Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4617

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
200.109.356/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag: onaanvaardbaar risico dat minderjarigen klem of verloren raken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 oktober 2013

Zaaknummer :

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 11-2057

Zaaknummer rechtbank : 392856

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. D. Vermaat, thans mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het procesverloop in hoger beroep naar zijn tussenbeschikking van 7 november 2012, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking is de raad verzocht onderzoek te verrichten naar de vraag in hoeverre het in het belang is van de minderjarigen dat beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, dan wel of sprake is van een wettelijke grond om de ouders niet gezamenlijk met het gezag te belasten.

De raad heeft bij brief van 17 april 2013 zijn rapport van 16 april 2013 aan het hof overgelegd.

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 27 mei 2013 een brief van diezelfde datum;

  • -

    op 23 augustus 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de raad:

- op 2 mei 2013 een brief van 29 april 2013 met bijlagen.

De mondelinge behandeling is op 4 september 2013 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw E. Donkervoort namens de raad.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is het gezag ten aanzien van de minderjarigen:

- [minderjarige sub 1], geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats] en

- [minderjarige sub 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

(hierna tezamen ook: de minderjarigen).

2.

De raad heeft onderzoek verricht en stelt dat de ouders een ernstig verstoorde relatie hebben. De ouders wantrouwen en diskwalificeren elkaar. De ouders communiceren niet met elkaar en zijn niet in staat op constructieve wijze invulling te geven aan het gezamenlijk voeren van overleg omtrent de minderjarigen. De begeleide bezoeken tussen de vader en de minderjarigen zijn problematisch verlopen en leiden er mede toe dat de minderjarigen door de vader in een loyaliteitsconflict worden gebracht. Bij de raad bestaat de indruk dat de vader het gezamenlijk gezag met name wil verkrijgen om de invloed van de moeder te kunnen beperken. De vader heeft niet kunnen uitleggen waarom gezamenlijk gezag werkelijk in het belang van de minderjarigen is, aldus de raad. De raad stelt dat er pas een mogelijkheid voor gezamenlijk gezag bestaat indien de ouders leren met elkaar te communiceren. Hiervoor is ouderschapsbemiddeling nodig onder leiding van een forensisch mediator. In de huidige situatie bestaat er een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Niet te verwachten is, dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt. De raad acht een beschermingsonderzoek geïndiceerd, maar wil een ouderschapsbemiddeling en het psychologisch onderzoek door het Sophia Kinderziekenhuis van beide minderjarigen afwachten.

3.

De vader is teleurgesteld over het rapport van de raad en stelt dat het onderzoek niet deugdelijk is uitgevoerd. Zo zijn de minderjarigen niet psychologisch onderzocht en is tevens de nieuwe partner van de vader niet geraadpleegd als informant. De vader is van mening dat op basis van dit rapport geen conclusie kan worden getrokken over het gezag. Daarvoor is meer daadwerkelijk onderzoek nodig. De vader is bereid mee te werken aan ouderschapsbemiddeling. Gezamenlijk ouderlijk gezag is nodig om het evenwicht te herstellen en om een opening te bieden voor herstel van het contact tussen de minderjarigen en de vader.

4.

De moeder onderschrijft het rapport van de raad en stelt dat er geen basis is voor een gezamenlijke uitoefening van het gezag. De vader heeft nauwelijks oog voor de belangen van anderen en handelt niet in het belang van de minderjarigen. De vader toont geen inzicht in de behoefte van de minderjarigen en diskwalificeert de moeder in het bijzijn van de minderjarigen. De minderjarigen zijn ernstig beschadigd en moeten worden beschermd en ondersteund. De moeder zal meewerken aan een beschermingsonderzoek. Een traject van ouderschapsbemiddeling acht de moeder niet zinvol aangezien de vader te weinig oog heeft voor de belangen van de moeder en de minderjarigen.

5.

Het hof overweegt als volgt. Naar aanleiding van de overgelegde stukken, de raadsrapportage en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat er op dit moment geen basis bestaat voor een gezamenlijk gezagsuitoefening door beide ouders. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. Tussen partijen is niet in geschil dat de relatie tussen hen ernstig verstoord is. De relatie tussen de ouders verloopt problematisch, waardoor op dit moment iedere basis voor constructief overleg ontbreekt.

6.

Het hof is van oordeel dat het raadsonderzoek voldoende inzicht geeft om tot een gezagsbeslissing te komen en dat daarvoor een deskundigenonderzoek niet nodig is. Zo is uit het onderzoek genoegzaam gebleken dat de ouders op dit moment niet in staat zijn de minderjarigen uit de tussen de ouders bestaande strijd te houden. Nader psychologisch onderzoek of het horen van meerdere informanten zou hierin niet tot een ander oordeel hebben geleid. Uit het onderzoek is gebleken dat er bij zowel de vader als de moeder sprake is van belemmeringen, die een goede gezamenlijke gezagsuitoefening vooralsnog onmogelijk maken. Het hof ziet op dit moment niet dat de door de raad voorgestelde ouderschapsbemiddeling nu vruchten zal afwerpen dan wel tot een andere beslissing zal leiden. Het hof denkt dat de ouders eerst afzonderlijk van elkaar passende hulp nodig hebben voor de problematiek die hen belemmert in hun onderlinge contact en een gezamenlijke gezagsuitoefening. Ter zitting heeft het hof andermaal kunnen constateren dat beide ouders op dit moment vermoedelijk te kampen hebben met zodanige belemmeringen dat die een normaal en adequaat functioneren in de weg lijken te staan. Het hof acht het de verantwoordelijkheid van beide ouders – ten opzichte van de minderjarigen - om zich vervolgens tot een bemiddelaar te wenden. De raad heeft aangekondigd een beschermingsonderzoek in te zullen stellen. Het hof stelt zich voor dat deze hulpvraag daarin kan worden meegenomen, indien de ouders daar zelf nog geen stappen toe hebben gezet.

7.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat er in de huidige situatie een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is, dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt. Dit leidt tot de volgende beslissing.

8.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Mink en Van Wijk, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2013.