Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4452

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
200.111.125/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie; de moeder wil verhoging van het bedrag dat zij met de vader is overeengekomen. De vader vraagt vergeefs - artikel 362 Rv. - in hoger beroep ook een wijziging, namelijk verlaging. Inschatten draagkracht van echtgenoot moeder voor diens stiefkinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 januari 2013

Zaaknummer : 200.111.125/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-1446

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P. Celikkal te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 mei 2012 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 15 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 16 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 29 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De vader heeft ter terechtzitting nog een draagkrachtberekening overgelegd. Daartegen is geen formeel bezwaar gemaakt, zodat het hof die bij de beoordeling zal betrekken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de door de vader met ingang van 1 september 2011 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige bepaald op € 230,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2006 te [in], hierna verder: de minderjarige.

2.

De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat per datum indiening verzoekschrift eerste aanleg, te weten 23 februari 2012, het bedrag dat aan kinderalimentatie betaalt dient te worden, wordt berekend gelet op de draagkracht van de vader en de draagkracht van de moeder; voor zover de draagkrachtruimte van de moeder niet vastgesteld kan worden, te bepalen dat de vader per 23 februari 2012 bijdraagt in de kosten en opvoeding van de minderjarige, maandelijks ter hoogte van € 52,-- althans een zodanig bedrag en een zodanige ingangsdatum als het hof juist acht; te bepalen dat het door de vader reeds maandelijks betaalde bedrag ter hoogte van € 80,-- met terugwerkende kracht - per 23 februari 2012 in mindering wordt gebracht op het vast te stellen bedrag dan wel verrekend wordt met in de toekomst nog te betalen bedragen aan de moeder; het vorengenoemde verzoek uitvoerbaar bij voorraad te bepalen en te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.

De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof primair de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure en, subsidiair, een zodanige beslissing te nemen als het hof passend acht.

Kinderalimentatie

4.

De vader voert aan dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met zijn draagkracht en zijn nieuwe gezinssituatie (de vader is inmiddels gehuwd en hij is vader geworden van een tweede kind). Ter onderbouwing van zijn standpunt legt de vader een draagkrachtberekening over die aansluit bij zijn financiële situatie ten tijde van de bestreden beschikking en zijn huidige situatie. Hieruit blijkt dat de vader een draagkrachtruimte heeft van € 61,-- per maand, aldus de vader. Verder dient de huidige echtgenoot van de moeder bij te dragen in de kosten van de minderjarige, nu immers ook de stiefvader onderhoudsplichtig is.

5.

Namens de moeder wordt een draagkrachtberekening overgelegd waaruit blijkt dat de vader wel degelijk in staat is om de door de moeder gevraagde bijdrage te voldoen. In de visie van de moeder is het enkele feit dat zij thans gehuwd is, niet van invloed op het aandeel van de vader in de onderhoudsverplichting jegens de minderjarige. De moeder stelt dat de behoefte van de minderjarige inmiddels gestegen is van een bedrag waarvan bij het convenant is uitgegaan, volgens haar € 374,-- per maand (zoals door haar in het inleidend verzoek is gesteld), naar € 518,-- per maand en dat het aandeel van de vader inmiddels € 272,-- per maand bedraagt.

6.

Het hof overweegt als volgt.

Grenzen van de rechtsstrijd

7.

Het hof stelt voorop dat op 25 juli 2009 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen die de tussen partijen gemaakte afspraken ten aanzien van de kinderalimentatie behelst. Niet in geschil is dat destijds is afgesproken dat de vader ten behoeve van de minderjarige aan de moeder een kinderalimentatie zal betalen van € 140,-- per maand.

8.

Ten aanzien van het verzoek van de vader om de kinderalimentatie te verlagen overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat dit verzoek van de vader voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Een zelfstandig verzoek kan krachtens artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Gelet hierop is de ondergrens van het door het hof vast te stellen bedrag aan kinderalimentatie gelijk aan het bedrag dat partijen in 2009 zijn overeengekomen, te weten een bedrag van € 140,-- per maand, welk bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd (thans geïndexeerd € 143,-- per maand). Voor zover de vader in hoger beroep verlaging verzoekt, is hij niet-ontvankelijk in dit verzoek. Nu de moeder een bekrachtiging verzoekt van de bestreden beschikking, is het door de rechtbank opgelegde bedrag van € 230,-- per maand de bovengrens van het geschil.

Kinderalimentatie

9.

Het hof stelt vervolgens voorop dat genoemde tussen partijen gesloten overeenkomst slechts bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, dan wel indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

10.

Voor zover de moeder in deze zaak heeft bedoeld te betogen - teneinde een hogere dan de overeengekomen bijdrage van de vader te verkrijgen - dat sprake zou zijn van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, omdat door partijen bij het sluiten van de overeenkomst is uitgegaan van een verkeerde veronderstelling over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige - de behoefte -, overweegt het hof als volgt.

11.

In het inleidend verzoek stelt de moeder dat de kinderalimentatie van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Ten tijde van het uiteengaan van partijen bedroegen de onderhoudskosten, gelet op het inkomen van partijen, conform de Tremanormen al

€ 374,-- per maand, aldus de moeder, en stond het inkomen van de vader tot de moeder als 53% staat tot 47%, zodat de bijdrage van de vader geen € 140,-- maar € 230,-- had moeten zijn. In hoger beroep stelt de moeder dat de behoefte inmiddels € 518,-- per maand bedraagt. Deze stellingen heeft de moeder (ook in hoger beroep) niet onderbouwd - niet voor de behoefte waarvan in het convenant is uitgegaan en ook niet voor wat betreft het bedrag van € 374,--. Evenmin is door haar in hoger beroep de door haar gestelde verdere verhoging van voormelde behoefte onderbouwd. Bovendien is onduidelijk gebleven hoe ieders aandeel in de behoefte in 2009 is berekend, zodat voor het hof niet na te gaan is of sprake is geweest van grove miskenning. Indien al van de juistheid daarvan zou worden uitgegaan en gesteld al dat dit een grove miskenning van de wettelijke maatstaven bij het sluiten van de overeenkomst zou opleveren, dan zal het hof de zaak hebben te beoordelen met inachtneming van alle omstandigheden zoals die thans zich voordoen. In dat verband heeft de vader aangevoerd dat de moeder is hertrouwd en terecht gesteld dat de stiefvader ook onderhoudsplichtig is jegens de minderjarige. Anders dan de moeder betoogt, dient dan de draagkracht van ieder van de onderhoudsplichtigen - vader, moeder en stiefvader - te worden vergeleken. Dan heeft het volgende - in lijn met de beschikking van de Hoge Raad van 13 juli 2012 (LJN: BX1295, NJ 2012/498) - te gelden. Nu het hof niet de beschikking heeft gekregen over de voor de berekening van de draagkracht van de huidige echtgenoot van de moeder benodigde gegevens en de moeder heeft verklaard dat de stiefvader en zij die ook niet ter beschikking hebben willen stellen, staat het het hof vrij die draagkracht in te schatten aan de hand van de wel aan het hof ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op de artikelen 21 en 22 van het Rv, rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven.

12.

Door de vader is onweersproken gesteld dat de huidige echtgenoot van de moeder een veertigurige werkweek heeft en in de ICT-branche werkzaam is. Gegeven deze omstandigheid en dat gezien het vorenstaande de ondergrens van de door de vader te betalen bijdrage thans € 143,-- per maand is, gaat het hof er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen vanuit dat de moeder en de stiefvader tezamen in staat zullen zijn het resterende aandeel van de kosten van de minderjarige voor hun rekening te nemen.

Ingangsdatum

13.

De vader heeft betoogd dat het redelijk is een eventuele wijziging van de kinderalimentatie eerst per 23 februari 2012 te doen ingaan. Daar het hof de overeengekomen bijdrage niet voor wijziging vatbaar acht, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de bijdrage met ingang van 1 september 2011 vaststellen op € 143,-- per maand.

Het hof merkt daarbij voor alle duidelijkheid op dat de vader (ook) over de periode voorafgaand aan 1 september 2011 dient te betalen hetgeen in het convenant is afgesproken.

Proceskosten

14.

Het hof ziet gelet op de aard van de procedure geen aanleiding om - zoals de moeder heeft verzocht - de vader te veroordelen in de proceskosten, en zal de kosten tussen partijen compenseren.

15.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep voor zover hij verzoekt de kinderalimentatie te bepalen op een lager bedrag dan € 143,-- per maand;

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 1 september 2011 op € 143,-- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mink en Otter, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2013.