Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4587

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
22-005794-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart deels het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart deels de verdachte strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging op grond van noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005794-11

Parketnummer: 09-925387-10

Datum uitspraak: 24 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 november 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1962,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en is de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Ter zake van het onder 2 primair ten laste is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , toegewezen tot een bedrag van € 300,-- en is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 2] , opgelegd tot een bedrag van € 300,--, subsidiair 6 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft op 7 december 2011 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij akte partiële intrekking rechtsmiddel van 20 april 2012 heeft de advocaat-generaal het hoger beroep tegen feit 2 ingetrokken.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is niet gericht tegen de in eerste aanleg onder feit 2 primair gegeven veroordeling.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

primair:
hij op of omstreeks 02 september 2010 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een houten paal, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1

subsidiair:
hij op of omstreeks 02 september 2010 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (onder meer een schedelbasisfractuur, een gebroken oogkas en een inwendige bloeding in zijn hoofd), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een houten paal, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] te slaan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 02 september 2010 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, opzettelijk met een houten paal, tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Verweren ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt en derhalve van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

De verdachte heeft op het volkstuinencomplex aan de [adres] in Leidschendam een tuin gehuurd waarin hij drie tot vier keer per week tuinierde. Tevens was de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit verantwoordelijk voor het onderhoud van de tuin van zijn buurman, genaamd [betrokkene], wiens tuin is gelegen tussen de tuinen van [benadeelde partij 1] , het slachtoffer van het primair bewezen verklaarde feit, en [getuige] .

In de periode voorafgaande aan het ten laste gelegde feit hebben de tuinbezitters elkaar over en weer beschuldigd van diefstal.

Het incident in de onderhavige zaak speelde zich af toen [benadeelde partij 1] en [getuige] bezig waren het dak van een tuinhuisje te repareren. Op een zeker moment zag [benadeelde partij 1] vanaf dat dak de verdachte in de tuin van [betrokkene 1] aan het werk. [benadeelde partij 1] heeft toen naar verdachte een paar keer onder meer geroepen: “Daar komt de dief!”. Er is tussen [benadeelde partij 1] en de verdachte een woordenwisseling ontstaan. [benadeelde partij 1] is vervolgens van het dak gekomen en is, nadat hij een schop had gepakt, samen met [getuige] richting de tuin van [betrokkene 1] gelopen. Nadat de verdachte tegenover [benadeelde partij 1] en [getuige] stond met daartussen het tuinhek, heeft de verdachte, nadat hij zag dat [benadeelde partij 1] een schop in zijn handen had, tegen [benadeelde partij 1] gezegd: “Je hebt een schop, je hebt gewonnen, ga maar weg”.

[benadeelde partij 1] gaf hieraan geen gehoor en begon vervolgens met de schop dreigend te slaan op het hekwerk en hij dreigde het hekwerk open te maken en naar de verdachte toe te komen.

De verdachte voelde zich radeloos en wilde deze conflictsituatie ontvluchten, maar kon geen kant op, nu dat door [benadeelde partij 1] bij de poort van het hek werd verhinderd en er voor hem geen mogelijkheid was om via de aangrenzende tuinen, die aan [benadeelde partij 1] respectievelijk [getuige] toebehoren, te vluchten. Ook aan de achterkant van de tuin was voor de verdachte geen vluchtmogelijkheid, nu deze werd geblokkeerd door het zich over de volle breedte van de tuin uitstrekkende tuinhuisje van [betrokkene 1] . Voor de verdachte resteerde derhalve als enige vluchtmogelijkheid de poort van het hek waar [benadeelde partij 1] en [getuige] voor stonden.

De verdachte heeft nog getracht om zijn jas die aan het tuinhek hing en waarin zijn mobiele telefoon zat, te pakken om de beheerder van het tuincomplex dhr. Droog te bellen voor hulp. Toen de verdachte probeerde zijn jas te pakken, sloeg [benadeelde partij 1] hem echter met de schop op zijn hand en bleef hij dreigende bewegingen maken met de schop.

Daarop heeft de verdachte een houten paal, die toevallig in de tuin van [betrokkene 1] lag, gepakt met het doel zich een uitweg door het hek te verschaffen nadat hij daartoe eerst de schop uit de handen van [benadeelde partij 1] zou hebben geslagen.

De eerste slag met de houten paal mislukte en de schop werd niet weggeslagen. Bij de tweede poging om de schop weg te slaan is [benadeelde partij 1] aan de zijkant van zijn hoofd geraakt.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het hof zal verdachtes beroep op noodweer ten aanzien van de eerste klap honoreren en hem ten aanzien hiervan ontslaan van alle rechtsvervolging.

Voor het hof staat vast dat [benadeelde partij 1] na de eerste klap de schop heeft laten zakken. Door op dat moment nogmaals met de houten paal te slaan op een wijze waardoor [benadeelde partij 1] op de zijkant van zijn hoofd werd geraakt, is verdachte verder gegaan dan voor de verdediging noodzakelijk was. De verdachte heeft ter terechtzitting meermalen verklaard dat hij radeloos was toen [benadeelde partij 1] met de schop voor hem stond en hij het gevoel had dat hij geen kant op kon.

Het hof acht daarmee voldoende aannemelijk geworden dat bij de verdachte als gevolg van de aanvankelijke dreigende situatie een hevige gemoedstoestand is ontstaan, waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Derhalve komt hem een beroep toe op (extensief)noodweerexces, zodat hij ook ten aanzien van de tweede klap dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel
dat deels het bewezen verklaarde en deels de verdachte niet strafbaar is. De verdachte moet derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 7.622,16.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart deels het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart deels de verdachte strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr. J.A.C. Bartels en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 oktober 2013.