Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4636

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2013
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
BK 12-00753
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Uit het relaas van belanghebbende blijkt dat hij aansluitend aan het parkeren van de auto onafgebroken bezig is geweest met handelingen die tot doel hadden parkeerbelasting te betalen. Alle met die handelingen gemoeide tijd moet worden gerekend tot de tijd die belanghebbende had moeten worden gegund om parkeerbelasting te betalen. Dat de betaling van parkeerbelasting onder de omstandigheden van dit geval niet is geslaagd, is geen reden voor een ander oordeel. Mitsdien kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/283
Belastingblad 2014/172
FutD 2014-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-12/00753

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak d.d. 9 september 2013

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur Gemeentebelastingen Rotterdam, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012, nummer AWB 11/5227, betreffende de op 14 juli 2011 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 augustus 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de naheffingsaanslag;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op (€ 10,60 plus € 247,50 is) € 258,10;

  • -

    gelast de Inspecteur de in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 156 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1.

Belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht wat er is gebeurd. Het was de hele dag zonnig zomerweer geweest en belanghebbende had een afspraak met iemand in het [A] (hierna: het gebouw) waar hij netjes moest verschijnen. Hij had zijn auto op een parkeerplaats voor het gebouw gezet en voordat hij uitstapte was net een noodweer losgebarsten met extreem veel regen en wind. Belanghebbende is uitgestapt en moest schuilen onder de luifel van het gebouw, circa 15 meter van de plaats waar zijn auto stond. In dit noodweer waren twee parkeercontroleurs bezig met controlewerkzaamheden. Zij waren zodanig gekleed dat zij hun werkzaamheden ongestoord konden voortzetten. Zij gaven te kennen dat belanghebbende de gelegenheid kreeg parkeerbelasting te betalen bij een parkeerautomaat. Hierop is hij naar een parkeerautomaat gelopen. In de harde wind en de stromende regen heeft belanghebbende, die brildragend is, zijn chipkaart in de horizontale gleuf van de parkeerautomaat gestopt, maar bediening van de knoppen op de automaat leidde niet tot resultaat. Het scherm was moeilijk leesbaar door de regen en het water liep via de kaart in de kaartgleuf de automaat in. Dit vergde ongeveer twee minuten, waarna hij met instemming van de parkeercontroleurs naar een andere automaat is gelopen. Ook daar lukte het niet te betalen. Nadat enkele keren een leeg scherm werd getoond en storingsmeldingen, waaronder de meldingen dat onvoldoende saldo op de chipkaart stond, dat sprake was van een storing en dat geprobeerd moest worden bij een andere automaat te betalen, is belanghebbende het gebouw ingegaan om met zijn mobiele telefoon te telefoneren met degene met wie hij de afspraak had, om te informeren of deze hem kon helpen aan een bezoekersparkeerkaart. In verband met de weeromstandigheden kon dit bellen niet buiten plaatsvinden. Hij kreeg echter te horen dat geen bezoekersparkeerkaart beschikbaar was. Vervolgens is belanghebbende onverrichter zake teruggegaan naar zijn auto en is hij van de parkeerplaats weggereden. In totaal waren met de hiervoor beschreven handelingen ongeveer 7 minuten gemoeid. Hij is vervolgens naar een parkeergarage gereden en heeft daarna het geplande bezoek afgelegd.

2.

Nadien heeft hij ontdekt dat zijn chipkaart wel voldoende saldo had (€ 1,50) om parkeerbelasting te betalen.

3.

Het relaas van belanghebbende is ter zitting door de Inspecteur als juist erkend. Niettemin stelt hij zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.

Uit het relaas van belanghebbende blijkt dat hij aansluitend aan het parkeren van de auto onafgebroken bezig is geweest met handelingen die tot doel hadden parkeerbelasting te betalen. Alle met die handelingen gemoeide tijd moet worden gerekend tot de tijd die belanghebbende had moeten worden gegund om parkeerbelasting te betalen. Dat de betaling van parkeerbelasting onder de omstandigheden van dit geval niet is geslaagd, is geen reden voor een ander oordeel. Mitsdien kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven.

5.

Belanghebbende heeft verzocht de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die hij in hoger beroep heeft gemaakt. Deze bedragen € 10,60 aan reiskosten en € 247,50 aan verletkosten. De Inspecteur heeft te kennen gegeven ingeval belanghebbende in het gelijk wordt gesteld bereid te zijn die kosten te vergoeden. Nu deze kosten niet hoger zijn dan ingevolge het Besluit proceskosten mogelijk is, beslist het Hof dienovereenkomstig. Belanghebbende heeft ook gevraagd om vergoeding van proceskosten die in eerste aanleg zijn gemaakt. Hiervan heeft belanghebbende in hoger beroep geen opgave gedaan en de stukken van het geding bevatten hieromtrent geen gegevens, zodat het beloop van die kosten het Hof onbekend is. Om deze reden wordt de Inspecteur niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten bij de rechtbank. Wel dient de Inspecteur belanghebbende de griffierechten te vergoeden die belanghebbende voor deze zaak in eerste aanleg (€ 41) en in hoger beroep (€ 115) heeft betaald.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 9 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog te verstrekken of aan te vullen. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten