Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4453

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
200.110.947/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Onderhoudsplicht stiefkinderen. Draagkrachtvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 januari 2013

Zaaknummer : 200.110.947/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 11-1827

[appellant],

wonende te[woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. D.C.H. Berris-Donkersloot te Gouda,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.J. Verdult te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 2 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 mei 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 12 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 19 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 27 november 2012 een faxbericht met bijlagen,

van de zijde van de moeder:

- op 26 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 29 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 25 oktober 2010 van de rechtbank Rotterdam.

Bij beschikking van 25 oktober 2010 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en heeft de rechtbank de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het op 11 juli 2010 door partijen ondertekende ouderschapsplan en het op 11 juli 2010 door partijen ondertekende convenant in haar beslissing opgenomen, waarin geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige is overeengekomen vanwege (toen) onvoldoende draagkracht aan de zijde van de vader. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 11 november 2011, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige, voor wat betreft de na 4 mei 2012 te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 210,-- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarige.

2.

De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat primair het inleidend verzoek van de moeder wordt afgewezen en, subsidiair, de vader een door het hof in goede justitie te bepalen kinderalimentatie dient te betalen.

3.

De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof de gronden van de vader ongegrond te verklaren, althans af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het eigen aandeel in de kosten van de minderjarige (de behoefte)

4.

De vader kan zich, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, verenigen met een behoefte van de minderjarige van € 375,-- per maand. Door de vader is enkel betwist dat deze totale behoefte van de minderjarige moet worden verhoogd met een bedrag van

€ 159,-- per maand aan kosten voor kinderopvang zoals door de moeder wordt betoogd.

5.

In de visie van de moeder moet de behoefte van de minderjarige zoals door de rechtbank is bepaald, verhoogd worden met kosten voor kinderopvang. Deze kosten bedragen per maand € 333,-- en de moeder komt in aanmerking voor een kinderopvangtoeslag van € 174,-- per maand nu zij met haar huidige partner is gaan samenwonen. De netto kosten voor kinderopvang bedragen derhalve € 159,-- per maand, aldus de moeder.

6.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de behoefte van de minderjarige € 375,-- per maand bedraagt, zoals door de rechtbank is bepaald, zodat het hof dit bedrag tot uitgangspunt zal nemen. Tussen partijen is enkel in geschil of deze behoefte van de minderjarige verhoogd moet worden met een bedrag van € 159,-- per maand aan kosten kinderopvang.

7.

Ten aanzien van de kosten kinderopvang overweegt het hof dat volgens de Tremanormen in de tabelbedragen alle normale kosten zoals die voor voeding en kleding zijn inbegrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. Hiertoe behoren onder meer hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten. De moeder heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de minderjarige genoodzaakt is naar de (tussenschoolse) kinderopvang te gaan. De bijzondere kosten voor kinderopvang bedragen, blijkens de producties 6 en 12 bij het verweerschrift, thans € 159,-- netto per maand. Gelet op het voorgaande bepaalt het hof de behoefte van de minderjarige op € 534,-- per maand.

Ingangsdatum

8.

Nu daartegen in hoger beroep geen grief is gericht, gaat het hof uit van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, te weten 11 november 2011, als ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie.

Verdeling van de kosten van de minderjarige

9.

Indien beide ouders na de scheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, dient te worden bezien wie welk deel van de behoefte van een kind moet dragen. Het hof zal daartoe de draagkracht van de vader respectievelijk de moeder beoordelen. Het hof zal bij deze berekening - voor de periode na 1 juli 2013 -, conform de Tremanormen, de betrokken minderjarige (en stiefkinderen van de vader) buiten beschouwing laten, hetgeen betekent dat de vader en de moeder als alleenstaande worden beschouwd. Voor de periode tot 1 juli 2013 zal het hof aan de zijde van de vader de gezinsnorm in aanmerking nemen zoals hierna onder rechtsoverweging 17 zal worden overwogen en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 45% hanteren.

Draagkracht van de vader

10.

Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de vader uit van de door hem bij zijn brief van 27 november 2012 overgelegde draagkrachtberekening.

11.

Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder, staan ter discussie:

- het inkomen van de vader;

- diverse lasten van de vader, te weten: de woonlasten, de ziektekostenpremie en de aflossing op twee schulden, en

- de verdeling van de draagkracht van de vader.

Inkomen

12. In de visie van de vader is de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht van een onjuist inkomen uitgegaan. De vader stelt zich op het standpunt dat voor de gehele periode uitgegaan kan worden van het huidige inkomen van de vader, derhalve van een bruto inkomen van € 2.122,-- per maand.

13.

De moeder kan zich met voormeld inkomen van € 2.122,-- bruto per maand verenigen voor zover het de periode na 1 juni 2012 betreft, de datum per wanneer de vader een vast dienstverband bij [bedrijf] heeft gekregen. Voor de periode daarvoor stelt de moeder dat het inkomen van de vader hoger is dan hij door middel van de overgelegde loonopgaven doet voorkomen.

14.

Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening houden met een inkomen van € 2.122,-- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de vader als productie 11 bij zijn hoger beroepschrift overgelegde salarisspecificatie van [bedrijf] voor juni 2012. Het hof acht het op basis van de overgelegde stukken aannemelijk dat het salaris van de vader in de periode vóór juni 2012 rond hetzelfde niveau heeft gelegen, althans niet hoger was. Het hof gaat daarbij voorbij aan de stellingen van de moeder met betrekking tot de periode voor juni 2012 en zal geen rekening houden met genoten inkomsten uit overwerk en/of andere inkomsten. De vader heeft immers weersproken dat hij inkomsten uit overwerk of overige inkomsten heeft ontvangen, hetgeen daarop door de moeder niet nader is onderbouwd.

Lasten

15.

In de visie van de vader heeft de rechtbank ten onrechte slechts rekening gehouden met de helft van zijn totale woonlasten en de helft van de door hem opgevoerde premie ziektekostenverzekering. Ter onderbouwing daarvan voert hij aan dat, gelet op de bijzondere situatie van de huidige echtgenote van de vader - het overlijden van haar voormalige partner en de daar op volgende ondertoezichtstelling van hun beider twee kinderen - van haar niet gevergd kan worden dat zij bijdraagt in deze kosten zodat deze volledig aan de vader moeten worden toegerekend. Verder moet bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening worden gehouden met de maandelijks te betalen rente en aflossing op twee schulden (één schuld bij de moeder vaderszijde en één schuld bij Kredietbank Nederland) van in totaal € 115,60 per maand.

16.

De moeder heeft op voormelde stellingen gemotiveerd verweer gevoerd.

17.

Het hof overweegt met betrekking tot de woonlasten en de premie ziektekostenverzekering als volgt. Het is het hof gebleken dat de ondertoezichtstelling van de stiefkinderen van de vader per juli 2012 is beëindigd en dat het in dit kader niet (langer) noodzakelijk is dat de huidige echtgenote van de vader thuis blijft. Gelet hierop is het hof van oordeel dat zij over verdiencapaciteit beschikt en dat van haar in redelijkheid verwacht mag worden dat zij in ieder geval vanaf 1 juli 2013 (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarbij neemt het hof voorts nog in aanmerking dat het jongste stiefkind van de vader op dat moment ook naar school zal gaan en dan inmiddels meer dan drie jaren zijn verstreken nadat de ex-partner van de echtgenote van de vader is overleden. Het hof zal derhalve eerst vanaf 1 juli 2013 slechts de helft van de opgevoerde woonlasten en premie ziektekostenverzekering bij de vader en tot die tijd de gezinsnorm in aanmerking nemen.

18.

Anders dan de rechtbank, zal het hof verder rekening houden met een maandelijkse aflossing van de vader van € 65,-- op een schuld bij zijn moeder van oorspronkelijk groot € 6.000,-- en een aflossing van € 50,60 per maand op een schuld van oorspronkelijk groot € 1.500,-- bij Kredietbank Nederland, nu als uitgangspunt dient te gelden dat op de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden van invloed zijn. De vader heeft het bestaan van deze schulden met de door hem als productie 15 en 16 overgelegde bescheiden voldoende onderbouwd en de moeder heeft geen omstandigheden aangevoerd die het buiten beschouwing laten van deze schulden rechtvaardigt.

Verdeling van de draagkracht van de vader

19.

Bij voormeld faxbericht van 27 november 2012 heeft de vader zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de onderhoudsplicht die hij heeft jegens zijn twee stiefkinderen. De vader is op 17 oktober 2011 gehuwd met mevrouw [x]. De vader van deze stiefkinderen is overleden. Gevolg van de onderhoudsplicht van de vader jegens deze stiefkinderen is dat zijn draagkracht gelijkelijk verdeeld dient te worden over de minderjarige en de twee stiefdochters van de vader, aldus de vader. Voor zijn vierde kind, [y], betaalt hij geen kinderalimentatie.

20.

De moeder betoogt dat de vader deze grond te laat heeft aangevoerd. Daarnaast dient de draagkracht in de visie van de moeder niet over drie kinderen te worden verdeeld, nu er al twee onderhoudsplichtigen zijn voor de twee stiefkinderen. De stiefkinderen ontvangen volgens haar een geldelijke bijdrage in de vorm van een halve weduwen- en wezenuitkering.

21.

Het hof stelt voorop dat in zaken van levensonderhoud ook in de loop van de procedure nog gronden kunnen worden aangevoerd. Het hof zal, nu dit in dit geval niet in strijd met de eisen van een goede procesorde wordt geacht, hetgeen de vader heeft aangevoerd over de verdeling van zijn draagkracht, beoordelen. Vaststaat dat de vader op 17 oktober 2011 is gehuwd met zijn huidige echtgenote, dat hij vanaf die datum onderhoudsplichtig is voor de twee stiefkinderen die deel uitmaken van zijn gezin en dat de vader van de stiefkinderen is overleden. Het hof zal de draagkracht van de vader derhalve over drie kinderen verdelen.

Het hof zal voor de periode tot 1 juli 2013 voorts rekening houden met de aan de stiefkinderen toekomende halve weduwen- en wezenuitkering, ter terechtzitting (onweersproken) gesteld op € 130,-- per kind per maand, mede gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 17.

Conclusie

22.

Met inachtneming van het vorenstaande stelt het hof vast dat de vader voor de periode tot 1 juli 2013 een bedrag van € 77,-- en voor de periode na 1 juli 2013, rekening houdend met het fiscale voordeel, een bedrag van € 238,-- beschikbaar heeft voor kinderalimentatie.

Draagkracht van de moeder

23.

Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de moeder uit van de door haar bij haar verweerschrift als productie 3 overgelegde draagkrachtberekening.

Lasten

24.

De vader stelt dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de moeder ten onrechte rekening heeft gehouden met haar volledige woonlasten, nu zij sinds maart 2012 samenwoont met haar nieuwe partner, die in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. In de visie van de vader moet slechts met de helft van haar woonlasten rekening worden gehouden.

25.

Ter terechtzitting heeft de moeder erkent dat zij sinds november 2012 met haar huidige partner samenwoont en dat per die datum rekening wordt gehouden met de helft van haar totale woonlasten.

26.

Het hof zal in overeenstemming met de stellingen van de moeder vanaf november 2012 slechts de helft van de door haar opgevoerde woonlasten in aanmerking nemen, bestaande uit een hypotheekrente van € 892,20 per maand en een premie van aan de woning gekoppelde verzekeringen van € 38,-- per maand. Nu door de samenwoning van de moeder echter de teruggave kinderopvangtoeslag aanzienlijk afneemt, de zorgtoeslag komt te vervallen evenals het kindgebonden budget, de alleenstaande ouderkorting en de combinatiekorting, heeft de samenwoning van de moeder tot gevolg dat haar draagkracht niet toe-, maar afneemt.

27.

Met inachtneming van het vorenstaande stelt het hof vast dat de moeder voor de periode tot 1 november 2012 een bedrag van € 499,-- en voor de periode na 1 november 2012 een bedrag van € 425,-- beschikbaar heeft voor kinderalimentatie.

Draagkrachtvergelijking

28.

Op basis van de gevonden draagkrachtruimte en de verdeling van de financiële draagkracht is het hof van oordeel dat de verhouding van de financiële draagkracht van partijen ertoe leidt dat voor de periode tot 1 november 2012 een gedeelte van afgerond € 72,-- per maand, voor de periode van 1 november 2012 tot 1 juli 2013 een gedeelte van afgerond € 82,-- per maand en voor de periode vanaf 1 juli 2013 een gedeelte van afgerond € 192,-- per maand voor rekening van de vader komt.

29.

Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:

  • -

    voor de periode met ingang van 11 november 2011 tot 1 november 2012 op € 72,-- per maand;

  • -

    voor de periode met ingang van 1 november 2012 tot 1 juli 2013 op € 82,-- per maand

  • -

    en voor de periode met ingang van 1 juli 2013 op € 192,-- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mink en Otter, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 januari 2013.