Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4571

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
22-003314-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging, meerdere malen gepleegd.

Het Hof gelast ter zake van het bewezenverklaarde de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 (één) jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003314-12

Parketnummers: 09-925983-11 en 09-757879-11

Datum uitspraak: 26 juli 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 juni 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1959, thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 25 januari 2013 en 12 juli 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1

en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 8 februari 2013 heeft het hof het onderzoek heropend en geschorst om redenen als nader in het tussenarrest vermeld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.


zij op of omstreeks 24 december 2011 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trui/shirt, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], althans winkelbedrijf Only Glamour, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2008 tot en met 24 december 2011 te Zoetermeer en/of Wassenaar en/of Gouda, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde partij 2] en die [benadeelde partij 3], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- hen veelvuldig brieven en/of kaarten gestuurd en/of door de brievenbus van hun woning gegooid en/of

- veelvuldig brieven en/of kaarten achtergelaten bij hun woning en/of

- die [benadeelde partij 2] veelvuldig sms-berichten gestuurd en/of

- die [benadeelde partij 2] veelvuldig gebeld en/of

- veelvuldig bij de woning van die [benadeelde partij 2] gestaan en/of

- veelvuldig de school van die [benadeelde partij 3] bezocht en/of - veelvuldig de buitenschoolse opvang van die [benadeelde partij 3] bezocht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


zij op 24 december 2011 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trui, toebehorende aan [benadeelde partij 1];

zij in de periode van 01 mei 2008 tot en met 24 december 2011 te Zoetermeer en/of Wassenaar en/of Gouda, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], met het oogmerk die [benadeelde partij 2] en die [benadeelde partij 3], te dwingen iets te dulden, immers heeft verdachte

- hun veelvuldig brieven en kaarten gestuurd en door de brievenbus van hun woning gegooid en

- die [benadeelde partij 2] veelvuldig sms-berichten gestuurd en

- die [benadeelde partij 2] veelvuldig gebeld en

- veelvuldig bij de woning van die [benadeelde partij 2] gestaan en

- veelvuldig de school van die [benadeelde partij 3] bezocht en- veelvuldig de buitenschoolse opvang van die [benadeelde partij 3] bezocht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging (feit 2)

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op een zo intensieve wijze contact heeft gezocht met [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], terwijl zij aan de verdachte kenbaar maakten dat zij dat niet wilden, dat het hof de wederrechtelijkheid van verdachtes handelen daarmee gegeven acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Belaging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

In het dossier bevinden zich meerdere gedragsrapportages die naar aanleiding van de onderhavige zaak zijn opgemaakt. Met de advocaat-generaal en, nu zij zich ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden opgelegd, kennelijk ook met de raadsvrouw, zal het hof slechts de hierna te noemen rapporten als uitgangspunt nemen.

Over de persoon van de verdachte hebben T.V. van Lent, psychiater, en J.H. Ruijs, psycholoog, op 25 april 2013 respectievelijk 29 april 2013 gerapporteerd.

Deze deskundigen zijn – verkort en zakelijk weergegeven- tot de conclusie gekomen dat ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, die de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte op dat moment hebben beïnvloed. De deskundige Van Lent concludeert op grond van zijn onderzoek dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van schizofrenie, gedesorganiseerde type. De schizofrenie lijkt zich te hebben ontwikkeld bovenop een mogelijk milde vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis of in ieder geval bovenop enkele symptomen van een dergelijke stoornis. De deskundige Ruijs concludeert dat er sprake is van een psychotische stoornis niet anderszins omschreven, mogelijk in het kader van een schizofrene ontwikkeling. Tevens zijn er aanwijzingen voor een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven (PDD-NOS). Ook zijn er obsessief-compulsieve symptomen, waaronder eetproblemen, welke passen binnen het beeld van bovengenoemde stoornissen.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde belaging stellen de deskundigen dat deze gedragingen van de verdachte volledig kunnen worden verklaard door de stoornis van haar geestvermogens, tengevolge waarvan de verdachte te dien aanzien volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Ten aanzien van de bewezen verklaarde diefstal achten de deskundigen de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar, nu er – anders dan bij de belaging - ook sprake lijkt te zijn geweest van een zekere mate van opportunisme respectievelijk enige realistische overweging.

Gelet op de bevindingen en de adviezen van de deskundigen is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, dat het onder invloed van bedoelde stoornis gepleegde feit haar wegens die stoornis niet kan worden toegerekend.

De verdachte is derhalve ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde niet strafbaar en zal mitsdien – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - van alle rechtsvervolging worden ontslagen.

Ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde acht het hof de verdachte, overeenkomstig de bevindingen en adviezen van de deskundigen, verminderd toerekeningsvatbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De advocaat-generaal heeft ter zake van het onder 1 ten laste gelegde gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel. De advocaat-generaal heeft ter zake van het onder 2 ten laste gelegde gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat haar de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar zal worden opgelegd.

Geen straf of maatregel (feit 1)

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstal. De verdachte heeft daarmee blijk gegeven van een miskenning van het eigendomsrecht van anderen. Dergelijke feiten zijn niet alleen ergerlijk, maar veroorzaken doorgaans ook financiële schade en overlast bij de benadeelden.

Het hof ziet evenwel op grond van de ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen omstandigheden waaronder het onder 1 ten laste gelegde feit is begaan, aanleiding om – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – op de voet van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te bepalen dat aan de verdachte terzake geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Motivering van de op te leggen maatregel (feit 2)

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De deskundige Van Lent schat de kans op recidive in als zeer hoog. Het is volgens hem zo goed als zeker dat betrokkene haar belagingsgedrag zal hervatten zodra zij daar de kans toe krijgt. Verdachte is van mening dat haar gedrag niet strafbaar is en is er van overtuigd dat haar dochter niet goed verzorgd en opgevoed wordt bij haar ex-echtgenoot. Verdachte voelt dan ook een grote noodzaak om haar dochter voor nog meer ‘kwaad’ te beschermen. Vanwege de oordeels- en kritiekstoornissen en haar chaotische denken en gedrag en zeer zwakke maatschappelijke positie is te verwachten dat verdachte niet in staat zal zijn haar impulsen zodanig te beheersen en controleren dat zij kan voldoen aan bijvoorbeeld omgangsregelingen.

De deskundige Ruijs schat de kans op recidive in als aanzienlijk, nu verdachte nog steeds obsessief gepreoccupeerd is met het contact zoeken met haar dochter en ex.

Volgens de deskundige Van Lent verdient het aanbeveling dat medicamenteuze en gedragskundige behandelingen langer dan tot op heden worden voortgezet. Bovendien zijn alle volgens de ‘richtlijn schizofrenie’ mogelijke farmacotherapeutische en gedragskundige psychotherapeutische interventies nog niet of onvolledig ingezet. Het verdient sterk aanbeveling om op basis van de richtlijn schizofrenie een geprotocolliseerde behandeling te starten. Gezien de ernstige gedragstoornissen zal deze in een veilige en in een in ernstige psychiatrische aandoeningen gespecialiseerde psychiatrische kliniek of afdeling moeten plaatsvinden. Vanuit zowel psychiatrisch oogpunt als risico-overwegingen zal de geadviseerde behandeling plaats moeten vinden in een juridisch kader dat het mogelijk maakt de behandeling klinisch en voldoende beveiligd en zo nodig langdurend, uit te voeren. Een strafrechtelijke maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar, art. 37 (WvS), wordt geadviseerd. Een dergelijke behandeling dient bij voorkeur te worden opgestart binnen een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) van Inforsa in Amsterdam of op een Forensisch Psychiatrische afdeling (FPA) van bijvoorbeeld GGZ West Brabant te Halsteren of Palier. Gezien de risicoprognose zal het na afloop van de strafrechtelijke machtiging waarschijnlijk noodzakelijk blijken om deze te laten opvolgen door een civielrechtelijke maatregel (BOPZ).

De deskundige Ruijs adviseert eveneens gedwongen opname in een psychiatrische kliniek voor de periode van een jaar op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, nu de verdachte een ernstig gestoorde vrouw betreft voor wie klinisch psychiatrische behandeling geïndiceerd wordt geacht.

Het hof leidt uit de zich in het dossier bevindende stukken en de aard van de bewezen verklaarde feiten af dat de verdachte ten gevolge van haar ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens gevaarlijk is voor anderen. De verdachte heeft immers onder invloed daarvan gedurende lange tijd op een voor de ontwikkeling van haar dochter schadelijke wijze contact gezocht met die dochter. Het hof overweegt dat dit contact blijkens het dossier zo belastend is dat het hof daarmee in het onderhavige geval het gevaar als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht aanwezig acht.

Het hof neemt eerdergenoemde conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de zijne. Het hof zal overeenkomstig het advies van genoemde deskundigen en de vordering van de advocaat-generaal, gelasten dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis een passende en geboden reactie vormt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van in totaal € 12.115,51,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

In eerste aanleg is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 2.693,31, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is ten aanzien van het overig gevorderde deel niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en heeft de vordering als gedaan in eerste aanleg gehandhaafd.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 37, 57, 63, 285b en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde en ontslaat deze van alle rechtsvervolging.

Gelast ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 (één) jaar.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juli 2013.

Mr. C.J. van der Wilt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.