Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4607

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
12-00808
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BY1636, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1526, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Ontvankelijkheid hoger beroep. Voordeel uit aanmerkelijk belang. Omkering en verzwaring bewijslast. Interne compensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/487
V-N 2014/15.2.2
FutD 2014-0559
NTFR 2014/1862 met annotatie van mr. R. Marchal
NTFR 2014/1574 met annotatie van mr. E. Alink RB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00808

Uitspraak d.d. 24 september 2013

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans: rechtbank Den Haag; hierna: de rechtbank) van 25 september 2012, nummer AWB 12/943, betreffende na te vermelden navorderingsaanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 met dagtekening 24 oktober 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (de navorderingsaanslag IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.796, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 9 februari 2010 heeft de Inspecteur het bezwaar (ontvangen op 26 november 2009) niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft op 18 maart 2010, bij de rechtbank ontvangen op 22 maart 2010, tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 30 november 2010 met kenmerk AWB 10/2053 het beroep gegrond verklaard en de zaak teruggewezen naar de Inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

1.4. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Het Hof heeft bij uitspraak van 22 november 2011 het principale beroep voor zover betrekking hebbend op de ontvankelijkheid van het bezwaar, ongegrond verklaard. Tevens heeft het Hof het incidenteel ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het Hof heeft voorts de uitspraak van de rechtbank vernietigd, doch enkel voor zover deze ziet op de terugwijzing van de zaak naar verweerder, en de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van de uitspraak van het Hof.

1.5. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voortgezet en bij haar uitspraak van 25 september 2012 het beroep gegrond verklaard, de navorderingsaanslag IB/PVV verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.796 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 483.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.2. Partijen hebben vervolgens ieder een nader stuk ingediend, dat in afschrift is gezonden aan de wederpartij.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 juli 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 2 tot en met 5 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“2. Eiseres exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een administratiekantoor. In het onderhavige jaar was zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [Y] (de echtgenoot).

3.

Eiseres heeft voor het jaar 2006 aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan. In het aangiftebiljet heeft eiseres de vraag, inhoudende of zij samen met de echtgenoot en/of met haar minderjarige kinderen in het jaar 2006 een aanmerkelijk belang bezat, ontkennend beantwoord.

4.

Verweerder heeft naar aanleiding van de aangifte vragen gesteld. In zijn brief van 18 mei 2009 aan eiseres heeft verweerder vermeld voornemens te zijn af te wijken van de aangifte en – onder meer – een bedrag van € 100.000 als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking te willen nemen. In zijn brief van 3 juni 2009 aan eiseres heeft verweerder vervolgens meegedeeld dat hij de correctie ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang wil verhogen tot een bedrag van € 200.000. Met dagtekening 22 juli 2009 is de aanslag IB/PVV 2006 opgelegd zonder rekening te houden met de aangekondigde correcties.

5.

Bij brief van 15 juni 2009 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de aanslag IB/PVV 2006 ten onrechte is vastgesteld zonder verwerking van de aangekondigde correcties. Daarbij heeft hij aangekondigd een navorderingsaanslag te zullen opleggen waarbij het belastbare inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 9.938 en het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt gesteld op € 200.000. Vervolgens is de navorderingsaanslag opgelegd met gedagtekening 24 oktober 2009 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.796 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000.”

3.2.

Voorts zijn in hoger beroep nog de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan:

3.2.1.

De echtgenoot heeft op 24 juni 2005 ten overstaan van een notaris verklaard dat hij alle certificaten bezit in [A] Ltd. N.V. (hierna; de N.V.) gevestigd te Curaçao.

3.2.2.

Op 15 juli 2008 heeft de Belastingdienst/ [Q] van de Britse belastingdienst een renseignement ontvangen dat onder meer als volgt luidt:

“Since I wrote you on 6th June 2008, our investigator has received the financial statements of [B] Ltd for the year ended 31 st December 2006. […]

These financial statements show that [B] Ltd [hierna: de Ltd.] paid dividends of £3,705,000 for the year, the beneficiary of which would be the ultimate holding company, [de N.V.] of the Netherlands Antilles. As you will be aware from earlier correspondence, we have been told by Mr [Y] of the Netherlands that he is beneficial owner of that company.”

3.2.3.

In zijn brief van 12 maart 2009 verzoekt verweerder aan eiseres de jaarrekeningen en jaarverslagen van de N.V. voor 2005 en 2006 te verstrekken. Deze heeft eiseres niet verstrekt.

3.2.4.

In haar brief van 1 april 2010 antwoordt [C] N.V., bestuurder van de N.V., voorzover hier van belang als volgt op een brief van eiseres.

“Zonder partij te willen worden in een geschil tussen U en de Nederlandse belastingdienst en gelet op Uw uitzonderlijke verzoek bevestigen wij dat U niet geregistreerd staat als deelgerechtigde (aandeelhouder) in onze administratie.

Voorts verzocht U, indien mogelijk, om afschriften van jaarrekeningen 2005 en verder van onze organisatie. Helaas kunnen wij aan dit verzoek niet voldoen om reden:

1e. U niet deelgerechtigd bent;

2e. De jaarrekeningen nog goedkeuring behoeven van de Algemene vergadering van Aandeelhouders en derhalve worden aangemerkt als “concept” uitsluitend voor interne doeleinden.

3e. De veronderstelling dat er door onze organisatie “dividend” is uitgekeerd berust op een misverstand. Elke besluitvorming daarom trend kan slechts worden genomen door de Algemene vergadering van Aandeelhouders. Derhalve berichten wij U dat er geen dividendbetalingen in bet verleden hebben plaatsgevonden en zeker niet aan U.”

3.2.5.

Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV is verweerder, zoals aangekondigd in zijn brief van 11 mei 2010, afgeweken van de door eiseres ingediende aangifte. Ter zake van de N.V. heeft verweerder een geschat regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 200.000 in de heffing betrokken. Tevens heeft verweerder het bijdrage-inkomen voor de aanslag ZVW gecorrigeerd.

3.2.7.

Bij de echtgenoot heeft verweerder eveneens een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 200.000 in de heffing betrokken.

3.2.8.

In een brief met dagtekening 24 april 2012 schrijft de “Centre For Exchange of Intelligence” van de Britse Belastingdienst aan de Belastingdienst/[R] onder meer het volgende:

“Both Mr. [D] and Mr [Y] continue to maintain that it is Mr [Y] who owns the shares in [A]. However Mr. [Y] appears to have received no personal benefit from those shares; dividends paid by [B] Ltd to [A] have ultimately been used to satisfy debts of Mr. [D].”

3.2.9.

In een brief met dagtekening 8 januari 1997 schrijft de echtgenoot van belanghebbende namens [A] aan de heer [E] van [B] Limited (hierna: [B]) het volgende:

“Further to our recent discussions in the Netherlands, we officially authorise and instruct you to open additional accounts with various LME brokers enabling us to open additional accounts with various brokers. We do realise that it will not always be possible to open these accounts under [A] and suggest to use [B] whereby [A] will fully guarantee [B] against all losses and consequences. The instruction to trade “non-lead” positions for [A] and “lead” position for [B] will remain unaltered.”

3.2.10.

In een brief met dagtekening 15 maart 2001 schrijft de echtgenoot van belanghebbende namens [A] aan de heer [E] van [B] het volgende:

“We have noted your concerns regarding the current LME losses and agree with your view to close all of the LME trade positions in the best possible manner and consolidate the losses. As discussed earlier, all losses are for the account of [A] and need to be dealt with as such.”

3.2.11.

De Inspecteur heeft geen gebruik gemaakt van de op grond van artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk en de op grond van artikel 29 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België bestaande mogelijkheden inlichtingen in te (doen) winnen en nader onderzoek te (doen) verrichten.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur ontvankelijk is in zijn hoger beroep, of de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, of bij belanghebbende terecht een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 200.000 in de heffing is betrokken en of een beroep op interne compensatie gedaan kan worden in verband met ten onrechte niet in de aanslag begrepen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, zoals de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist. Voorts is in incidenteel hoger beroep in geschil of er aanleiding bestaat tot vergoeding van immateriële schade en of belanghebbende recht heeft op een werkelijke proceskostenvergoeding.

4.2.1. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij tijdig in hoger beroep is gekomen.

4.2.2. Ten aanzien van het voordeel uit aanmerkelijk belang stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de echtgenoot het volledige belang houdt in [A] Limited N.V. te Curaçao (hierna: [A]) en dat deze vennootschap het volledige belang houdt in [B], welke laatste vennootschap gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk. [B] heeft in 2006 een dividend uitgekeerd aan [A] groot £ 3,705,000. De Inspecteur stelt dat aannemelijk is dat van dit door [A] ontvangen dividend een bedrag groot € 400.000 in 2006 ten titel van dividend is uitgekeerd aan de echtgenoot. Aangezien belanghebbende en de echtgenoot fiscale partners zijn in het jaar 2006, het voordeel uit aanmerkelijk belang een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is en zij beiden voor het jaar 2006 geen keuze hebben gemaakt ter verdeling van het voordeel uit aanmerkelijk belang, de wettelijke verdeling van toepassing is, zodat belanghebbende in haar aangifte voor het jaar 2006 een voordeel uit aanmerkelijk belang had behoren aan te geven van € 200.000. Belanghebbende heeft dit niet gedaan hetgeen, gelet op de met het niet aangegeven belastbaar inkomen gemoeide belastingbedrag, leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.2.3. Voorts stelt de Inspecteur dat belanghebbende en haar partner over eigen vermogen moeten beschikken, aangezien zij in 2011 een huis in België hebben gekocht en laten verbouwen zonder dat is gebleken van een daarmee samenhangende financiering door derden. De Inspecteur stelt het eigen vermogen op € 3.000.000. Ook ten aanzien van dit belastbaar inkomen is de vereiste aangifte niet gedaan.

4.2.4. De Inspecteur baseert de omkering en verzwaring van de bewijslast voorts op de stelling dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de wettelijke inlichtingenplicht. Daartoe voert de Inspecteur aan dat belanghebbende niet heeft gereageerd op een vragenbrief van 12 maart 2009 en een rappelbrief van 8 april 2009.

4.3.1. Belanghebbende acht de Inspecteur niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Weliswaar heeft de Inspecteur binnen de wettelijke termijn van zes weken een hoger beroepschrift ingediend en daarbij om uitstel van motivering verzocht, maar het hoger beroep uiteindelijk niet binnen een door het Hof gestelde termijn nader gemotiveerd.

4.3.2. Ten aanzien van het door de Inspecteur in aanmerking genomen voordeel uit aanmerkelijk belang stelt belanghebbende zich op het standpunt dat haar echtgenoot geen aanmerkelijk belang bezit, althans dat zij daar niet van op de hoogte is. Belanghebbende bezit zelf geen aandelen zodat zij geen houdster van een aanmerkelijk belang is. Voorts heeft [A] in het jaar 2006 geen dividend uitgekeerd aan haar echtgenoot althans is haar van een dividendbetaling door [A] aan haar echtgenoot niets bekend. Integendeel, blijkt uit een door belanghebbende in het geding gebrachte verklaring van de bestuurder van [A] dat de vennootschap in 2006 geen dividend heeft uitgekeerd.

4.3.3. Belanghebbende betwist voorts dat zij en haar fiscale partner in het onderhavige jaar over het door de Inspecteur gestelde vermogen beschikken. Belanghebbende stelt dat zij en haar partner in het geschiljaar niet over vermogen hebben beschikt dat uitgaat boven de voor het jaar geldende vrijstelling.

4.3.4. Belanghebbende stelt dan ook dat er geen grond is voor omkering en verzwaring van de bewijslast. Daartoe is ook geen reden aangezien belanghebbende wel aan de wettelijke inlichtingenplicht heeft voldaan. Zo stelt belanghebbende met haar brief van 24 april 2009 te hebben gereageerd op de vragen- en rappelbrieven van de Inspecteur van respectievelijk 12 maart en 8 april 2009.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof voorts naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2. Belanghebbende concludeert, althans primair, tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft in haar uitspraak - voor zover thans nog relevant - het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende en de Inspecteur aanduidt met respectievelijk eiseres en verweerder:

“Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang ten bedrage van € 200.000

15.

Eiseres heeft gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 12 oktober 2011, nrs. AWB 11/586 en AWB 11/587, inzake de aan haar opgelegde aanslag IB/PVV 2007, terwijl verweerder heeft gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 9 februari 2012, nrs. AWB 11/586 en AWB 11/587, inzake de aan de echtgenoot opgelegde aanslag IB/PVV 2007. Uit deze uitspraken, in onderlinge samenhang bezien, blijken met betrekking tot de correctie ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang de volgende feiten.

- Op 15 juli 2008 heeft de Britse belastingdienst in het kader van spontane gegevensuitwisseling informatie verstrekt aan de Belastingdienst/[Q] die onder meer als volgt luidt:

“Since I wrote to you on 6th June 2008, our investigator has received the financial statements of [de Ltd., zie hierna] for the year ended 31st December 2006. […]

These financial statements show that [de Ltd.] paid dividends of £3,705,000 for the year, the beneficiary of which would be the ultimate holding company, [de NV, zie hierna] of the Netherlands Antilles. As you will be aware from earlier correspondence, we have been told by [de echtgenoot] of the Netherlands that he is beneficial owner of that company.”

- Het voormelde bedrag van £ 3.705.000 vertegenwoordigde ten tijde van de dividenduitkering, omgerekend naar een wisselkoers van 0,66845, een waarde van ruim € 5.500.000.

- Uit de gegevensverstrekking van de Britse fiscus met betrekking tot de echtgenoot volgt verder dat de echtgenoot op 24 juni 2005 ten overstaan van een notaris heeft verklaard dat hij alle certificaten bezit in [A] Ltd. NV (de NV) gevestigd te Curaçao.

- Bij brief van 12 maart 2009 heeft verweerder eiseres verzocht de jaarrekeningen en jaarverslagen van de NV voor 2005 en 2006 te verstrekken. Deze heeft eiseres niet verstrekt.

- In haar brief van 1 april 2010 antwoordt [C] NV, bestuurder van de NV, voor zover hier van belang als volgt op een brief van eiseres.

“Zonder partij te willen zijn of te worden in een geschil tussen U en de Nederlandse belastingdienst en gelet op Uw uitzonderlijke verzoek bevestigen wij dat U niet geregistreerd staat als deelgerechtigde (aandeelhouder) in onze administratie.

Voorts verzocht U, indien mogelijk, om afschriften van jaarrekeningen 2005 en verder van onze organisatie. Helaas kunnen wij aan dit verzoek niet voldoen om reden:

1e. U niet deelgerechtigd bent;

2e. De jaarrekeningen nog de goedkeuring behoeven van de Algemene vergadering van Aandeelhouders en derhalve worden aangemerkt als “concept” uitsluitend voor interne doeleinden.

3e. De veronderstelling dat er door onze organisatie “dividend” is uitgekeerd berust op een misverstand. Elke besluitvorming daarom trend kan slechts worden genomen door de Algemene vergadering van Aandeelhouders. Derhalve berichten wij U dat er geen dividendbetalingen in het verleden hebben plaatsgevonden en zeker niet aan U.”

- In zijn brief van 1 september 2011 aan de NV heeft de managing director van [B] Ltd (de Ltd.) het volgende geschreven:

“As requested I hereby send you the current account balances between [de NV] and [de Ltd.] as per:

31 December 2005- £3,705,315.82 in favor of [de Ltd.]

31 December 2006- £3,705,315.82 in favor of [de Ltd.]

31 December 2007- £315,82 in favor of [de Ltd.]”

- Bij het vaststellen van de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor 2006 heeft verweerder zowel bij eiseres als bij de echtgenoot een geschat regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 200.000 in de heffing betrokken. Hierbij is verweerder ervan uitgegaan dat de NV jaarlijks een bedrag van ongeveer 10% van de door haar ontvangen dividenduitkering als dividend uitkeert aan de echtgenoot in zijn hoedanigheid van uiteindelijk gerechtigde, waarvan op grond van artikel 2.17, derde lid, Wet IB 2001 de helft aan eiseres dient te worden toegerekend.

16.

Gelet op de omstandigheid dat partijen de onder 15 genoemde uitspraken zelf in het geding hebben gebracht en zij verder in dit verband geen andersluidende feiten hebben aangedragen of omstandigheden hebben aangevoerd, houdt de rechtbank het ervoor dat aan de onderhavige correctie ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang in zoverre hetzelfde feitencomplex als onder 15 weergegeven ten grondslag ligt. Daar van uitgaande overweegt de rechtbank met betrekking tot de correctie ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang het volgende.

17.

Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat eiseres in 2006 een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met al hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de NV in 2006 aan de echtgenoot een dividend van € 400.000 heeft uitgekeerd. Uit het feit dat de NV een dividend heeft ontvangen en de echtgenoot, althans in 2005, certificaten hield in de NV volgt niet dat er in 2006 een uitdeling van winst aan de echtgenoot heeft plaatsgevonden. Reeds om die reden acht de rechtbank de toerekening van de helft van de veronderstelde uitkering aan eiseres tot een bedrag van € 200.000 niet terecht. Dit betekent dat de correctie ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000 moet komen te vervallen. Het gelijk is in zoverre aan eiseres.

18.

De rechtbank acht de uitkomst van de procedure van de echtgenoot over 2007, waarbij de correctie ter zake van het inkomen uit aanmerkelijk belang door de rechtbank is gehandhaafd, voor de onderhavige zaak niet van belang, omdat in de procedure van de echtgenoot het inkomen uit aanmerkelijk belang voor een ander jaar is vastgesteld en – anders dan hier het geval is – met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast.

19.

Gelet op het vorenoverwogene dient de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.796.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De Inspecteur heeft tijdig pro forma hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en zijn hoger beroep vervolgens tijdig gemotiveerd zodat de Inspecteur ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

7.2. De Inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat er reden is het beroep bij de rechtbank ongegrond te verklaren tenzij belanghebbende overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De Inspecteur stelt daartoe dat belanghebbende noch de vereiste aangifte heeft gedaan, noch aan de wettelijke inlichtingenplicht heeft voldaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, ligt het dan eerst op de weg van de Inspecteur aannemelijk te maken dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan dan wel niet aan de wettelijke inlichtingenplicht heeft voldaan. De Inspecteur is hier niet in geslaagd, zodat voor omkering en verzwaring van de bewijslast geen plaats is. Daartoe overweegt het Hof als volgt.

7.3. In hoger beroep herhaalt de Inspecteur de in eerste aanleg voor de rechtbank betrokken stelling dat het in het jaar 2006 door [B] aan [A] uitgekeerde dividend groot £ 3,705,000 aannemelijk maakt dat tien percent hiervan in het jaar 2006 als dividend is uitgekeerd aan de echtgenoot van belanghebbende. Volgens de Inspecteur is het dan aan belanghebbende om het tegendeel aannemelijk te maken omdat, zo begrijpt het Hof de Inspecteur, belanghebbende de meest gerede partij is om het bewijs te leveren. In hoger beroep heeft de Inspecteur hier nog aan toegevoegd dat belanghebbende en haar echtgenoot in het jaar 2011 een woning in België hebben gekocht. Voor deze woning is op 27 april 2011 een bouwvergunning aangevraagd. De Inspecteur schat de voor de aanschaf en verbouwing van voormelde woning benodigde geldmiddelen op € 2.000.000. Van een hypothecaire lening ten behoeve van de verkrijging en verbouwing van de woning is de Inspecteur niets gebleken, terwijl de opbrengst van de voormalige echtelijke woning in [Z], na aftrek van de hypothecaire schuld, ongeveer € 60.000 moet hebben bedragen. Aangezien de Inspecteur het voorts onwaarschijnlijk acht dat belanghebbende en haar echtgenoot alle beschikbare geldmiddelen voor de woning in België hebben ingezet, schat de Inspecteur het eigen vermogen van belanghebbende en haar echtgenoot in 2011 op € 3.000.000. Voor het geval de door de Inspecteur op de aangifte aangebrachte correctie ter zake van een voordeel uit aanmerkelijk belang niet in stand blijft, stelt de Inspecteur een voordeel uit sparen en beleggen, te baseren op het door hem geschatte vermogen van, naar het Hof begrijpt, de aan belanghebbende toe te rekenen helft van voormelde € 3.000.000 is € 1.500.000. In dit kader beroept de Inspecteur zich op interne compensatie. Ook hier stelt de Inspecteur dat het aan belanghebbende is om het tegendeel aannemelijk te maken.

7.4. Bij de beoordeling van het geschil over de door de Inspecteur gestelde voordelen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen heeft, behoudens bijzondere omstandigheden, als bewijsregel te gelden dat op de Inspecteur de last rust feiten en/of omstandigheden aannemelijk te maken die het rechtsgevolg van belastbare voordelen kunnen dragen. Dit is anders ingeval de Inspecteur stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hem geen mogelijkheden ten dienste staan het van hem verlangde bewijs te leveren en belanghebbende de meest gerede partij is om bewijs bij te brengen. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur mogelijkheden ten dienste staan om bewijs bij te brengen van de door hem gestelde voordelen. Zo heeft de Inspecteur op grond van artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk de mogelijkheid zodanige inlichtingen in te winnen als nodig zijn om uitvoering te geven aan de wetgeving van Nederland.

Voorts kunnen de bevoegde autoriteiten van de landen voor bijzondere gevallen overeenkomen dat ambtenaren van de belastingdienst van een van de landen op het grondgebied van het andere land aanwezig mogen zijn bij een door het aangezochte land in te stellen onderzoek. Voorts heeft de Inspecteur op grond van artikel 29 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België de mogelijkheid inlichtingen in te (doen) winnen en nader onderzoek te verzoeken. De Inspecteur, zo heeft hij desgevraagd ter zitting nog bevestigd, heeft geen van deze mogelijkheden benut. Gelet hierop brengt een redelijke bewijslastverdeling met zich mee dat op de Inspecteur de last rust zijn correctie op het inkomen uit aanmerkelijk belang en op het inkomen uit sparen en beleggen aannemelijk te maken.

7.5. Voor omkering van de bewijslast acht het Hof geen termen aanwezig. De Inspecteur is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke inlichtingplicht heeft voldaan. Zo heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat zij met haar brief van 24 april 2009 inhoudelijk heeft gereageerd op de vragenbrief van de Inspecteur. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende in de door hem bedoelde vragenbrieven niet gewezen op de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en evenmin op de (dreigende) sanctie van omkering van de bewijslast. Voor omkering van de bewijslast wegens het niet-voldoen van ingevolge artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op belanghebbende rustende verplichtingen acht het Hof dan ook geen termen aanwezig.

7.6. Ook overigens heeft de Inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot het rechtsgevolg van omkering en verzwaring van de bewijslast moeten leiden. Voorts volgt uit het hiernavolgende dat de Inspecteur niet heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende bij aangifte (bewust) een verhoudingsgewijs en absoluut omvangrijk bedrag aan inkomen niet heeft aangegeven.

7.7. Naar ’s Hofs oordeel is de Inspecteur niet erin geslaagd het van hem verlangde bewijs ter zake van de door hem verdedigde inkomenscorrecties te leveren. Daartoe overweegt het Hof nog als volgt.

7.8. Anders dan de Inspecteur meent, is het zonder nader bewijs niet aannemelijk dat het enkele feit van het door [B] aan [A] in het jaar 2006 uitgekeerde dividend met zich meebrengt dat dit dividend geheel of gedeeltelijk aan de echtgenoot van belanghebbende is uitgekeerd en/of aan hem ten goede is gekomen. De Inspecteur heeft dit nadere bewijs niet bijgebracht. Integendeel, op grond van de onder 3.2.8. tot en met 3.2.10 van de vaststaande feiten genoemde brieven, in onderlinge samenhang bezien, zou kunnen worden verondersteld dat het in het jaar 2006 door [B] aan [A] uitgekeerde dividend door [A] (mede) is aangewend om de voor haar rekening en risico gekomen lasten uit de termijntransacties op naam van [E] rechtstreeks aan hem te vergoeden. Ook voor het vaststellen van een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang, zoals de Inspecteur thans nog stelt, heeft de Inspecteur onvoldoende aannemelijk gemaakt.

7.9. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in 2011 een huis in België gekocht dat, blijkens een aanvraag voor een bouwvergunning, vervolgens wordt verbouwd. Zonder in België onderzoek te doen uitvoeren naar de verkrijging en de koopprijs van de woning, naar de aanneemsom van de verbouwing en naar een eventuele woningschuld, schat de Inspecteur de door belanghebbende en haar echtgenoot aan de koop en verbouwing bestede geldmiddelen op € 2.000.000. Daarbij neemt de Inspecteur ook nog aan dat belanghebbende en haar echtgenoot niet alle hen ter beschikking staande geldmiddelen zullen hebben aangewend voor de koop en de verbouwing en telt op basis van deze veronderstelling nog eens een bedrag groot € 1.000.000 bij voormeld bedrag en komt aldus op een verondersteld aanwezig vermogen van in totaal € 3.000.000. Zelfs als het Hof uitgaat van de juistheid van de aankoop van een huis en een verbouwing in het jaar 2011, brengt dit zonder nader bewijs, dat ontbreekt, nog niet met zich mee dat en in hoeverre belanghebbende en/of haar echtgenoot een en ander uit eigen middelen hebben gefinancierd. Hieruit en uit het tijdsverloop tussen het jaar 2006 en 2011 volgt voorts dat de aankoop van het huis en de verbouwing niet dwingend tot de conclusie leiden dat in 2006 het door de Inspecteur gestelde dividend aan de echtgenoot van belanghebbende is uitgekeerd. Uit vorenstaande volgt voorts dat de Inspecteur niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast ten aanzien van de door hem bij nader stuk gestelde correctie van het inkomen uit sparen en beleggen.

7.10. Belanghebbende maakt in hoger beroep aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en - naar het Hof verstaat - dientengevolge veroorzaakt psychisch leed. Het Hof wijst dat verzoek af, aangezien de termijn die met de beslechting van het onderhavige geschil gemoeid is geweest, beoordeeld vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tot en met de datum waarop het Hof de onderhavige uitspraak doet, niet onredelijk lang is.

7.11. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat moet worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.770 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2,5 punten à € 472 x 1,5 (gewicht van de zaak)).Voor een hogere vergoeding, zoals in incidenteel hoger beroep door belanghebbende verzocht, acht het Hof, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, geen termen aanwezig.

8.2. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Staat der Nederlanden een griffierecht geheven van € 466.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank,

- veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten van € 1.770,

- gelast dat van de Staat een griffierecht wordt geheven van € 466.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.C. van der Vegt en H. Pijl, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 24 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.