Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4672

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
200.110.252-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenwerking bij organiseren busreizen; vennootschap onder firma en daaruit voortvloeiende gemeenschap tot stand gekomen zonder schriftelijke overeenkomst (vennootschapsakte)? Vordering tot meewerken aan verdeling gemeenschap, waaronder winst en goodwill.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0226
JONDR 2014/923

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.110.252/01

Zaaknummer rechtbank : 397033/ HA ZA 11-1883

arrest d.d. 17 december 2013

inzake

[appellant]

wonende te Rijswijk,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.W. Bosch te Naaldwijk,

tegen

1.

Govinda Tours V.O.F.,

gevestigd te Den Haag,

2.

[geïntimeerde sub 1] ,

wonende te Den Haag,

hierna te noemen: [geïntimeerde sub 1]

3.

[geïntimeerde sub 2] ,

wonende te Den Haag

hierna te noemen: [geïntimeerde sub 2],

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: Govinda c.s.,

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh te Den Haag.

Het verloop van het geding

1.1 Bij exploot van 13 juli 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 9 mei 2012. Bij memorie van grieven heeft hij vijf grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht onder overlegging van 48 producties. Bij memorie van antwoord heeft Govinda c.s. onder overlegging van 13 producties de grieven bestreden.

1.2 Vervolgens hebben partijen op 5 november 2013 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Bosch voornoemd en Govinda c.s. door mr. Gonesh voornoemd alsmede door mr. Bharatsingh, advocaat te Hilversum, aan de hand van overgelegde pleitnotities. Voorafgaand aan de pleidooizitting heeft [appellant] bij brief van mr. Bosch van 2 oktober 2013 productie XLVIII aan het hof en aan de advocaat van Govinda c.s. gezonden. Van het in het geding brengen van die productie wordt aan [appellant] akte verleend. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3 Ten slotte is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die de rechtbank in haar vonnis van 9 mei 2012 onder 2.1 tot en met 2.4 heeft vastgesteld, nu daartegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit.

2.3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Vanaf 1984 dreef [geïntimeerde sub 1] een videotheek en winkel in de vorm van een eenmanszaak. [geïntimeerde sub 1] verkocht in de periode tot 2006 busreizen die werden georganiseerd door Excellent Tours. In 2006 heeft [geïntimeerde sub 1] zijn samenwerking met Excellent Tours beëindigd. Op enig moment in 2006 zijn [appellant] en [geïntimeerde sub 1] gaan samenwerken. Daarbij werden vanuit de videotheek van [geïntimeerde sub 1] busreizen aangeboden aan klanten. [geïntimeerde sub 1] ontving de betalingen van de klanten en betaalde de facturen van de busondernemingen en andere derden; [appellant] boekte de busreizen, de hotelovernachtingen en de toegangskaarten voor pretparken en verrichtte daarnaast ook andere werkzaamheden. Per 1 januari 2007 hebben [geïntimeerde sub 1] en zijn echtgenote, [geïntimeerde sub 2], de vennootschap onder firma Govinda Videocentre V.O.F. opgericht. Eind 2009 is de samenwerking tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellant] beëindigd. Per 1 januari 2010 is de naam van Govinda Videocentre V.O.F. veranderd in Govinda Tours V.O.F.

2.4. [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat [geïntimeerde sub 1] zal worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verdeling van de gemeenschap door [appellant] volledige inzage te verschaffen in de administratie op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, alsmede een verklaring voor recht dat de handelsnaam “Govinda Tours” deel uitmaakt van de te verdelen gemeenschap en voorts dat bij de verdeling van de gemeenschap een vergoeding dient te worden toegekend voor de waarde van de handelsnaam “Govinda Tours” en voor de onder die naam opgebouwde goodwill. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis deze vorderingen afgewezen.

2.5. Na wijziging van eis in hoger beroep vordert [appellant] veroordeling van Govinda c.s. tot betaling van € 201.108,77 althans een in goede justitie te betalen bedrag ten titel van verdeling van de winst over de jaren 2006 tot en met 2009, € 2.500,- althans een in goede justitie te betalen bedrag ten titel van vergoeding van de handelsnaam en betaling van € 89.593,51 althans een in goede justitie te betalen bedrag ten titel van verdeling van de goodwill, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

2.6. [appellant] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat tussen hem en [geïntimeerde sub 1], en later tussen hem enerzijds en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] anderzijds, een “informele” vennootschap onder firma bestond. Met “informele” bedoelt [appellant] kennelijk (memorie van grieven onder 4.2.32 en 4.2.33) dat, hoewel partijen niet bewust een vennootschap onder firma (verder ook: vof) met elkaar zijn aangegaan en er tussen hen geen vennootschapsakte is opgemaakt, tussen hen niettemin een vof tot stand is gekomen, nu die rechtsfiguur gezien de inhoud van hun afspraken het dichtst bij hun feitelijke bedoelingen ligt. [appellant] betoogt verder dat tussen partijen als uitvloeisel van de tussen hen bestaande vof een gemeenschap bestaat. De door [appellant] aangevoerde grieven en zijn vorderingen zijn alle gebaseerd op het bestaan van een gemeenschap die is voortgekomen uit een tussen partijen gesloten overeenkomst van “informele” vennootschap onder firma.

2.7. Govinda c.s. heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van een vof tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde sub 1] (en [geïntimeerde sub 2]) anderzijds. Volgens Govinda c.s. voerde [appellant] regelmatig tegen contante of in natura betaling losse opdrachten voor Govinda c.s. uit en was geen sprake van een andere relatie dan die van opdrachtgever – opdrachtnemer, met de bijbehorende gezagsverhouding.

2.8. Naar het oordeel van het hof kan aan de stellingen van [appellant], ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van het door [appellant] gestelde aangaande de aard en de omvang van zijn werkzaamheden, niet de conclusie worden verbonden dat tussen partijen een vof is ontstaan. Het enkele samenwerken van partijen waarbij beiden werkzaamheden verrichtten als door [appellant] gesteld, is daarvoor onvoldoende. Zo volgt uit de stellingen van [appellant] niet, althans onvoldoende, dat partijen zijn overeengekomen dat zij op – min of meer – voet van gelijkheid een bedrijf zouden gaan uitoefenen, dat het bedrijf onder een gemeenschappelijke naam zou worden uitgeoefend, dat zij gezamenlijk het ondernemingsrisico zouden dragen en dat de winst tussen hen zou worden verdeeld en op welke wijze. Wat dat laatste betreft, stelt [appellant] zelf (memorie van grieven onder 6.2) dat partijen zijn gaan samenwerken zonder duidelijke afspraken te maken over de verdeling van de winst. Verder werd de onderneming kennelijk gedreven onder de naam “Govinda Tours”, deze naam komt voor op de reisfolders, maar [appellant] communiceerde blijkens de overgelegde e-mails onder zijn eigen naam met derden en niet onder de naam Govinda Tours. Dat de figuur van de vof, gezien de tussen partijen gemaakte afspraken, het meest aansluit bij hun bedoelingen, kan dan ook niet worden aangenomen. Dat de beloning die [appellant] voor zijn werkzaamheden volgens de afspraak tussen partijen ontving, bestond uit een gedeelte van de winst, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Ook de beloning van een opdrachtnemer kan in de overeenkomst van opdracht immers worden bepaald op een gedeelte van de winst. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [appellant], nu dit betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, niet tot het oordeel kunnen leiden dat partijen met elkaar een vof zijn aangegaan.

2.9. Overigens zouden de vorderingen van [appellant] evenmin toewijsbaar zijn, indien uit zijn stellingen wel zou kunnen volgen dat partijen een vof zijn overeengekomen. Uit artikel 150 Rv volgt immers dat op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat partijen een vof zijn overeengekomen, nu Govinda c.s. dat voldoende gemotiveerd heeft betwist. Ingevolge artikel 152 lid 1 Rv kan bewijs door alle middelen worden geleverd, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 22 Wetboek van Koophandel (verder: K) houdt in dat tussen de vennoten het bestaan van een vennootschap onder firma alleen kan worden bewezen door een akte. Artikel 22 K heeft dus tot gevolg dat het bewijs van de gestelde vennootschap onder firma tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 1] niet door alle middelen kan worden geleverd maar slechts door een akte. [appellant] heeft echter geen akte in het geding gebracht waaruit het bestaan van een overeenkomst van vennootschap onder firma kan blijken en heeft evenmin in het kader van zijn bewijsaanbod aangevoerd dit bewijs door middel van een schriftelijk stuk zijnde een akte als bedoeld in artikel 22 K te kunnen leveren. Het tot stand komen van een vof tussen partijen zou dus hoe dan ook niet kunnen komen vast te staan.

2.10. Op grond van het voorgaande faalt grief I, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het bestreden vonnis dat geen overeenkomst van vennootschap onder firma tot stand is gekomen. Voor zover [appellant] met grief II ook beoogt op te komen tegen het oordeel dat tussen partijen geen maatschap is overeengekomen, faalt de grief eveneens, nu [appellant] de grief in zoverre niet heeft onderbouwd. Voor zover de grieven II en III, waarmee [appellant] de oordelen van de rechtbank bestrijdt dat er geen te verdelen gemeenschap is ontstaan tussen partijen respectievelijk dat de onderneming niet door [appellant] en [geïntimeerde sub 1] gezamenlijk werd gedreven, op grief I voortborduren, moeten deze het lot daarvan delen.

2.11. Voor zover [appellant] met de grieven II en III tevens betoogt dat moet worden aangenomen dat tussen partijen een gemeenschap bestaat en dat partijen gezamenlijk de onderneming hebben gedreven op grond van het gezag van gewijsde van het tussen partijen in een andere procedure gewezen, onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank ’s Gravenhage van 6 juli 2011, overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft in dat vonnis overwogen:

“4.4 Ten aanzien van de stelling van Govinda Tours V.O.F. c.s. dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door de domeinnaam www.govindatours.nl op zijn naam te registreren en door te linken oordeelt de rechtbank dat Govinda Tours V.O.F. c.s. deze stelling onvoldoende hebben onderbouwd om aan hun stelplicht te voldoen. Aangezien partijen hebben samengewerkt onder de handelsnaam Govinda Tours valt namelijk niet in te zien waarom het enkele registreren van deze domeinnaam op naam van [appellant] tijdens deze samenwerking onrechtmatig zou zijn. Voorts hebben Govinda Tours V.O.F. c.s. niet voldoende toegelicht waarom het doorlinken naar www.qfunk.nl onrechtmatig zou zijn.

(…)

4.6 Partijen hebben gezamenlijk bijgedragen in de kosten van de domeinnaam en de invulling van de daarop te tonen website, nu deze gebruikt zou worden in het kader van de samenwerking. De busreizen die door partijen werden aangeboden, zijn verkocht onder de handelsnaam Govinda Tours. Govinda Tours V.O.F. c.s. handelden al voor de samenwerking met [appellant] onder (handels)namen waarin ‘Govinda’ was opgenomen (zoals Govinda Videocentre). [appellant] heeft daarentegen alleen in het kader van de samenwerking met [geïntimeerde sub 1] en Kalloe gehandeld onder de naam Govinda Tours. De rechtbank acht de vordering van de domeinnaam www.govindatours.nl op grond hiervan, gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, toewijsbaar, met dien verstande dat [appellant] binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis de desbetreffende domeinnaam zal dienen over te dragen. (…)

4.7 Ten aanzien van de vordering te bepalen dat [appellant] stopt met het sturen van sms-berichten naar klanten van Govinda Tours V.O.F. stellen Govinda Tours V.O.F. c.s. dat [appellant] een sms-bericht heeft gestuurd naar het klantenbestand van Govinda Tours V.O.F., waarin hij klanten erop wijst dat zij voortaan bij hem terecht kunnen voor busreizen. Volgens Govinda Tours V.O.F. c.s. heeft [appellant] hiermee onrechtmatig gehandeld, omdat hij zonder toestemming gebruik heeft gemaakt van het klantenbestand van Govinda Tours V.O.F. en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan oneigenlijke concurrentie. De rechtbank overweegt dat het desbetreffende klantenbestand de gegevens bevat van de mensen die gebruik hebben gemaakt van de door partijen gezamenlijk aangeboden busreizen. Dit klantenbestand behoort dan ook niet alleen toe aan Govinda Tours V.O.F., maar ook aan [appellant]. Zonder meer valt niet in te zien dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door deze klanten er na de beëindiging van de samenwerking op te wijzen dat zij voortaan ook terecht konden bij zijn reisbureau. (…)”

Naar het oordeel van het hof betreffen deze beslissingen niet de rechtsbetrekking die thans tussen partijen in geschil is in de zin van artikel 236 Rv. In het onderhavige geding gaat het immers om de vraag of tussen partijen een vof tot stand is gekomen en, in het verlengde daarvan, een gemeenschap die de activa van de onderneming omvat. In het geding waarin het genoemde vonnis is gewezen, ging het – voor zover hier van belang - om de vragen of [appellant] jegens Govinda c.s. onrechtmatig handelde door de domeinnaam www.govindatours.nl tijdens de samenwerking op zijn naam te registreren en door te linken, of Govinda c.s. aanspraak konden maken op overdracht van de domeinnaam en of [appellant] jegens Govinda c.s. onrechtmatig handelde door zonder toestemming van laatstgenoemde gebruik te maken van het klantenbestand. Aan de in dat kader gegeven overwegingen dat partijen hebben samengewerkt onder de handelsnaam Govinda Tours en dat het klantenbestand aan partijen gezamenlijk toebehoort komt derhalve, voor zover die overwegingen al een oordeel zouden inhouden over de vraag of tussen partijen een vof tot stand is gekomen en het al dan niet bestaan van een gemeenschap tussen partijen, geen gezag van gewijsde toe in dit geding. In elk geval bevat het bedoelde vonnis geen beslissing over de activa op verdeling waarvan [appellant] in dit geding aanspraak maakt, te weten de winst, de handelsnaam en de goodwill. De grieven II en III falen (ook) in zoverre.

12.

Grief IV bevat geen zelfstandige klacht en faalt in het voetspoor van de eraan voorafgaande grieven.

13

Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de grieven I tot en met III volgt dat ook de vorderingen van [appellant] zoals in hoger beroep gewijzigd en aangevuld, niet toewijsbaar zijn.

14.

Grief V, die is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg, faalt eveneens.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 mei 2012;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Govinda c.s. tot aan deze uitspraak bepaald op € 666,- aan griffierecht en € 9.789,- voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met de (nog te maken) nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, bij gebreke waarvan de wettelijke rente over de kosten van het geding en de nakosten verschuldigd zal zijn;

- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Rijperman, H.M. Wattendorff en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2013 in aanwezigheid van de griffier.