Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4568

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
22-004648-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3430, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten en diefstal van elektriciteit.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004648-12

Parketnummer: 09-662581-11

Datum uitspraak: 23 september 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 21 september 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1982,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 september 2013.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


zij in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.


zij in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


zij in de periode van 01 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;


2.


zij in de periode van 01 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd. Bij het binnentreden van de woning van de verdachte beschikte de politie slechts over een anonieme melding. Er is nadien geen onderzoek gedaan en de betrouwbaarheid van die melding is niet getoetst. Alleen op basis van een anonieme melding kan echter geen sprake zijn van een redelijk vermoeden dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Dit betekent dat de politie onrechtmatig is binnengetreden, zodat de resultaten van dat binnentreden dienen te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In het dossier bevindt zich een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (nr. PL1535 2011132791-4, p. 45) waarin het navolgende is opgenomen:

“Op vrijdag 24 juni 2011, werd ik, verbalisant, [naam] als noodhulpeenheid in uniform gekleed door bureau van politie Ypenburg/Leidschenveen gestuurd naar de [adres]. Alhier zou een hennepkwekerij inwerking zijn volgens de meldster. Ik hoorde dat vanuit het bureau werd medegedeeld dat het een schuur zou betreffen achter de woning.

Ik, verbalisant, ben aan de achterzijde van de woning een onderzoek gestart. Na gekeken te hebben bij het schuurtje was de situatie niet helemaal duidelijk. Ik besloot hierop nogmaals de meldster terug te bellen. Ik hoorde dat de telefoon werd opgenomen en dat er een vrouw opnam welke mij mededeelde dat zij anoniem wenste te blijven. Ik hoorde haar zeggen dat zij in de winter al had willen bellen. In de winter, nadat het gesneeuwd had, zag de meldster namelijk dat alle daken in de wijk wit waren. Ik hoorde haar zeggen dat in die periode het dak van de woning op de [adres] niet wit was. Ik hoorde haar zeggen dat wanneer zij buiten zat in haar tuin zij ook last had van de geur gelijkend op de geur van hennep. Tevens wanneer zij buiten zat hoorde zij een ronkend geluid. Ik hoorde dat zij had gehoord dat dit geluid afkomstig kon zijn van een afzuigsysteem. Ik hoorde de meldster zeggen dat zij het nu gemeld had omdat zij de situatie te gevaarlijk vond.

Ik vroeg de meldster of zij de afgelopen tijd nog iemand bij de woning had gezien. Ik hoorde de meldster zeggen dat zij er iedere dag iemand zag in een bus wit van kleur. Ik hoorde haar zeggen dat de persoon dan niet lang bleef. Soms werden er volgens meldster ook goederen uitgeladen uit het busje. (…) Ik hoorde de meldster zeggen dat er een man dan kwam naar de woning met een blanke huidskleur en zijn haar in een staart. Ik hoorde de vrouw zeggen dat zij de man herkende als zijnde de vader van de bewoonster. Na controle in de systemen blijkt uit GBA-gegevens [verdachte] te staan ingeschreven op het adres (…). Ik zag dat er bij alle ramen in de woning luxaflex hing. Ik zag dat bij alle ramen deze dicht zaten.”

Blijkens het proces-verbaal is de verbalisant vervolgens binnengetreden in de woning en trof hij, na het openen van een luik in het plafond op de eerste verdieping, een hennepkwekerij aan.

Het hof stelt voorop dat een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet reeds kan worden aangenomen op basis van een enkele melding aan de Stichting Meld Misdaad Anoniem (Hoge Raad 11 maart 2008, LJN BC1367). Het hof overweegt dat in het onderhavige geval de anonieme melding, na een tweede telefonisch contact met dezelfde meldster, als voldoende concreet mocht worden aangemerkt en – tezamen met de bevindingen van de verbalisant ter plaatse - naar ’s hofs oordeel voldoende grondslag vormde voor het redelijke vermoeden dat in de woning aan de [adres] een hennepkwekerij aanwezig was. De binnentreding was derhalve op grond van artikel 9 van de Opiumwet rechtmatig. Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten en diefstal van elektriciteit. Hennep is voor de gezondheid van de gebruikers een schadelijke stof. Het gebruik van hennep is ook los daarvan bezwarend voor de samenleving, vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast is de diefstal van elektriciteit niet alleen ergerlijk, maar veroorzaakt financiële schade en doorgaans ook overlast en gevaar.

Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2013, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten niet eerder met politie en justitie in aanraking was gekomen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. M.C.R. Derkx en mr. H.A. van Brummen, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 september 2013.

Mr. H.A. van Brummen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.