Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4590

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
22-001678-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een of meer anderen gedurende anderhalve maand schuldig gemaakt aan handel in cocaïne. Daarnaast heeft de verdachte een ruime hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001678-13

Parketnummer: 09-758375-12

Datum uitspraak: 21 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

7 november 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringscontact, een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie bestaande uit een cognitieve vaardigheidstraining, een locatiegebod met elektronisch toezicht en voorts is een beslissing gegeven omtrent het in beslag genomen voorwerp, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 juli 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 29 bolletjes (in totaal 6,4 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in de periode van 28 maart 2012 tot en met 04 juli 2012 te 's-Gravenhage, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de in de achtertuin van de verdachte aangetroffen bolletjes cocaïne niet zijn te herleiden tot de verdachte. De verdachte heeft zelf ter zitting verklaard dat er veel gebruikers in de buurt zijn en dat misschien iemand cocaïne heeft verstopt in zijn tuin. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat de resultaten van de fotoconfrontaties met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu het enkelvoudige fotoconfrontaties betreft.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat, na observaties en nadat de verbalisanten de hun ambtshalve bekende verdachte hadden herkend, ter verificatie van deze herkenning aan de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] één foto van de verdachte is getoond, waarbij dezen de verdachte hebben herkend als de persoon die hun cocaïne leverde. Nu deze enkelvoudige fotoconfrontaties uitsluitend ter ondersteuning van de eerdere herkenning door de politie hebben plaatsgevonden, dient het verweer te worden verworpen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op 4 juli 2012 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning en de daarbij behorende achtertuin van de verdachte aan [adres] te Den Haag. Daarbij is in de achtertuin tegen de schutting achter een schep één zakje met 29 bolletjes met wit poeder – naar later bleek cocaïne – aangetroffen.


Het hof acht het, gelet op de omstandigheden dat de verdachte door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is herkend als leverancier van cocaïne, dat het gaat om een hoeveelheid die valt te kenschetsen als een ‘dealersvoorraad’ en dus niet als een gebruikersvoorraad, en dat een en ander is aangetroffen achter een schep in de tuin van het huis waar de verdachte woonde, volstrekt onaannemelijk dat een ander dan de verdachte de drugs daar heeft neergelegd. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 04 juli 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 29 bolletjes (in totaal 6,4 gram), van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 25 mei 2012 tot en met 04 juli 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2

onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een of meer anderen gedurende anderhalve maand schuldig gemaakt aan handel in cocaïne. Daarnaast heeft de verdachte een ruime hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad. Aldus heeft de verdachte bijgedragen aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Daarnaast veroorzaakt het gebruik van dergelijke middelen, door vaak daarmee gepaard gaand crimineel gedrag, onrust en schade in de samenleving. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich uitsluitend heeft laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een reclasseringsrapport d.d. 11 maart 2013, waarin wordt geadviseerd aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringscontact, een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie bestaande uit een cognitieve vaardigheidstraining, een locatiegebod en contactverbod met de medeverdachten, met oplegging van elektronisch toezicht.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in aanmerking genomen de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Het hof is - alles overwegende en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - van oordeel dat uit oogpunt van generale en speciale preventie een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, met een voorwaardelijk deel van aanzienlijke duur, een passende en geboden reactie vormt.

Het hof ziet, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep waaruit blijkt dat hij zelf begeleiding van de reclassering niet nodig acht, geen aanleiding voor het opleggen van een verplicht reclasseringscontact.

Beslag

Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 scooter [kentekennummer], Piaggio C38, kleur grijs, overweegt het hof het volgende. Nu is komen vast te staan dat de verdachte noch de beslagene, noch de rechthebbende is en deze scooter bij wijze van vergissing op de beslaglijst is opgenomen, terwijl geen rechthebbende bekend is, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

4 (

vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 scooter met kenteken [kentekennummer], Piaggio C38, kleur grijs.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2013.