Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4511

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
200.083.211-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijk; conservatoir beslag i.k.v. strafrechtelijk onderzoek; rechtmatigheid voortduring beslag; rechtmatigheid verschaffing informatie door OM aan Belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.083.211/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 351186 / HA ZA 09-3681

Arrest van 3 december 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 29 december 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van 20 oktober 2010 van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven opgeworpen tegen het vonnis waarvan hoger beroep en heeft hij zijn eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de Staat de grieven bestreden en zich uitgelaten over de gewijzigde eis. Vervolgens heeft de Staat het procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Partijen bestrijden niet de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis als vaststaand heeft aangemerkt, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het betreft de navolgende feiten:

1.1

Op 10 januari 2005 heeft de rechter-commissaris in het arrondissement Zwolle, op verzoek van de officier van justitie, machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: "SFO") ten aanzien van [appellant], als bedoeld in artikel 126 Wetboek van Strafvordering (hierna: “Sv”). De machtiging is verleend omdat het vermoeden bestond dat [appellant] zich schuldig had gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Wetboek van Strafrecht (hierna: “Sr”)) en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet (hierna: OW) gegeven verbod (kort gezegd: hennepteelt). Voor het eerstgenoemde feit kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

1.2

Op 18 mei 2005 heeft met machtiging van de rechter-commissaris een doorzoeking ter inbeslagname plaatsgevonden in de woning van [appellant]. Bij de doorzoeking is onder en ten laste van [appellant] conservatoir beslag gelegd op een aantal roerende zaken, waaronder een BMW 530d met kenteken [kenteken], een BMW 320Cd met kenteken [kenteken], een home cinema set, een LCD tv, een scooter, een Yamaha motorfiets en een bedrag in contanten. Op 24 mei 2005 is proces-verbaal opgemaakt van de inbeslagname. In het proces-verbaal staan achter de hierboven opgesomde goederen de letters SFO, strafrechtelijk financieel onderzoek, vermeld.

1.3

Op 25 oktober 2005 heeft [appellant] een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Zwolle-Lelystad op grond van artikel 552a Sv. Hij heeft dit klaagschrift nader toegelicht bij brief van 31 oktober 2005. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard met als motivering dat zich niet het geval voordeed waarin het hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter, later oordelende, de desbetreffende zaken verbeurd of aan het verkeer onttrokken zal verklaren. [appellant] is met succes tegen deze beslissing in cassatie gegaan, aangezien de rechtbank het verkeerde criterium had gehanteerd bij de ongegrondverklaring van de klacht. Na terugwijzing is [appellant] (bij beschikking van 13 februari 2008) alsnog niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het strafrechtelijk beslag op dat moment al was opgeheven.

1.4

Bij vonnis van 14 maart 2006 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad [appellant] vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr omdat de rechtbank dat tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen achtte. De rechtbank heeft [appellant] schuldig bevonden aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B OW gegeven verbod, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 11 OW. Aan [appellant] is een, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf opgelegd en een taakstraf. Noch [appellant] noch de officier van justitie heeft een rechtsmiddel tegen het vonnis aangewend.

1.5

Bij brief van 7 april 2006 heeft [appellant] verzocht om teruggave van in ieder geval de twee BMW’s en (een groot deel van) het contante geld.

1.6

Op 6 juni 2006 heeft de belastingdeurwaarder beslag gelegd op de goederen van [appellant] die de Staat, in verband met het door hem eerder op 18 mei 2005 gelegde beslag, onder zich had.

1.7

Bij beschikking van 7 juni 2006 heeft de officier van justitie het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [appellant] gesloten.

1.8

Op 2 augustus 2006 heeft de officier van justitie het op 18 mei 2005 gelegde beslag opgeheven. Het beslag van 6 juni 2006, gelegd door de belastingdienst, bleef op dat moment nog rusten op de van [appellant] in beslaggenomen goederen. [appellant] en de Ontvanger hebben nadien een regeling getroffen, die onder meer inhield dat het beslag werd opgeheven en dat [appellant] de Ontvanger uit dien hoofde niet zou aanspreken. Het door de Ontvanger gelegde beslag is eind 2008 opgeheven.

2.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd, samengevat:

i.  een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door de beslaglegging op last van het openbaar ministerie (OM), dan wel door het voortduren van dat beslag terwijl duidelijk was dat geen schulden ter grootte van de waarde van de in beslag genomen zaken ten laste van [appellant] zouden ontstaan (in de periode van mei 2005 tot juni 2006);

ii.  een veroordeling van de Staat om ten titel van schadevergoeding aan [appellant] te vergoeden een bedrag € 25.665,01, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

iii.  een veroordeling van de Staat tot het vergoeden van de wettelijke rente over:

a.  € 9.783,- te rekenen vanaf 1 augustus 2006;

b.  € 6.995,- te rekenen vanaf 1 augustus 2006;

c.  € 743,75 te rekenen vanaf 19 mei 2009;

d.  € 892,98 te rekenen vanaf 15 december 2008;

e.  € 2.306,02 te rekenen vanaf 15 december 2008;

f.  € 444,26 te rekenen vanaf 15 december 2008;

g.  € 4.500,- te rekenen vanaf 1 augustus 2006;

telkens tot de dag der algehele voldoening;

iv.  een veroordeling van de Staat om ten titel van schadevergoeding aan [appellant] te vergoeden een bedrag van € 4.164,74, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2005 tot de dag der algehele voldoening;

v.  een veroordeling van de Staat tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 1.158,-;

vi.  een veroordeling van de Staat in de proceskosten.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

3.

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis onder i) aldus gewijzigd, dat hij thans een verklaring voor recht vordert dat de Staat onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door de beslaglegging op last van het OM c.q. door het voortduren daarvan tot 1 november 2008, althans tot aan het moment dat de Staat het beslag ophief c.q. opdracht tot opheffing van het beslag gaf, terwijl in 2005, 2006, 2007 en 2008 duidelijk was dat geen (fiscale) schulden ter grootte van de waarde van de in beslag genomen zaken ten laste van [appellant] aan de orde waren respectievelijk zouden ontstaan in de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008. De Staat heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, zodat het hof op de gewijzigde eis recht zal doen.

4.1

Voorop staat dat de Staat aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt door de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen (i) indien het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten, of (ii) indien achteraf uit het strafvorderlijk onderzoek – uit de einduitspraak of anderszins – blijkt dat de verdenking op grond waarvan het is toegepast ten onrechte heeft bestaan. Onder strijd met de wet moet worden verstaan strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht, waaronder begrepen het geval dat de toepassing van het dwangmiddel in de gegeven omstandigheden disproportioneel is geweest, zodanig dat dit strijd oplevert met de aan de Staat betamende zorgvuldigheid (HR 23 december 1994, NJ 1995, 512).

4.2.

De rechtbank heeft onbestreden vastgesteld dat het onder (ii) bedoelde geval zich niet voordoet. Uit de toelichting op grieven II en III maakt het hof voorts op dat in appel niet ter discussie staat dat het beslag rechtmatig is gelegd. Het hof begrijpt dat [appellant] de Staat in dit stadium van de procedure nog twee verwijten maakt, te weten:

i) dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door het beslag, nadat het vonnis van de strafrechter op 28 maart 2006 onherroepelijk was geworden, te laten voortduren tot eind 2008 terwijl daar, zowel ten aanzien van het strafrechtelijke als het fiscale beslag, onvoldoende grond voor bestond en bovendien door de officier van justitie eind mei 2006 was toegezegd om de voertuigen terug te geven, en:

ii) dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door informatie uit het strafrechtelijk dossier door te geven aan de Belastingdienst, hetgeen heeft geleid tot het onder 1.6 genoemde fiscale beslag. Ook de Staat heeft de grieven aldus begrepen (zie o.a. MvA 2.4. en 3.3.)

4.3

Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren voor zover hij aan zijn vordering ten grondslag legt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het in opdracht van de Ontvanger op 6 juni 2006 gelegde derdenbeslag te laten voortduren. Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 2 van de Invorderingswet 1990 treedt de Ontvanger in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op. Uit deze wetsbepaling vloeit voort dat een vordering ter zake van een door de Ontvanger gelegd beslag uitsluitend tegen de Ontvanger kan worden ingesteld en niet (tevens) tegen de Staat (vergelijk HR 31 januari 2003, NJ 2003, 213).

4.4

Naar het oordeel van het hof dient de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het beslag in de periode van 28 maart 2006 tot en met 2 augustus 2006 te laten voortduren, ontkennend te worden beantwoord. Daartoe overweegt het hof het volgende. [appellant] is bij het strafvonnis van 14 maart 2006 vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie. Hij is wel veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B OW, maar dat feit wordt niet bedreigd met een geldboete van maximaal de 5e categorie (zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, is rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis in zoverre onjuist). Dit betekende dat het SFO moest worden gesloten en het beslag moest worden opgeheven. Dat dit laatste pas ruim vier maanden later, op 2 augustus 2006, is gebeurd leidt echter niet tot schadeplichtigheid van de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad, reeds niet omdat de goederen in verband met het op 6 juni 2006 door de Ontvanger gelegde derdenbeslag vanaf dat moment hoe dan ook niet konden worden teruggegeven. Het hof acht de periode 28 maart 2006 tot 6 juni 2006 voor sluiting van het SFO (en opheffing van het beslag) niet dermate lang dat zij als disproportioneel moet worden beschouwd en dat er om die reden geoordeeld moet worden dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het beslag niet al voor 6 juni 2006 op te heffen.

4.5

Ten aanzien van de door [appellant] gestelde toezegging van de officier van justitie eind mei 2006 aan (de advocaat van) [appellant] om de in beslag genomen voertuigen terug te geven, overweegt het hof als volgt. Al zou deze toezegging zijn gedaan – dit wordt door de Staat betwist – dan geldt dat teruggave niet mogelijk was vanaf 6 juni 2006. De periode van eind mei 2006 tot 6 juni 2006 waarin de Staat ondanks de gestelde toezegging niet tot teruggave is overgegaan, is niet zodanig lang dat het uitblijven van teruggave in die periode onrechtmatig moet worden geacht.

4.6

[appellant] heeft tot slot het standpunt ingenomen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door informatie over de inbeslaggenomen goederen aan de Belastingdienst te verschaffen. Volgens [appellant] is sprake geweest van een “oneigenlijk opzetje” tussen het OM en de Belastingdienst en waren de naheffingsaanslagen steeds “schijn”. Mede gelet op het gemotiveerde verweer van de Staat bij conclusie van antwoord (3.16 – 3.20) had van [appellant] een nadere onderbouwing van deze stellingen mogen worden verwacht, maar deze ontbreekt. Van belang is dat artikel 39f lid 1 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (verder: "Wjsg") een wettelijke grondslag biedt aan de officier van de justitie voor het verstrekken van deze strafvorderlijke informatie aan de Belastingdienst in de onder a-f van dat artikellid bedoelde gevallen. In de destijds van kracht zijnde Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Stcrt. 2004, 223, verder: "Aanwijzing") wordt de Belastingdienst genoemd als één van de mogelijke ontvangers van de strafvorderlijke gegevens indien deze worden verstrekt met als doel het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. Artikel 39f lid 1 Wjsg bepaalt dat de strafvorderlijke gegevens kunnen worden verstrekt met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, maar uit de Aanwijzing volgt dat een beoordeling op grond van de Wjsg niet hoeft plaats te vinden indien er een wettelijke verplichting bestaat tot informatieverstrekking. Artikelen 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen en 62 lid 3 Invorderingswet 1990 bevatten een dergelijke verplichting. Uit de Aanwijzing volgt voorts dat de officier van justitie zowel actief als passief informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. Bijzondere omstandigheden, op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de officier van justitie niet van de hiervoor omschreven bevoegdheid gebruik had mogen maken, zijn gesteld noch gebleken.

4.7

De conclusie is dat grieven II en III falen. Grief I heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen met veroordeling van [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, LJN BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk voor zover hij aan zijn vordering ten grondslag legt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het in opdracht van de Ontvanger op 6 juni 2006 gelegde derdenbeslag te laten voortduren;

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 20 oktober 2010 van de rechtbank 's‑Gravenhage, sector civiel recht;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 649,00 aan verschotten en € 1.158,00 aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2013 in aanwezigheid van de griffier.