Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4497

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
200.108.388.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking inzake verzoek vaststelling omgangsregeling, raadsonderzoek gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 10 oktober 2012

Zaaknummer : 200.108.388/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 10-1998

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel,

tegen

[verweerster],

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 15 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 maart 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 26 juli 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 18 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen,

- op 31 juli 2012 een brief van 30 juli 2012 met bijlagen,

- op 24 augustus 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 26 september 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de advocaat van de moeder;

  • -

    mevrouw A. Timmers namens de raad.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de vader tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen[naam minderjarige 1], geboren [in] 2002 te[geboorteplaats] en[naam minderjarige 2], geboren [in] 2007 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

2.

De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de vader gerechtigd is contact te hebben met de minderjarigen voornoemd op (het hof leest: een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarigen inhoudende) een zaterdagmiddag per twee weken van 13.00 uur tot 17.00 uur.

3.

De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.

De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat omgang niet in het belang van de minderjarigen is. Hij ontkent nadrukkelijk de aantijgingen van de moeder. Voorts geeft hij te kennen de hoop te koesteren dat partijen in de toekomst als vader en moeder van de minderjarigen zullen leren communiceren en zelf daartoe tot alles bereid te zijn. De vader merkt daarnaast op dat de raad een uitbreiding van de omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen heeft geacht, zodat geconcludeerd kan worden dat de omgangsregeling zoals die ten tijde van de mondelinge behandeling van de zaak in eerste aanleg liep, gecontinueerd zou kunnen worden. De vader acht het in het belang van de minderjarigen dat er op korte termijn weer contact zal zijn tussen hen. Ter zitting heeft de vader voorts te kennen gegeven dat hij zich realiseert dat, gelet op de huidige omstandigheden en het tijdsverloop tot op heden, een omgangsregeling niet van de ene op de andere dag opgestart kan worden maar dat, indien een omgangsregeling mogelijk is, deze zorgvuldig opgebouwd dient te worden. Hij acht het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat er een raadsonderzoek zal plaatsvinden zodat vastgesteld kan worden of een omgangsregeling mogelijk is en indien dit het geval is, welke vorm hieraan gegeven kan worden.

5.

De moeder stelt dat een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen een bedreiging vormt voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de minderjarigen. Zij voert daartoe aan dat de vader haar nog altijd bedreigt wanneer hij dat kan, ondanks herhaalde kansen die zij hem heeft gegeven om verbetering te brengen in de situatie. De minderjarigen werden negatief beïnvloed door hem ten tijde van de omgangsregeling, hetgeen in hun gedrag naar haar toe te zien was. De moeder heeft haar leven nu een nieuwe wending gegeven. Zo wordt zij behandeld tegen de angsten die zij heeft als gevolg van het gedrag van de vader, en hebben de minderjarigen momenteel regelmaat en structuur in hun leven waardoor ook zij niet meer angstig zijn. Ter zitting is namens de moeder gesteld dat de bedreigingen ook van de kant van de familie van de vader (kunnen) komen. Voorts is namens de moeder ter zitting naar voren gebracht dat zij, vanwege haar huidige psychische toestand, geen uitspraak kan doen over het eventueel op termijn opstarten van een omgangsregeling.

6.

Namens de raad is ter zitting naar voren gebracht dat gegeven de huidige omstandigheden en het feit dat de slechte verhouding tussen partijen een bedreiging kan vormen voor de belangen van de minderjarigen, een raadsonderzoek geïndiceerd is. De raad acht het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat duidelijk wordt hoe het met hun welzijn gesteld is in relatie met de huidige situatie en ook waartoe de behandeling die de moeder thans in verband met haar angsten ondergaat leidt. Daarnaast is de raad van mening dat het belang van een raadsonderzoek gelegen is in het helder krijgen van de mogelijkheden ten aanzien van omgang tussen de vader en de minderjarigen en, indien hier een mogelijkheid toe bestaat, te onderzoeken op welke manier een omgangsregeling eventueel vormgegeven kan worden.

7.

Het hof overweegt als volgt. Het hof acht zich op basis van de thans voorgelegde stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende voorgelicht om op dit moment definitief te kunnen beslissen of een omgangsregeling kan worden vastgesteld of dat er sprake is van een of meerdere van de in artikel 1:377a, derde lid BW genoemde ontzeggingsgrond(en). Het hof heeft nog onvoldoende inzicht in de huidige situatie van de minderjarigen bij de moeder en in die van de vader. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het destijds in april 2011 uitgebrachte briefrapport van de raad gebaseerd was op slechts twee gezamenlijke gesprekken met de ouders, dat het nadien bij Flexus Jeugdplein ingezette bemiddelingstraject niet van de grond is gekomen en dat contacten tussen de vader en de minderjarigen thans reeds langere tijd geheel ontbreken. Om die reden acht het hof van belang dat de raad een onderzoek verricht naar de vraag of er - gelet op alle omstandigheden, waaronder de door de moeder gestelde gedragsproblematiek van de oudste minderjarige - mogelijkheden zijn voor omgang tussen de vader en de minderjarigen of dat er zwaarwegende omstandigheden zijn op grond waarvan ontzegging aan de vader van het recht op omgang aan de orde zou kunnen zijn. Het hof gaat er, mede gelet op de - al dan niet gegronde - angst van de moeder voor de vader en/of zijn familie als gevolg waarvan zij tot op heden op een geheim adres verblijft, vanuit dat de raad bij het onderzoek uiterste zorgvuldigheid zal betrachten.

8.

Het hof zal de behandeling van de zaak zes maanden pro forma aanhouden om de raad in de gelegenheid te stellen voornoemd onderzoek uit te voeren. Het hof zal zonodig op een nadere terechtzitting het rapport van de raad met partijen en de raad bespreken.

9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

verzoekt de raad een onderzoek te verrichten ter fine als hierboven overwogen in rechtsoverweging 7 en daarover te rapporteren en te adviseren;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling aan tot de zitting van zaterdag 30 maart 2013 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Van Kempen en Willems, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2012.