging heeft gemaakt waardoor hij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en/of
- (vervolgens) op die weghelft is blijven rijden en/of aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is blijven rijden en/of
- met een snelheid van ongeveer 114 km/uur, in elk geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft gereden en/of - op die weghelft frontaal in botsing is gekomen met een tegemoetkomende personenauto, waardoor
- de bestuurder van die tegemoetkomende personenauto, genaamd [slachtoffer 1], en de naast die [slachtoffer ] zittende passagier, genaamd [slachtoffer 2], werden gedood, en
- de achterin evengenoemde personenauto gezeten passagiers, genaamd [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en
- de naast verdachte gezeten passagier, genaamd [slachtoffer 6], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken en ribbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

Feiten

Op 26 augustus 2012 heeft in de nachtelijke uren op de Burgemeester van Dijklaan te Capelle aan den IJssel een frontale botsing plaatsgevonden tussen de door de verdachte bestuurde Fiat 500 en de Fiat Punto van de familie [familienaam slachtoffers 1 tot en met 5]. Bij deze botsing zijn de bestuurster en haar echtgenoot op de passagiersstoel om het leven gekomen; hun drie dochters die op de achterbank zaten, hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Tevens heeft de passagier in de auto van de verdachte zodanig letsel bekomen. Uit het proces-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst van de politie Rotterdam Rijnmond van 29 augustus 2012 blijkt dat de door de verdachte bestuurde auto is terechtgekomen op de rijstrook die bestemd is voor het hem tegemoetkomende verkeer en dat de botsing op die rijstrook heeft plaatsgevonden.

Standpunt openbaar ministerie

Blijkens het ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen schriftelijke requisitoir verwijt het openbaar ministerie de verdachte dat hij met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid heeft gereden en een gevaarlijke inhaalmanoeuvre heeft uitgevoerd, waardoor hij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen en op die weghelft is blijven rijden met die veel te hoge snelheid en vervolgens met een snelheid van ongeveer 114 kilometer per uur frontaal in botsing is gekomen met de hem tegemoetkomende Fiat Punto van de familie [familienaam slachtoffers 1 tot en met 5]. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit gekwalificeerd dient te worden als roekeloos rijgedrag als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep over de toedracht van het ongeval een andere lezing. Deze houdt in dat hij op de Burgemeester Van Dijklaan met een snelheid van 70 tot 80 kilometer per uur heeft gereden toen hij een auto inhaalde die bij de Herenburg rechtsaf wilde slaan; na het inhalen is hij weer op zijn ‘eigen’ weghelft gaan rijden. Vervolgens is de verdachte met genoemde snelheid bij de verhoging in het wegdek ter hoogte van de Dwarsfluit geschrokken toen hij – naar zijn zeggen – een van rechts komende kat zag, en heeft een stuurbeweging naar links gemaakt waardoor hij op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Hij heeft daarbij vol gas gegeven om de auto weer onder controle te krijgen, waarna de botsing heeft plaatsgevonden.

Oordeel hof met betrekking tot de toedracht van de aanrijding

Rijsnelheid

Blijkens het proces-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst van de politie Rotterdam Rijnmond van
29 augustus 2012 was tijdens de botsing de inertieschakelaar van de Fiat 500 in werking getreden. Deze heeft een rijsnelheid van 114,81 kilometer per uur geregistreerd. De indicatieve rijsnelheid van de Fiat Punto bedroeg tussen de 45 en 50 kilometer per uur.

Uit het proces-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst van de politie Rotterdam Rijnmond van
25 september 2012 dat betrekking heeft op een computersimulatie van het ongeval met het programma
PC-crash, blijkt dat de indicatieve snelheid van de Fiat 500 nauwelijks afwijkt van de uitgelezen 114 kilometer per uur.

In het NFI rapport van 14 maart 2013 concludeert de deskundige ir. A.C.E. Spek dat het door hem uitgevoerde onderzoek de uitlezing -van circa 115 kilometer per uur- van de door de verdachte bestuurde auto na de botsing bevestigt. Met de kennis die bij het onderzoek is opgedaan over wijze waarop de registratie van de rijsnelheid tot stand komt, is geen situatie voorzien waarin bij een voertuigsnelheid van niet meer dan 70 kilometer per uur, 114 kilometer per uur wordt geregistreerd. Hierbij merkt de deskundige op dat bij de voor deze casus verrichte botsproef een dergelijk fenomeen niet is opgetreden en dat, gelet op de bij het ongeval ontstane deformatie en de beweging die de auto’s na de botsing ondergingen, een gereden snelheid van niet meer dan 70 kilometer per uur op het moment van het ongeval niet voorstelbaar is.

Voorts concludeert voornoemde deskundige in zijn aanvullend rapport van 7 mei 2013 dat het niet mogelijk is dat de Fiat 500 vanaf het moment van het einde van de duiker in de weg (het hof begrijpt: de verhoging in het wegdek) accelereert van de door de verdachte aangegeven snelheid (65-70) tot de snelheid die bij data-extractie is vastgesteld (114 kilometer per uur).

Het hof acht op grond van het vorenstaande de lezing van de verdachte niet aannemelijk geworden, dat hij ten tijde van de botsing met een snelheid van 70 tot 80 kilometer reed. Het hof neemt aan dat op het moment van het ongeval de door de verdachte bestuurde Fiat 500 een snelheid had van ongeveer 114 kilometer per uur.

Weghelft voor tegemoetkomend verkeer

Het dossier bevat op zichzelf verklaringen van getuigen die een andere toedracht van het ongeval indiceren dan door de verdachte is verklaard, maar naar het oordeel van het hof kan de lezing van de verdachte door deze verklaringen niet worden weerlegd.

De getuige [getuige A] heeft verklaard dat zij, toen zij op de Burgemeester Van Dijklaan rechtsaf wilde slaan de Herenburg op, werd ingehaald door een witte auto – zijnde de auto waarin de verdachte reed - en dat zij niet heeft gezien dat de verdachte na het passeren is teruggekeerd naar zijn ‘eigen’ weghelft. Uit deze verklaring blijkt evenwel niet dat de getuige verdachtes rijden verder heeft gevolgd, nu zij blijkens haar tweede verklaring bij het afslaan niet meer naar de auto van de verdachte heeft gekeken.

De getuige [slachtoffer 5], die zich achterin de Fiat Punto bevond, heeft verklaard dat zij vlak voordat zij over de heuvel op de Burgemeester van Dijklaan reden, een hoop licht op hun zag afkomen aan hun kant van de weg en dat het leek of de auto die het licht verspreidde aan het vliegen was om daarna heel hard op de weg terecht te komen. Het hof leidt uit deze verklaring van de getuige [slachtoffer 5] af dat zij de auto waarin de verdachte reed pas heeft gezien toen deze zich op of voorbij de wegverhoging bevond.

Uit beide verklaringen kan daarom niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de verdachte, nadat hij de auto van de getuige [getuige A] had ingehaald, op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer is blijven rijden. De verdachte dient derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Mate van schuld van de verdachte

Ten aanzien van de vraag of de verdachte zodanig heeft gereden dat sprake is van roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, overweegt het hof als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in het algemeen bij roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 sprake zal moeten zijn van bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren. Het hof stelt vast dat de Hoge Raad aan de feitelijke grondslag voor het bewijs van het wettelijke begrip ‘roekeloosheid’ in bestendige rechtspraak (HR 22 mei 2012, LJN BU2016, HR 3 juli 2012, LJN BW4254 en HR 4 december 2012, LJN BY2823 en recentelijk nog de arresten van 15 oktober 2013, ECLI NL HR 2013, nrs. 959, 960, 962 en 964) zeer hoge, aan de wetsgeschiedenis ontleende eisten stelt. ‘Roekeloosheid’ in de zin van de wet heeft een specifieke betekenis die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ - in de betekenis van ‘onberaden’ — wordt verstaan, aldus de Hoge Raad. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm zal slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn; vastgesteld moet worden “dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn”. Uit deze rechtspraak valt af te leiden dat de enkele vaststelling dat de verdachte met zeer hoge snelheid heeft gereden, op zichzelf nog niet een uitzonderlijk geval oplevert, waarin van roekeloosheid kan worden gesproken.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ter plaatse bekend was, maar dat hij weinig ervaring had als bestuurder, nu hij pas één maand zijn rijbewijs had, dat hij voor het eerst als bestuurder
‘s nachts reed, een of twee maal eerder als bestuurder op die weg had gereden en tevens dat hij voor de tweede of derde maal in de bij de aanrijding betrokken auto reed.

Op grond van het hierboven staande, stelt het hof samenvattend ten aanzien van de verdachte vast dat deze:

- een beginnend bestuurder was;

- veel harder heeft gereden dan de maximum toegestane snelheid;

- een stuurbeweging heeft gemaakt waardoor hij op de andere weghelft terecht is gekomen;

- daar in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomend motorrijtuig.

In het licht van de hiervoor genoemde rechtspraak komt het hof – anders dan de advocaat-generaal en uitgaande van een andere bewezenverklaring - tot de slotsom dat in de onderhavige zaak niet van roekeloosheid in de zin der wet kan worden gesproken. Uit de vastgestelde gedragingen kan naar ’s hofs oordeel - met de rechtbank en de verdediging - wel worden afgeleid dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 augustus 2012 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Burgemeester van Dijklaan, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid voor motorvoertuigen gold van 50 km/uur,
- met een zeer hoge snelheid een andere personenauto is gaan inhalen

- met een snelheid van ongeveer 114 km/uur heeft gereden en

- op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer frontaal in botsing is gekomen met een tegemoetkomende personenauto, waardoor
- de bestuurder van die tegemoetkomende personenauto, genaamd [slachtoffer 1], en de naast die [slachtoffer 1] zittende passagier, genaamd [slachtoffer 2], werden gedood, en
- de achterin evengenoemde personenauto gezeten passagiers, genaamd [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken) werd toegebracht, en
- de naast verdachte gezeten passagier, genaamd [slachtoffer 6], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken en ribbreuken) werd toegebracht; zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waarbij een ander wordt gedood, meermalen gepleegd

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd,

terwijl deze feiten mede zijn veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De destijds twintigjarige verdachte, die net een maand tevoren zijn rijbewijs had verworven heeft in de nachtelijke uren op zeer onverantwoordelijke wijze zijn auto bestuurd. Hij heeft met een veel hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gereden, heeft kort daarna een stuurbeweging naar links gemaakt en is daarbij op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer gaan rijden. Daar is hij met een snelheid van ongeveer 114 kilometer per uur frontaal tegen een hem tegemoetkomende auto gebotst. Ten gevolge daarvan zijn twee inzittenden (een echtpaar) om het leven gekomen en zijn hun drie kinderen op de achterbank ieder zwaar gewond geraakt. Zij moeten bovenal op (zeer) jeugdige leeftijd (ten tijde van het ongeval waren zij respectievelijk 19, 17 en 15 jaar) hun ouders missen. Ook voor de overige familieleden en vrienden moet het verlies uitermate hard zijn aangekomen. Bovendien is de mede-inzittende in de auto van de verdachte eveneens zwaar gewond geraakt.

Dit ongeval heeft aldus voor velen zeer ingrijpende gevolgen waarvan de diepte nauwelijks te bevatten is. De ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaringen, en de schriftelijke slachtofferverklaringen die zich in het dossier bevinden, getuigen daarvan.

Het wettelijke strafmaximum voor het veroorzaken van een aanrijding met dodelijk gevolg is een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Bovendien is de regeling van de samenloop van toepassing, hetgeen meebrengt dat genoemde straf met een derde kan worden verhoogd.

Hoewel naar het oordeel van het hof in technisch-juridische zin geen sprake is geweest van roekeloos rijgedrag, is het hof van oordeel dat de verdachte, zoals hiervoor aangeduid, op zeer onverantwoordelijke wijze heeft gereden, hetgeen bepaald in zijn nadeel moet worden meegewogen. De verdachte treft dus een zeer ernstig schuldverwijt.

Met betrekking tot de hem op te leggen straf stelt het hof voorop dat geen wettelijk toegestane straf de slachtoffers en hun nabestaanden genoegdoening kan verschaffen voor het veroorzaakte leed. De toepassing van het strafrecht kan wel in algemene zin herstel van de door het misdrijf geschokte rechtsorde bevorderen en weggebruikers inscherpen dat zij bij gebreke van de vereiste voorzichtigheid ter verantwoording worden geroepen en dat hen onder omstandigheden een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur te wachten staat. De straf werkt daarmee norm-markerend en generaal preventief. Die straf staat dan naast het besef van de verdachte van de door hem veroorzaakte catastrofale gevolgen, welke schuld hij zijn verdere leven moet meedragen.

Het hof heeft uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep bepaald de indruk gekregen dat de verdachte oprecht berouw heeft van zijn handelen en de gevolgen die hij teweeg heeft gebracht en daaronder zeer gebukt gaat.

Ten slotte constateert het hof dat het door de strafrechter in Nederland gehanteerde uitgangspunt voor de straftoemeting in geval van het veroorzaken van een aanrijding met dodelijk gevolg voorziet in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden in geval van grove onvoorzichtigheid (en van

acht maanden in geval van wegpiraterij of roekeloosheid).

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 november 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van verkeersdelicten, te weten joyriding, rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bovendien was de verdachte ten tijde van het ongeval slechts één maand in het bezit van een rijbewijs, reed hij als bestuurder voor het eerst ’s nachts en kende hij de auto waarin hij reed niet goed. Ook dat had hem aanleiding moeten geven zich veel voorzichtiger te gedragen.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen het reclasseringsadvies van 27 september 2012.

Met betrekking tot de tegen de achtergrond van deze overwegingen aan de verdachte op te leggen straf is het hof van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de ernst van de misdrijven, de vele slachtoffers die verdachte aldus ‘op zijn geweten’ heeft, alsook met de omstandigheid dat de verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen ter zake van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof is - alles overwegende - tot de slotsom gekomen dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid, beide van aanzienlijke duur, passend en geboden is en is voorts van oordeel dat de eerste rechter ten aanzien van de straftoemeting tot een juiste beslissing is gekomen. Het hof zal deze straffen daarom eveneens aan de verdachte opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. J.M. van de Poll en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 december 2013.