Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4596

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
13-00488
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:4755, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De inspecteur heeft er ten onrechte van afgezien belanghebbende in de bezwaarfase te horen. Terugwijzing zaak naar inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/124
V-N 2014/9.19.12
FutD 2014-0141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

Meervoudige kamer

Nummer BK-13/00488

Uitspraak d.d. 19 november 2013

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2013, nummer SGR 12/10622, betreffende na te vermelden beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 14 juni 2012 voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van nihil en is bij afzonderlijke beschikking een verzuimboete van € 226 opgelegd.

1.2. Belanghebbende heeft op 26 juli 2012 15 november 2010 (op dezelfde datum door de Inspecteur ontvangen) bezwaar gemaakt tegen de opgelegde verzuimboete. Bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2012 heeft de Inspecteur de verzuimboete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 42. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Er is een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 oktober 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank onder 1 tot en met 6 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“1. In februari 2011 heeft verweerder eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2010. Hierbij heeft verweerder aan eiser verzocht vóór 1 april 2011 de aangifte in te dienen. Eiser heeft meerdere malen verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. Deze verzoeken heeft verweerder gehonoreerd. Het laatste verleende uitstel eindigde op 1 december 2011.

2.

Vanwege het uitblijven van de aangifte heeft verweerder aan eiser op 28 december 2011 een herinnering gezonden en op 31 januari 2012 een aanmaning. In de aanmaning werd een termijn gesteld die eindigde op 14 februari 2012.

3.

Verweerder heeft op 2 april 2012 per post van eiser de aangifte IB/PVV over het jaar 2010 (hierna: de aangifte) ontvangen. De aangifte was gedagtekend 1 april 2011.

4.

Met dagtekening 14 juni 2012 heeft verweerder de aanslag IB/PVV voor 2010 conform de aangifte van eiser vastgesteld. Daarbij heeft verweerder een verzuimboete opgelegd van € 226 (hierna: de verzuimboete).

5.

Eiser heeft bij brief van 26 juli 2012 bezwaar gemaakt tegen de verzuimboete. In de motivering van dit bezwaarschrift die eiser op 5 september 2012 verzond, verzoekt eiser te worden gehoord indien verweerder niet volledig aan de gronden van het bezwaar tegemoet komt.

6.

In zijn brief van 12 september 2012 heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat hij van plan is het bezwaarschrift af te wijzen. Met betrekking tot het verzoek van eiser op gehoord te worden heeft verweerder het volgende vermeld:

“Mondelinge toelichting

Voordat ik definitief uitspraak doe op uw bezwaar, stel ik u in de gelegenheid om gehoord te worden. Ik verzoek u vóór 26 september 2012 te reageren. Hiervoor kunt u met mij telefonisch contact opnemen. Als ik van u geen reactie ontvang, ga ik ervan uit dat u afziet van de mogelijkheid om gehoord te worden en doe ik definitief uitspraak op uw bezwaar. Mijn doorkiesnummer vindt u rechtsboven in deze brief.”

Eiser heeft niet gereageerd op deze brief. Bij uitspraak van 5 oktober 2012 heeft verweerder het bezwaar afgewezen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de verzuimboete terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of het aan belanghebbende is te wijten dat de Inspecteur pas op 2 april 2012 de aangifte heeft ontvangen en of de Inspecteur er terecht vanaf heeft gezien belanghebbende in de bezwaarfase te horen.

4.2.1. Belanghebbende stelt dat zijn gemachtigde heeft getracht het aangiftebiljet begin februari 2012 tegen een bewijs van ontvangst in te dienen aan de balie van het kantoor van de Inspecteur. Het aangiftebiljet is echter geweigerd omdat het biljet ingezonden dient te worden aan de Eenheid Centrale verwerking in Heerlen. Gemachtigde van belanghebbende heeft het aangiftebiljet vervolgens per post verzonden naar het op het aangiftebiljet vermelde adres in Heerlen. Medio maart 2012 bleek uit telefonisch door gemachtigde van belanghebbende ingewonnen informatie dat het aangiftebiljet niet was ontvangen. Gemachtigde heeft vervolgens nogmaals een aangiftebiljet ingezonden dat op 2 april 2012 door de Belastingdienst is ontvangen. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur het recht om een verzuimboete op te leggen verliest doordat hij de ontvangst van het aangiftebiljet aan de balie van zijn kantoor tegen een bewijs van ontvangst heeft geweigerd. De verzuimboete dient dan ook te worden vernietigd.

4.2.2. Voorts stelt belanghebbende ten onrechte niet te zijn gehoord in de bezwaarfase. Hij heeft in de bezwaarprocedure verzocht gehoord te worden. Weliswaar heeft de Inspecteur in zijn brief van 12 september 2012 gemeld dat belanghebbende telefonisch contact op kan nemen als hij gehoord wil worden en heeft belanghebbende daar niet op gereageerd, maar dit maakt het niet horen niet rechtmatig. Immers in zijn brief van 5 september 2012 aan de Inspecteur heeft belanghebbende al ondubbelzinnig doen weten dat hij wenste te worden gehoord, tenzij de Inspecteur volledig tegemoet zou komen aan de gronden van het bezwaarschrift. Door (de gemachtigde van) belanghebbende niet te horen heeft de Inspecteur onrechtmatig gehandeld. Belanghebbende verzoekt terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur en vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, waarbij belanghebbende voor de hoogte van de proceskostenvergoeding verzoekt uit te gaan van een wegingsfactor 0,5.

4.3.1. De Inspecteur stelt dat belanghebbende wel degelijk in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Bij het voornemen tot afwijzing van het bezwaarschrift is belanghebbende in de gelegenheid gesteld telefonisch een afspraak te maken te worden gehoord. Belanghebbende heeft daar geen gebruik van gemaakt.

4.3.2. Ter zake van de verzuimboete stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat aan de in de wet opgenomen verplichting tijdig aangifte te doen niet is voldaan. Ook niet na de op 28 december 2011 verzonden herinnering en de op 31 januari 2012 gezonden aanmaning waarbij belanghebbende alsnog de gelegenheid werd geboden de aangifte voor 14 februari 2012 in te dienen. De Inspecteur betwist uitdrukkelijk dat geweigerd is het aangiftebiljet aan de balie van het kantoor van de Inspecteur in ontvangst te nemen. Een aan de balie aangeboden aangiftebiljet wordt altijd in ontvangst genomen en door de medewerker van het belastingkantoor voorzien van een stempel met de datum van binnenkomst. Het is niet gebruikelijk voor elke aangifte een aparte ontvangstbevestiging uit te reiken. Aangezien niet is gebleken dat belanghebbende tijdig aangifte heeft gedaan, is terecht en tot de juiste hoogte een verzuimboete opgelegd. Van afwezigheid van alle schuld is niet gebleken. Overigens merkt de Inspecteur op dat belanghebbende ook voor de jaren 2008 en 2009 een verzuimboete van € 226 is opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Voor het jaar 2009 is deze boete later vernietigd, omdat belanghebbende er niet van op de hoogte was dat hij aangifteplichtig was. Voor het jaar 2010 speelt dit niet.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en gegrondverklaring van het beroep.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“Verwijtbaarheid

10.

In artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in samenhang gelezen met artikel 9, derde lid, van die wet is bepaald dat de inspecteur een verzuimboete kan opleggen van ten hoogste € 4.920 indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan. Daarbij legt de inspecteur ingevolge § 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) een verzuimboete op van € 226. Ter zake van een aangifteverzuim bij de inkomstenbelasting legt de inspecteur krachtens § 21, zesde lid, onderdeel a, BBBB een verzuimboete op van € 984 (20% van € 4920) indien er sprake is van een tweede of volgend achtereenvolgend verzuim.

11.

Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser eerst aangifte IB/PVV heeft gedaan nadat de in de aanmaning vermelde termijn van 14 februari 2012 was verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd. Verweerder heeft een aangiftebiljet overgelegd dat hij op 2 april 2012 heeft ontvangen. De stelling van eiser dat hij reeds in februari 2012 een aangiftebiljet per post aan de Centrale verwerkingseenheid in Heerlen heeft gezonden, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft eiser de datum waarop hij het door hem gestelde aangiftebiljet heeft ingediend ook niet nader gespecificeerd. Indien inderdaad in februari 2012 een aangiftebiljet zou zijn verzonden, kan dit dus evengoed na 14 februari 2012 zijn geweest.

12.

Het beroep van eiser op afwezigheid van alle schuld faalt. Eiser dient op de in de aangiftebrief voorgeschreven wijze aangifte te doen (zie artikel 8, eerste lid, onderdeel a, Awr, in samenhang gelezen met artikel 20, eerste lid, Uitvoeringsregeling Awr). In dit geval houdt dat in dat het ingevulde papieren aangiftebiljet per post verzonden diende te worden naar de Centrale verwerkingseenheid (Antwoordnummer 2180, 6400 XK) in Heerlen. Indien eiser de aangifte om hem moverende redenen aanbiedt op een ander belastingkantoor, daarbij een ontvangstbevestiging verlangt en de aangifte niet inlevert omdat die bevestiging niet wordt afgegeven, dient dit voor rekening van eiser te blijven.

13.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in verzuim was en dat verweerder derhalve terecht de verzuimboete heeft opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde verzuimboete tevens passend en geboden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat eiser bij het indienen van de aangiften IB/PVV voor 2008 en 2009 eveneens in verzuim was en dat verweerder niettemin een verzuimboete heeft opgelegd van € 226, dus naar een eerste verzuim en niet naar een tweede of derde verzuim, want dan zou de boete € 984 hebben bedragen conform de hiervoor onder 10. genoemde § 21, zesde lid, onderdeel a, BBBB.

Hoorplicht

14.

In artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift in stand kan worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld.

15.

Naar het oordeel van de rechtbank is toepassing van deze bepaling met betrekking tot het achterwege laten van een hoorgesprek in de bezwaarprocedure op zijn plaats. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser in beroep alsnog zijn bezwaar tegen de verzuimboete mondeling heeft kunnen toelichten en derhalve niet is benadeeld doordat in de bezwaarprocedure geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser niet heeft gereageerd op het hiervoor onder 6. genoemde verzoek van verweerder om een afspraak te maken voor een hoorgesprek.”

Beoordeling van het hoger beroep

Hoorplicht

7.1. Aangezien belanghebbende in de nadere motivering van het bezwaar bij brief van 5 september 2012 te kennen had gegeven door de Inspecteur te willen worden gehoord, mocht de Inspecteur uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op het in de brief van 12 september 2012 schriftelijk aan belanghebbende gedane verzoek om binnen 14 dagen te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand deed van het recht om te worden gehoord. De Inspecteur had belanghebbende kunnen uitnodigen op een door hem vastgesteld tijdstip en plaats. Aangezien omtrent de vaststelling en waardering van de feiten verschil van mening bestond tussen belanghebbende en de Inspecteur kon het in de bezwaarfase horen van belanghebbende door de Inspecteur een functie hebben naast de mogelijkheid van een onderzoek ter zitting in beroep en hoger beroep. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de zaak behandeld in plaats van deze terug te wijzen naar de Inspecteur (zie HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, BNB 2009/169).

7.2. Bovendien stelt het Hof vast dat de rechtbank uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij overweegt dat belanghebbende door het niet horen in de bezwaarfase niet is benadeeld omdat hij in beroep alsnog zijn bezwaar tegen de verzuimboete mondeling heeft kunnen toelichten. Indien voor de rechtbank wordt aangevoerd dat niet op de juiste wijze is gehoord op bezwaar, kan aan dat gebrek met toepassing van art. 6:22 Awb in de uitspraak worden voorbijgegaan als belanghebbende niet is benadeeld, maar de rechtbank moet dan wel motiveren waarom dat het geval is. De enkele redengeving dat het gebrek reeds is hersteld doordat de belanghebbende zijn bezwaren in beroep heeft kunnen toelichten is daarvoor niet toereikend. Dat kan anders zijn indien de rechtbank tevens vaststelt dat omtrent de feiten tussen de inspecteur en de belanghebbende (uiteindelijk) geen verschil van mening meer bestaat en de inspecteur terzake geen beleidsvrijheid heeft (zie HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267). Hiervan is niets gebleken.

7.3. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en zal het Hof doen wat de rechtbank had behoren te doen, te weten de zaak terugwijzen naar de Inspecteur teneinde belanghebbende te horen.

Proceskosten

8.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 944 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en het Hof (4 punten à € 472 x 0,5 (gewicht van de zaak).

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar,

  • -

    wijst de zaak terug naar de Inspecteur ter verdere behandeling van de zaak met inachtneming van deze uitspraak,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944,

  • -

    gelast de Staat aan belanghebbende het door deze in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden ten bedrage van € 160 (42 + 118).

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 19 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.