Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4543

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
22000766-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:47, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof in Den Haag heeft op 2 december 2013 in hoger beroep gevangenisstraffen opgelegd aan twee verdachten van een gewapende overval met dodelijke afloop. Deze overval is gepleegd op een juwelier in Den Haag.

Een derde persoon, die ervan werd verdacht bestuurder van de vluchtauto te zijn geweest, is door het hof vrijgesproken van betrokkenheid bij deze overval. Naar het oordeel van het hof kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld of en in hoeverre deze man op de hoogte is geweest van het plan van de medeverdachten om een gewapende overval te plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000766-13

Parketnummer: 09-758089-12

Datum uitspraak: 2 december 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 februari 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 november 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 april 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet een geladen vuurwapen op die [naam slachtoffer] gericht en/of (vervolgens) een of meerdere malen de trekker van dat vuurwapen overgehaald en/of (aldus) een of meerdere kogels afgevuurd op die [naam slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal (in vereniging) (met geweld) en/of poging tot afpersing (in vereniging) (met geweld), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 25 april 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen sieraden en/of andere goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van sieraden en/of andere goederen van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is/zijn voltooid,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- zich naar de juwelierszaak [naam] gelegen aan de Beeklaan 33, heeft begeven en/of

- tegen die [naam slachtoffer] heeft geroepen: "ga liggen", althans woorden van een soortgelijke aard of strekking en/of

- een of meerdere vuurwapens, althans een of meerdere op vuurwapens gelijkende voorwerpen, waaronder een geladen vuurwapen (voorzien van een geluidsdemper) op die [naam slachtoffer] heeft gericht op en/of

- ( vervolgens) met voornoemd geladen vuurwapen een of meer kogel(s) in de lucht en/of gericht op het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft afgevuurd,

terwijl dat feit de dood (als gevolg van een of meerdere schotwonden) van die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

14

jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 april 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet een geladen vuurwapen op die [naam slachtoffer] gericht en vervolgens meerdere malen de trekker van dat vuurwapen overgehaald en (aldus) meerdere kogels afgevuurd op die [naam slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal in vereniging (met geweld) en/of poging tot afpersing in vereniging (met geweld), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De verdachte was niet op de hoogte van het feit dat het wapen van de medeverdachte [naam medeverdachte] echt en doorgeladen was. De verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte] moet op dit punt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar worden geacht. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat ook de medeverdachte een nepwapen had. Voorts was voor de verdachte niet voorzienbaar dat [naam medeverdachte] als gevolg van de besproeiing met pepperspray door het slachtoffer zou schieten. Van een doorgeladen wapen was bij het betreden van de juwelierszaak geen sprake. Op de camerabeelden is de doorlaadbeweging van de medeverdachte te zien. Niet te zien is dat de verdachte die doorlaadbeweging heeft waargenomen. Het feit dat de verdachte een nepwapen bij zich had, is een aanwijzing dat tussen de verdachte en de medeverdachte moet worden gedifferentieerd in opzet. Verdachte heeft de dood van de juwelier niet bewust aanvaard. In verband met het ontbreken van opzet dient vrijspraak te volgen.

Daarnaast heeft de raadsman met betrekking tot het primair ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte niet als medepleger kan worden beschouwd. De verdachte had niet het voor medeplegen vereiste (dubbele) opzet. De gedragingen van de verdachte kunnen volgens de raadsman niet worden aangemerkt als een voldoende substantiële bijdrage aan het primair ten laste gelegde; met zijn handelingen werd uitsluitend een bijdrage geleverd aan de pogingen om weg te komen en zich aldus te distantiëren. Van belang is ook dat de medeverdachte zich distantieerde vóór de dodelijke schoten werden gelost. De verdachte had een actief en eigen aandeel in de beslissing het plan te staken.

Bij de beoordeling van deze verweren heeft het hof zich gebaseerd op de navolgende uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkende feiten en omstandigheden.

Voorafgaand aan de overval zijn de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] samen geweest. Hun gezamenlijke plan om de juwelier te overvallen is toen besproken en de wapens die zij daarbij ter afdreiging zouden gaan gebruiken zijn toen getoond. Nadat zij door een chauffeur in de buurt van de juwelierszaak zijn afgezet, hebben zij zich te voet naar de juwelierszaak begeven en daar aangebeld. Het slachtoffer, juwelier Ruud [naam slachtoffer], liet hen binnen en gedurende enige tijd deden de verdachte en [naam medeverdachte] zich voor als geïnteresseerde klanten. Kort nadat [naam medeverdachte] zijn wapen trok, deed de verdachte dat ook. Vervolgens richtte de verdachte zijn wapen op [naam slachtoffer]. Toen bleek dat [naam slachtoffer] weerstand bood en niet mee wilde werken, besloten de verdachte en [naam medeverdachte] de overval te staken en gingen zij op zoek naar een uitweg. Terwijl de verdachte tevergeefs probeerde de voordeur van de juwelierszaak te openen, is [naam medeverdachte] met het wapen in zijn hand via de werkplaatsruimte naar het privégedeelte van het pand gelopen. Daar heeft hij geprobeerd de buitendeur te openen. Toen dit niet lukte is hij weer terug gelopen naar de werkplaatsruimte. Daar vond een hernieuwde confrontatie tussen hem en [naam slachtoffer] plaats, waarbij [naam slachtoffer] heeft gespoten met pepperspray en waarbij in de hectiek en in de paniek die bij [naam medeverdachte] ontstond door hem een tweetal schoten is gelost (ten gevolge waarvan [naam slachtoffer] is overleden). Inmiddels had de verdachte alsnog de voordeur van de juwelierszaak geopend. Hij bleef daar even staan, gaf een zetje tegen de deur en rende vervolgens de straat op. Twee seconden later rende ook [naam medeverdachte] naar buiten.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer] is het onder meer van belang om vast te stellen of de verdachte op de hoogte was van de echtheid en de staat van het wapen van [naam medeverdachte]. De verdachte heeft verklaard dat hij ervan uit ging dat het wapen van [naam medeverdachte], net als het wapen dat hij zelf bij zich had, nep was. [naam medeverdachte] daarentegen heeft meerdere keren verklaard dat hij zijn wapen voorafgaand aan de overval aan de verdachte heeft laten zien (hetgeen door de verdachte op 3 mei 2012 ten overstaan van de politie is bevestigd), dat de verdachte het wapen heeft vastgehouden en dat hij de verdachte heeft verteld dat het een echt, doorgeladen en op scherp staand wapen was. Naar het oordeel van het hof zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam medeverdachte] op dit punt. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verdachte en [naam medeverdachte] goed bevriend met elkaar waren en dat [naam medeverdachte] geen belang had bij het belasten van zijn vriend en zelf al eerder bij zijn verhoor door de politie had erkend dat het om een wapen ging dat bij aanraken al af kon gaan. Op dit punt gaat het hof daarom uit van de verklaringen van [naam medeverdachte].

Naar het oordeel van het hof bestaat, indien men samen een overval tracht te plegen waarbij een op scherp staand vuurwapen ter afdreiging door een van de daders wordt gehanteerd niet alleen de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat degene die wordt overvallen weerstand biedt, maar ook dat daardoor gemakkelijk een hectische situatie ontstaat waarin met een dergelijk wapen één of meer schoten zullen worden gelost en dat ten gevolge daarvan de overvallene overlijdt. Dat besef en die aanvaarding betreft niet alleen degene die het scherpe wapen hanteert, maar ook degene die de overval medepleegt.

Door zich met voornoemde wetenschap omtrent het wapen samen met [naam medeverdachte] naar de juwelierszaak te begeven teneinde een overval te plegen en zich te gedragen zoals hierboven omschreven, heeft de verdachte die aanmerkelijke kans naar het oordeel van het hof bewust aanvaard, althans op de koop toe genomen.

Mitsdien had de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer en kan wettig en overtuigend worden bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, zoals hem primair ten laste is gelegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag, een buitengewoon ernstig strafbaar feit, waardoor de rechtsorde zeer is geschokt. Onder dreiging van een vuurwapen en een echt lijkend imitatievuurwapen hebben zij getracht juwelier [naam slachtoffer] te beroven van juwelen, teneinde hun financiële problemen op te lossen. Toen [naam slachtoffer] niet meewerkte en weerstand bood, besloten de verdachte en zijn medeverdachte de overval te staken. Tijdens de vlucht vond een confrontatie met [naam slachtoffer] plaats waarbij door de medeverdachte een tweetal schoten is gelost met het wapen, ten gevolge waarvan [naam slachtoffer] is overleden.

Door deze daad heeft de verdachte [naam slachtoffer] het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt, te weten het recht op leven, ontnomen. Voorts heeft de verdachte door zijn handelen de nabestaanden van [naam slachtoffer] groot en onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook is gebleken uit de verklaring van de echtgenote van [naam slachtoffer], die zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. De echtgenote en de (stief)kinderen moeten leven met het gegeven dat hun leven voort zal duren zonder hun geliefde echtgenoot dan wel vader.

Voor de echtgenote van [naam slachtoffer] heeft het bewezen verklaarde ook andere verstrekkende gevolgen gehad, die het hof in het nadeel van de verdachte zal meewegen. Het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte heeft er toe geleid dat zij de juwelierszaak, waarin [naam slachtoffer] en zij samen werkzaam waren, heeft moeten sluiten. Verder verdient in dit verband vermelding dat de echtgenote zich ten tijde van de overval samen met hun destijds driejarige dochtertje bevond in het privégedeelte van het pand boven de juwelierszaak. Toen de echtgenote geschreeuw hoorde is zij naar beneden gelopen. Onderaan de trap is zij oog in oog komen te staan met de medeverdachte, die op dat moment het vuurwapen in zijn hand had, waarna zij weer naar boven is gegaan. Omdat zij de man met het wapen niet weg heeft zien gaan, heeft zij enige tijd in de veronderstelling verkeerd dat de man nog in de juwelierszaak was. Zij is daarom boven gebleven en heeft haar echtgenoot niet kunnen bijstaan in de laatste momenten van zijn leven.

Het hof stelt vast dat door de opsporingsberichtgeving en overige media-aandacht de verdachte nog zeer lange tijd geconfronteerd zal kunnen worden met het door hem gepleegde misdrijf. Anders dan de raadsman is het hof evenals de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat dit gegeven niet tot matiging van de op te leggen straf dient te leiden.

Wat naar het oordeel van het hof wel een matigende invloed op de straf behoort te hebben is het feit dat de verdachte en zijn medeverdachte niet hebben beoogd om [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Het enige wat de verdachte met de overval voor ogen had, was het oplossen van zijn financiële problemen. Daarbij heeft de medeverdachte zich ter afdreiging bediend van een potentieel dodelijk geweldsmiddel, met fatale afloop. Verdachtes opzet op de dood van [naam slachtoffer] is gezien zijn betrokkenheid bij het geheel een voorwaardelijke geweest. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, op een naar het oordeel van het hof oprechte wijze, zijn spijt betuigd aan de nabestaanden. Het had volgens hem nooit mogen gebeuren. De verdachte lijkt verantwoordelijkheid te nemen voor wat er is gebeurd, onder meer door tijdens het onderzoek in grote lijnen opening van zaken te geven.

Voorts neemt het hof in matigende zin de jeugdige leeftijd van de verdachte in aanmerking. Ten tijde van de overval was de verdachte 19 jaar oud. De emotionele, sociale, morele en intellectuele ontwikkeling van personen in die leeftijdscategorie is nog niet voltooid. Voorts bestaat op die leeftijd een gebrek aan normatief besef en ervaring. Deze onvolgroeidheid komt in de onderhavige zaak tot uitdrukking in de amateuristische, naïeve en zeer ondoordachte wijze waarop de verdachten de overval hebben voorbereid en gepleegd. Naar het oordeel van het hof moeten jonge mensen vanwege hun nog niet voltooide ontwikkeling strafrechtelijk gezien in het algemeen en ook in dit concrete geval anders worden beoordeeld dan verdachten die in hun ontwikkeling volgroeid zijn. Dit inzicht heeft recentelijk ook vorm gekregen in het zogenoemde wetsvoorstel adolescentenstrafrecht.

Ten slotte heeft het hof bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

4 november 2013. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is – alles overwegende en mede gelet op de straffen die in enigszins vergelijkbare zaken zijn opgelegd – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 213.654,69 (bestaande uit € 13.654,69 aan materiële schade en € 200.000,00 aan immateriële schade). Daarnaast is verzocht om vergoeding van kosten van rechtsbijstand ad € 2.652,42.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Daarnaast is in hoger beroep verzocht om vergoeding van de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 63.654,69, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en te vermeerderen met de kosten van rechtsbijstand ad € 2.652,42.

De vordering van de benadeelde partij is niet door of namens de verdachte betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Wettelijke rente

Vooropgesteld zij dat de benadeelde partij – gelet op het bepaalde in artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering – zich in hoger beroep binnen de grenzen van haar eerste vordering kan voegen in hoger beroep. Nu de benadeelde partij eerst in hoger beroep vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd, kan de benadeelde partij voor wat dit gedeelte van de vordering betreft niet in hoger beroep worden ontvangen.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 13.654,69 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Voor zover de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft op de materiële schadeposten zal deze derhalve geheel worden toegewezen.

Immateriële schade

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Gelet op het feit dat de vordering door of namens de verdachte niet is betwist, leent de vordering zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 10.000,00.

Voor het overige levert behandeling van de gevorderde vergoeding van immateriële schade – zowel op basis van de primaire als de subsidiaire door de raadsvrouw van de benadeelde partij aangevoerde grondslag – naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Proceskosten

Het bovenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof in deze zaak vooralsnog begroot op € 1.326,21, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

E. [naam benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 23.654,69 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 23.654,69 (drieëntwintigduizend zeshonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 13.654,69 (dertienduizend zeshonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd. .

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.326,21 (duizend driehonderdzesentwintig euro en eenentwintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 23.654,69 (drieëntwintigduizend zeshonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 13.654,69 (dertienduizend zeshonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 153 (honderddrieënvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. G.P.A. Aler en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. N. van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 december 2013.