Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4591

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
22-002679-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging afpersing door een pand binnen te dringen en een tweetal aldaar aanwezige personen te dwingen tot het afgeven van geld door uitoefening van geweld of door dreiging met geweld. Blijkens hun verklaringen, afgelegd tegenover de politie, waren beiden op dat moment als nachtwacht/dagwacht werkzaam bij de Stichting Pameijer.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

12 (twaalf) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002679-13

Parketnummer: 10-741081-13

Datum uitspraak: 18 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1971,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ter lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

4 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een gebiedsverbod, reclasseringstoezicht, het deelnemen aan een gedragsinterventie en het ondergaan van een ambulante behandeling. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, telkens met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 maart 2013 te Hellevoetsluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of sleutel(s), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- met kracht open duwen van de (toegangs)deur en/of

- ( vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal aan die [benadeelde partij 1] toevoegen van de woorden "Geld, geld, ik moet geld hebben" en/of "Ik moet geld, ik moet geld anders komen jullie in moeilijkheden en gebeuren er hele rare dingen" en/of

- slaan/stompen op/tegen het gezicht, althans het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of

- houden van zijn hand in diens jaszak alsof het een pistool was en/of

- schoppen/trappen op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of - meerdere malen, althans eenmaal aan die [benadeelde partij 2] toevoegen van de woorden "Geld! Pinpas! en/of "Geef je sleutels! Hier die sleutels"

- slaan/stompen op/tegen de hals, althans het lichaam van die [benadeelde partij 2] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan.

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging afpersing door een pand binnen te dringen en een tweetal aldaar aanwezige personen te dwingen tot het afgeven van geld door uitoefening van geweld of door dreiging met geweld. Blijkens hun verklaringen, afgelegd tegenover de politie, waren beiden op dat moment als nachtwacht/dagwacht werkzaam bij de Stichting Pameijer. De verdachte heeft door zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers en hen gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd. De verdachte heeft zich kennelijk uitsluitend laten leiden door financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als het onderhavige in de regel nog geruime tijd last hebben van de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. In dit verband wijst het hof op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaringen, waaruit naar voren komt dat de slachtoffers tot op de dag van vandaag lijden onder de gevolgen van het onderhavige feit.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2013, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van forse geweldsdelicten en gekwalificeerde vermogensdelicten tot gevangenisstraffen van enige duur. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Voorts neemt het hof in aanmerking het reclasseringsadvies van Bouman GGZ d.d. 31 mei 2013, opgesteld en ondertekend door M.C. Molenaar, reclasseringsmedewerker. Hieruit volgt dat sprake is van een vermeende antisociale en narcistische persoonlijkheidsproblematiek. Verder is sprake van een afhankelijkheid van cocaïne en een dagelijks gebruik van cannabis. Naast middelenmisbruik zijn ook huisvesting en een negatief sociaal netwerk en het ontbreken van een zinvolle dagbesteding risicofactoren. De gewetensfunctie van de verdachte lijkt onvoldoende ontwikkeld en de verdachte lijkt onvoldoende in staat om lering te trekken uit gemaakte fouten. Het recidiverisico is hoog/gemiddeld. Geadviseerd wordt om een voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, deelname aan de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve vaardigheden, een ambulante behandeling bij de forensische polikliniek van Bouman GGZ voor zijn agressie- en verslavingsproblematiek en locatieverbod.

Het hof is van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit, mede gelet op het justitieel verleden van de verdachte en de gevolgen van het onderhavige feit in het leven van beide slachtoffers. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur acht het hof passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

12 (

twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (

drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bepaald in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1.

het de veroordeelde verboden is zich te bevinden binnen een straal van 100 meter van het pand aan de [adres] te Hellevoetsluis, zolang Bouman GGZ, afdeling reclassering, dit noodzakelijk acht;

2.

de veroordeelde zich meldt bij Bouman GGZ, afdeling reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht;

3.

de veroordeelde deelneemt aan een gedragsinterventie, bestaande uit een “GI-RN Cognitieve Vaardigheden”, aangeboden door Bouman GGZ, of soortgelijke instelling waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

4.

de veroordeelde zich onder ambulante behandeling stelt van de forensische polikliniek van Bouman GGZ of soortgelijke forensische ambulante zorginstelling.

Geeft aan Bouman GGZ, afdeling reclassering, opdracht toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, mr. Chr.A. Baardman en mr. T.L. Tan, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 oktober 2013.